Schrijver Annegreet van Bergen was verbaasd over hoe intens ze reageerde op het overlijden van haar man. Ze had in de aanloop naar zijn sterven al zoveel verdriet gehad. ‘Pieter vervaagt langzaam. Hij zegt niks meer, er komt nooit meer iets bij. Dat is de bittere waarheid.’
is journalist en programmamaker. Voor Volkskrant Magazine interviewt hij geregeld bekendere Nederlanders.
Schrijver Annegreet van Bergen was verbaasd over hoe intens ze reageerde op het overlijden van haar man. Ze had in de aanloop naar zijn sterven al zoveel verdriet gehad. ‘Pieter vervaagt langzaam. Hij zegt niks meer, er komt nooit meer iets bij. Dat is de bittere waarheid.’
is journalist en programmamaker. Voor Volkskrant Magazine interviewt hij geregeld bekendere Nederlanders.
Zijn pet hangt nog altijd aan de kapstok. Maar zijn sloffen staan niet meer bij de voordeur. En ook zijn vest, dat altijd over de dressboy naast het echtelijk bed hing, heeft ze weggedaan. Drieënhalf jaar na de dood van haar man Pieter heeft Annegreet van Bergen veel van zijn spullen opgeruimd. Zijn naam staat nog wel op de voordeur van haar woning in Zutphen. ‘Maar laatst dacht ik: als de schilder binnenkort komt, moet zijn naam er toch maar af. Ik moet mezelf daarmee confronteren. Het is gewoon een feit dat hij hier niet meer woont.’
Ruim vijfentwintig jaar waren ze samen. In de laatste jaren begon Pieter, elf jaar ouder dan zij, te kwakkelen en begonnen hartfalen, neuropathie en spierreuma steeds meer hun tol te eisen. Totdat hij in 2022 overleed. Haar nieuwe boek gaat over hun relatie, over de periode waarin Pieter ziek werd en over de rouw die daarna volgde. Over liefde, heet het, met een komma achter liefde. ‘Die komma staat voor rouw die niet voorbijgaat.’
Van Bergen (72) was eigenlijk verbaasd over hoe intens ze reageerde op het overlijden van haar man. Ze had in de aanloop naar zijn sterven al zoveel verdriet gehad. ‘Een soort pre-rouw. Ik wist dat het eraan zat te komen. Hij was bijna 80. En ja, iedereen gaat dood. Dus ik had het idee: als dit afgelopen is, dan pak ik snel de draad weer op en ga ik verder met mijn leven. En toch werd ik overspoeld door verdriet toen het eenmaal zover was.’
Op de meest onverwachte momenten kon ze opeens niet meer stoppen met huilen. In het gangpad van Albert Heijn, bij de chocoladeafdeling bijvoorbeeld. Want voor wie zou ze voortaan nog chocola moeten kopen? ‘Opeens realiseerde ik me dat ik dat van nu af aan alleen nog maar voor mezelf zou doen. En nooit meer voor Pieter. Nooit meer zou ik hem na het eten vragen: ‘Wil je nog een stukje chocola?’ Dat was zo’n verpletterend besef. Ik ging ter plekke bijna onderuit van verdriet.’
Of die keer dat ze kort na de uitvaart naar het Zoutmuseum in Delden ging. Dat stond al een hele tijd op haar lijstje. ‘Daarna liep ik als een halve malloot aan iedereen te vertellen dat ik ‘gewoon overal’ kon parkeren. Want nu hoefde ik geen rekening meer te houden met Pieter, die slecht ter been was. Een soort rare euforie die ik voelde. Alsof ik krampachtig een pluspunt had ontdekt aan mijn situatie.’
Uiteindelijk kroop het schrijversbloed waar het niet gaan kon, en besloot ze zulke ervaringen op te schrijven. Als vanzelf kwamen al die herinneringen als een cascade terug. Zoals aan die dag waarop het bed werd bezorgd waarin haar man zijn laatste uren zou doorbrengen. ‘Pieter zei: ‘Dus dit is het bed waar ik in ga sterven...’ Vervolgens moesten we het bed van hem tot op de millimeter nauwkeurig rechtzetten langs de muur. Later hoorde ik van een vriendin dat ook Piet Mondriaan op zijn sterfbed verlangde dat er een kast precies evenwijdig aan zijn bed werd neergezet. Dat vond ik mooi. Kennelijk leken Pieter Al en Piet Mondriaan in dat opzicht op elkaar. En het klopte helemaal: Pieter was statisticus, maar ook een meestertimmerman. Hij heeft dit huis eigenhandig verbouwd. Alles hier in huis is evenwijdig en met de waterpas gecreëerd.’
En hij wilde ook waterpas sterven?
‘Natuurlijk voldeed ik aan die laatste wens. Tegelijk vond ik het absurd.’
Van Bergen verbreedde haar boek gaandeweg met ervaringen van andere nabestaanden; hoe gaan zij om met ziekte, dood en rouw? En hoe was dat vroeger? ‘Daarmee kom je op een expertise van mij, waarbij ik mensen bekijk als kinderen van hun tijd. Dat heb ik ooit ook met De lessen van burn-out gedaan. Want dat is het verhaal van Annegreet van Bergen, die op een redactie van een weekblad uit de bocht vliegt. Dat heb ik geplaatst in een breder kader, over het steeds belangrijker worden van hoofdarbeid. Ook met Gouden jaren en Het goede leven (haar boeken over hoe het leven na de oorlog door economische groei veranderde, red.) heb ik mensen in hun tijd geplaatst.’
Wat voor inzicht leverde het schrijven van dit boek je op?
‘Dan kom ik uit bij hetzelfde inzicht dat ik kreeg bij Gouden jaren en Het goede leven. Over hoe bevoorrecht wij zijn dat we in het naoorlogse Nederland zijn geboren. We worden niet meer slechts 62 jaar, zoals vroeger, maar makkelijk 80. En we hebben zelfbeschikkingsrecht. Er bestaat zoiets als euthanasie en palliatieve sedatie. Vroeger moest je gewoon maar afwachten wanneer je doodging. Als de dokter niets meer voor je kon doen, kreeg je dat vaak niet eens te horen. In mijn boek vertel ik over een jonge vrouw, begin jaren zestig, van wie de omgeving weet dat zij gaat sterven. De familie besluit om het haar niet te zeggen. Later blijkt dat zij het zelf ook weet, en heeft gedacht: ik ga het maar niet tegen mijn familie zeggen. Het is enorm fijn dat die zwijgcultuur over de dood inmiddels enigszins is doorbroken.’
Al rust er nog altijd een taboe op praten over de dood, heeft ze gemerkt. Zeker wanneer mensen moeten nadenken over hun eigen einde. ‘Ik citeer in mijn boek iemand die oppert dat dat komt doordat mensen bang zijn dat ze daarmee de dood over zichzelf afroepen. Maar praten over de dood is niet dodelijk, net zomin als dat je van praten over seks zwanger wordt. Ik zeg soms dat ik bijna 73 lentes oud ben, maar dat ik weet dat het leven niet oneindig doorgaat. Dan wenden sommige mensen hun gezicht af. Daar kun je het blijkbaar beter niet over hebben.’
Konden Pieter en jij over de dood praten?
‘Dat hebben we zeker gedaan. Niet met veel woorden, maar we zijn bijvoorbeeld samen een graf gaan uitzoeken. Dat doe je natuurlijk niet zomaar. Als er die laatste zomer mensen op bezoek waren, zei hij soms: ‘Dit zou weleens de laatste keer kunnen zijn dat we elkaar zien.’
En helpt dat dan voor de aanstaande nabestaanden?
‘Voor mij wel. Je moet je niet tegen het onvermijdelijke verzetten. We gaan op een dag allemaal dood. Zo simpel is het. Zoals Bert Keizer (arts en filosoof, red.) het zo mooi verwoordt: niemand komt hier levend vandaan. Een goed sterfbed regel je niet alleen voor jezelf, maar zeker ook voor je nabestaanden. Ik denk dat dat ook een van de verworvenheden van nu is, dat we daar tegenwoordig makkelijker over praten.’
Als je partner terminaal ziek is, heb je allebei een andere horizon. De een verdwijnt en de ander leeft door. Heb je het ook over dat soort dingen gehad?
‘Te weinig. En dat is mijn eigen schuld. Pieter wilde ook nog weleens praten over wat doodzijn nou precies betekent. In filosofische zin. Waar ben je dan? Blijft er iets van je over? Dat was een restant van zijn katholieke jeugd. Ik kom uit een volstrekt atheïstisch gezin. Ik heb de overtuiging dat er na de dood helemaal niks is. Dus daar kun je met mij niet lang over praten. Ik weet niet of hij dat gemist heeft. Een enkele keer zei hij: ‘Och Grietje, en hoe moet het dan straks met jou?’ Dat vroeg nota bene een doodzieke man die voortdurend ademnood had, heel veel pijn had en een schim van zichzelf was. Dus dan zei ik: ach joh, dat komt wel goed. Achteraf hadden we daar iets meer over kunnen praten. Maar ik wilde hem daar niet mee belasten.’
Je schrijft: ‘Met Gouden Jaren wilde ik een didactisch boek schrijven over wat economische groei in de praktijk was. Maar zo werd het niet gelezen.’
‘De geschiedenis van dat boek is anders dan van dit boek. In 2011 verkeerde Nederland in een diepe economische crisis. De kranten stonden vol over hoeveel procentpunt meer of minder groei er zou zijn. Grote letters op de voorpagina. Terwijl het maar over een paar procent ging. En dan te bedenken dat we in Nederland na de oorlog een verviervoudiging van het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking hebben meegemaakt. Zoiets was nog nooit eerder gebeurd. Zelfs niet in de Gouden Eeuw.
‘Op de een of andere manier heb ik ook altijd de drang gehad om te schrijven over de bijzondere tijd waarin ik ben geboren en opgegroeid. Mijn moeder is geboren in 1922. Zij werd op haar 14de van school gehaald om te gaan werken. En ik heb gewoon kunnen studeren. Dus ik dacht: wij zijn gewoon enorme bofkonten. Ik wilde onderzoeken wat economische groei eigenlijk is. Heel veel mensen denken bij economische groei aan Nikes, auto’s en elektronica. Maar groei betekent ook dat de dokter zoveel knapper is geworden, dat we beter onderwijs krijgen en in veel betere huizen wonen dan vroeger. Dat was mijn opzet bij dat boek.’
Maar zo lazen mensen het niet?
‘Nee. Mensen vonden het vooral een feest der herkenning om over ervaringen uit hun jeugd te lezen. Een feelgoodboek op basis van economische feiten. Achteraf ben ik daar hartstikke blij om. Daardoor zijn er wel 330 duizend exemplaren van verkocht.’
Is Over Liefde, een rouwboek?
‘Zo begon het wel toen ik het schreef. Maar met het verstrijken van de tijd ben ik het als een levenslustboek gaan zien.’
Pieter is nu drieënhalf jaar dood. Ben je nog in de rouw?
‘Zo zou ik het niet omschrijven.’
Kun je inmiddels chocola kopen zonder een steek in je hart te voelen?
‘O ja. Dat is een van de dingen die ik mijzelf heb geleerd: dingen die pijn doen maar die toch gewoon bij het dagelijks leven horen, moet je blijven doen. Dan wen je eraan. Ter voorbereiding van dit gesprek zat ik te denken aan mijn eigen rouwtherapieën. Ik heb zelf de rouwkaart gemaakt, en een nieuwjaarskaart na zijn overlijden.’
Kijk, zegt ze terwijl ze de rouwannonce op tafel legt. Voorop de kaart staat een vrolijke foto van Pieter, grijnzend met een appel op zijn hoofd. Op een andere staat hij op zijn sloffen in het bos van de natuurbegraafplaats en wijst hij naar de plek waar hij uiteindelijk begraven zou worden. Ja, nu ze ernaar kijkt, overvalt het verdriet haar weer, zegt ze. ‘Dan denk ik: god, wat was het toch een leukerd... Ik bedoel: ik mís hem zo...’
Heeft hij over je schouder meegelezen?
‘Nee, absoluut niet. Pieter is dood, hij kan niet meelezen. Ik ben de schrijver.’
Hij was elf jaar ouder dan jij. Heb je wel altijd geleefd met het besef dat er op een dag één van jullie over zou blijven, en dat de kans groot was dat jij dat zou zijn?
‘Zeker. Ook gezien zijn ziektegeschiedenis. Want Pieter had veel kwalen en kwaaltjes.’
Je somt ze ook nauwkeurig op: reuma, een tia, nieuwe knie, prostaatkanker, vergroeiingen van de botjes in zijn voet, stenose, nog een tia, staar, neuropathie, hartfalen, spierreuma.
‘En dan vertel ik nog niet eens dat hij ook eigenlijk een gehoorapparaat nodig had. Dat laatste jaar ben ik heel dui-de-lijk gaan pra-ten. Omdat ik dacht: bij alles wat hij al heeft, ga ik niet ook nog ’ns over zijn doofheid beginnen.’
En Pieter had last van impotentie. Daardoor kwam het in bed vooral van ‘neulen’, schrijf je (het Twentse woord voor dom kletsen). In plaats van...
‘Neuken. Ja, je mag het woord best zeggen. Er zijn mensen die roepen: zoiets schrijf je niet in een boek. Maar ik vind dat dat kan.’
Jij werd steeds meer zijn mantelzorger. Dat moet grote gevolgen hebben voor de gelijkwaardigheid in de relatie.
‘Dat was een van de moeilijkste dingen. Voor mij, maar vooral voor Pieter. Om niet meer de man te zijn die hij vroeger was. Hij heeft dit hele huis verbouwd, mooi gemaakt en naar zijn hand gezet. En opeens lukten al die dingen hem niet meer. Dingen die vroeger vanzelfsprekend zijn taak waren, werden hem zomaar te veel. Ook moest ik opeens de vakanties regelen, terwijl hij dat altijd gedaan had. Hij kon het niet meer.’
Hou je dan in zekere zin ook op om iemands partner te zijn?
Ferm: ‘Nee! Juist doordát ik zijn partner was, kon ik mantelzorgen.’
Wat emotioneert je nu?
‘Omdat het ook aangeeft hoeveel we van elkaar hielden. Het heeft me weleens verbaasd wat ik allemaal deed. En vooral hoe vanzelfsprekend dat was. Want hij bleef mijn grote liefde. Ondanks al zijn kwalen bleef hij een opgewekte man, met veel gevoel voor humor. Als hij ’s morgens met de traplift naar beneden kwam, kon-ie zeggen: ‘Hier is-ie dan, jouw prins op het witte paard.’
‘Wat ik erg ingewikkeld aan mantelzorg vind, is dat je iemand wilt helpen, maar tegelijkertijd niet wil betuttelen. Achteraf denk ik dat ik bij alles in de eerste plaats voor de sfeer in huis heb gekozen.’
In plaats van?
‘In plaats van te vertellen wat volgens mij verstandig was. Pieter slikte bijvoorbeeld pijnstillers. Daar was hij erg terughoudend mee. Want op de lange termijn zouden ze schadelijk kunnen zijn. Soms zat hij te krimpen van de pijn. Dan zei ik weleens: goh, denk je dat dit verstandig is? En niet: je moet nú je pijnstillers nemen. We hielden allebei enorm van fietsen. Ik ben heel voorzichtig over een mooie driewieler begonnen. Dan zouden we tenminste weer fietstochten kunnen maken. Maar Pieter wilde daar absoluut niet aan. Dan wist ik: niet doordrammen.’
Je noemt in je boek de film Amour, waarin een man uiteindelijk in wanhoop een kussen drukt op het gezicht van zijn demente vrouw. Is dat ooit serieus door je hoofd gegaan?
‘Ik heb dat vooral opgeschreven omdat het tekent hoe onmachtig je je als partner kunt voelen als je geliefde zo lijdt. Maar nee, ik kan me niet indenken dat ik het echt gedaan zou hebben. We hebben de mogelijkheid tot euthanasie in Nederland, dus zoiets hoeft gelukkig niet. Maar die wanhoop kon ik me heel goed voorstellen.’
Pieter sterft op 13 september 2022. Niet door euthanasie, maar na palliatieve sedatie. ‘Doen we geen kusjes meer?’, zegt hij nog tegen haar. Het zullen zijn laatste woorden zijn. Ze heeft geaarzeld of ze ook die allerlaatste liefdesbetuiging moest opschrijven. ‘Ik vind het een van mijn allermooiste herinneringen. Tegelijk was het zo kostbaar en intiem. Toen voor het eerst de omslag met die woorden op internet stond, dacht ik even: ‘Wat heb ik gedáán? Dit was van ons!’ Maar ik realiseerde me ook dat ik dan dit boek niet had moeten schrijven.
‘Toen hij stierf drong tot me door dat dit dus het moment was waar ik in zekere zin naar had uitgekeken. Eindelijk was zijn lijden voorbij. Tegelijk voelde ik me daar enorm schuldig over. Het leek net alsof ik naar zijn dood uitkeek. Zo was het niet: ik vond het verschrikkelijk om hem zo ziek te zien. Daar begon het mee. Maar het was ook heel moeilijk voor mij. Daar ga ik me niet heiliger in voordoen dan ik ben. Pieter werd gegijzeld door zijn ziekte, maar ik ook. Ik vond dat mantelzorgen heel zwaar. En als het nou nog ergens toe zou leiden, tot enig herstel. Maar nee, je wist dat het alleen nog verder zou verslechteren.’
Had je lang last van dat schuldgevoel?
‘Ja nou! Als ik mijn dagboek teruglees, gaat het daar voortdurend over. Hoe vaak ik daar dan aan mezelf uitleg dat ik me niet schuldig hoef te voelen...
‘En dan hád ik het mezelf uitgelegd, begon het verdomme weer opnieuw. ‘Hoe kun je dit nou willen, Annegreet?’ Maar nee, ik wilde niet dat hij weg was, ik wilde gewoon dat dit drama tot een einde kwam.’
Als je samen bent, kijk je altijd een beetje voor twee. Ook als de ander er niet bij is. Kijk je nu weer alleen voor jezelf?
‘Dat is het allermoeilijkste. Hij was mijn klankbord. Bij bijna alles wat ik meemaak denk ik: dit zou ik aan Pieter hebben verteld. Vaak heel kleine dingen. Ik maak iedere dag een lange wandeling. Dat is een van mijn zelfbedachte rouwtherapietjes. Iedere ochtend kom ik in het park een oude man met een leuke hond tegen. Vanochtend vroeg ik: ‘Hoe heet uw hond eigenlijk?’ Die man zei: Cito. En ik dacht: volgens mij betekent dat in het Latijn: snel. Dat zou ik bij thuiskomst direct aan Pieter gevraagd hebben: ‘Cito, is dat niet snel in het Latijn?’ Nu zit het alleen maar in mijn hoofd.’
Is het daarmee minder waard?
‘Dat weet ik niet. Het is gewoon minder leuk. Bijna alle dingen die ik nu meemaak zijn toch iets minder mooi.’
Hoe reageerde de buitenwereld toen zich dit allemaal afspeelde?
‘Eén en al begrip. Ik bof met hele goede vrienden en vriendinnen. Al ging ik aanvankelijk mensen uit de weg die niet tot mijn naaste kring behoorden. Want je ziet hoe makkelijk ik geëmotioneerd raak.’
Jij schrijft dat je ontdaan was toen iemand je vroeg: ‘Mis je Pieter? Of vind je het erg om alleen te zijn?’ Is dat zo’n rare vraag?
‘Ik vond het anderhalf jaar geleden nog heel raar. Ik miste Pieter! Met alleen-zijn en alleen wonen had ik voldoende ervaring. Dat was zeker in het begin geen issue voor me. Nu mis ik het steeds meer om onvoorwaardelijk bemind te worden. Dat is een weldadig gevoel dat ik nu niet meer heb. Maar alleen-zijn heeft ook plezierige kanten. De vrijheid die ik nu heb om te gaan en te staan waar ik wil. Maar je steekt als je thuiskomt toch de sleutel in de deur van een leeg huis. Dat blijft moeilijk.
‘Ik riep altijd voor de grap: ‘Honey, I‘m home!’ Dat doe ik niet meer. Want ik weet dat honey er niet is. Daar moet je doorheen. Dat is dan wat psychologen desensitisatie noemen: als je jezelf maar vaak genoeg confronteert met de akelige kanten van iets, dan wen je eraan. Maar in het begin wilde ik helemaal niet wennen. Ik wilde die rouw vasthouden.’
‘Missen is ook een soort nagenieten’, schrijf je.
‘Je kunt ook rouwen om het langzaamaan verdwijnen van de rouw. Omdat je weet: toen was hij nog dichterbij. Een van de dingen waaruit ik totaal geen troost put is zo’n uitspraak: ‘Wat je in je hart bewaart, raak je nooit kwijt.’ Dat is niet wáár. Want Pieter vervaagt langzaam. Hij zegt niks meer, er komt nooit meer iets bij. Dat is de bittere waarheid. Ik ben hem kwijt. Voor altijd.’
Ben je nog met hem in gesprek?
‘Ja hoor, geregeld. Maar hij geeft geen sjoege. Dat is zo vervelend. Dan zit ik opeens te denken: weet jij nog in welke havenplaats in Frankrijk we waren toen we de eerste beelden van 9/11 zagen? Als hij er nog geweest was, zouden we dat samen boven water hebben gekregen. In mijn eentje weet ik het niet meer.’
Dus er gaat ook een heel stuk van je eigen verleden dood?
‘Absoluut. Sommige dingen zijn met hem het graf ingegaan. Want herinneringen moeten ververst worden. Die moet je bijhouden. Anders verflensen ze.’
Kun je Pieter inmiddels los zien van dat laatste jaar?
‘Steeds meer. Zeker in het begin was het echt aldoor die hulpbehoevende oude man. Langzaamaan is de oude energieke Pieter weer aan het terugkomen.’
Is dit nog júllie huis of is dit inmiddels al jouw huis?
Na een lange aarzeling: ‘Het is mijn huis... geworden. Ik heb het soms nog wel over ‘ons’, maar ik heb er ook heel erg op geoefend om het ‘mijn huis’ te noemen. Ik zit hier nu ook tegenover jou aan tafel op de plek waar Pieter altijd zat.’
Als je zo lang samen bent, vergroei je ook met elkaar. Hoe word je dan toch weer die ene alleen?
‘Voorjaar 2023, toen Pieter een half jaar dood was, was ik een week lang in hotel Villa Augustus in Dordrecht. Een van onze favoriete plekken. Daar kan ik inmiddels ook in mijn uppie naartoe. En ik ben daar een week naartoe gegaan om me in te lezen voor een nieuw boek. Daar besefte ik dat ik een heel mooie levensreis heb gemaakt met Pieter, maar dat ik nu weer een nieuwe weg zal inslaan. Ik leerde Pieter kennen toen ik al 43 was. Ik had al een leven achter mij. Ik heb het dus tweeënveertig jaar zonder Pieter gedaan. En toen kon ik het ook.’
‘Een van de akelige dingen van weduwe zijn is dat het soms wel tot ’s middags vier uur kan duren voordat je je eigen stem hoort. Maar ik zit sinds kort op zangles. Nu moet ik ’s morgens zangoefeningen doen. Dat doe ik ook trouw. Direct na Nederland in Beweging. Drie jaar geleden deed ik het voor het eerst naast het echtelijk bed. Dan stond ik in gedachten te lachen en tegen Pieter te praten: moet je toch eens zien, die vrouw van jou. Maar tegenwoordig is het onderdeel van mijn dagelijkse routine.’
Ben je nu weer min of meer de oude geworden? Of eerder een nieuwe?
‘Ik ben de oude in een nieuwe versie. Een van de dingen waar ik ontzettend veel lol in heb, is dat ik van een bevriende kunstenares af en toe haar krantenwijkje overneem. Als een soort arbeidstherapie brengt zij één keer in de week een plaatselijk huis-aan-huisblad langs: De Stedendriehoek. Dat vind ik zo leuk.
‘Toen ik 27 was begon ik op de redactie van de Volkskrant, in de backoffice. En nu ben ik 72, en zit ik in de frontoffice. Nu heb ik klantcontact.’ Stralend: ‘Hoe vind je dat? En ik heb een nieuw soort creativiteit in mezelf aangeboord. Ik ben tijdens mijn wandelingen handschoenen gaan rapen die ik op straat zie liggen. In een stadje als Zutphen liggen ze overal. In Amsterdam ook, maar ik mag van mezelf alleen maar in Zutphen rapen, want ik hoop dat ze ooit hun wederhelft nog eens vinden. Toen het te makkelijk werd, bedacht ik dat ik ze eerst 24 uur moest laten liggen. Dan heeft de rechtmatige eigenaar een gerede kans om die handschoen terug te vinden. De volgende dag kwam ik terug, bijna als een kat die hoopt dat die muis er nog steeds lag. Zo heb ik er 67 gevonden in een half jaar tijd. Ik heb ze in een krat gedaan, en weet nog niet wat ik ermee ga doen. Maar op die manier heb ik toch extra plezier aan mijn winterse wandelingen beleefd.’
Kun je je ook weer openstellen voor een nieuwe liefde?
‘Ik laat me graag verrassen door het leven. Maar ik ben niet actief aan het daten. Zo open sta ik er nog niet voor.’
Ze werkt inmiddels aan een nieuw boek, over de industriële revolutie.
‘In die eerste tijd dat Pieter net dood was, heb ik er al veel over gelezen en aantekeningen gemaakt. Het was een mooie afleiding. Het is een ingewikkeld verhaal, waar ik de komende jaren aan probeer te werken. Als het me lukt bij leven en welzijn ben ik hartstikke blij. En als het niet lukt, heb ik er toch lol aan beleefd. Ik ben me er meer dan ooit van bewust dat ik de tijd die ik nog heb niet zappend op de bank wil doorbrengen, maar dat ik er later met tevredenheid op wil kunnen terugblikken. Er is genoeg in dit leven om zorgen over te hebben. Dan heb ik het niet alleen over mijn leven als weduwe, maar natuurlijk ook over alle narigheid in de wereld. Zorgen over het klimaat, over de internationale spanningen. Nou ja, ik hoef het allemaal niet op te noemen.’
Waarom sta je dan toch op ’s morgens?
‘Niet om iets van mijn leven te maken, maar om iets van mijn dág te maken. Ik leef in kleine hapjes. Ik wil tevreden op de dag kunnen terugkijken, en koesteren wat er aan goeds is. Vandaag weet ik toch maar weer mooi hoe die leuke hond van die man heet. En als je genoeg van die dagen hebt waar je tevreden op kunt terugkijken, dan kun je op het laatst vast ook tevreden op je léven terugkijken.’
29 januari 1954 Geboren in Enschede.
1973 Gymnasium alfa Kottenparkcollege Enschede.
1974-1982 Studie economie Universiteit van Amsterdam.
1982-1986 Verslaggever financiële redactie de Volkskrant.
1986-1988 Redacteur Financieel-Economisch Magazine (FEM).
1988-1999 Redacteur economische redactie Elsevier, waarvan drie jaar chef.
2000 De lessen van burn-out.
2000 Werk of gekkenwerk.
2001 Onthaasten van A tot Z.
2010 Mijn moeder wilde dood.
2014 Gouden jaren.
2018 Het goede leven.
2019 Een ongewone geschiedenis van doodgewone dingen.
2020 Noo kriege wi-j ’t baeter.
Annegreet van Bergen is weduwe van Pieter Al en woont in Zutphen. Dankzij Pieters dochter Roos en haar kinderen Karel en Isolde is ze toch oma, zonder zelf moeder te zijn.
Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant