Home

Japanse kwartels die grote eieren leggen leven korter

Biologie Voortplanting kost energie. Ecologen in Zürich hebben met zes generaties Japanse kwartels uitgezocht wat de relatie is tussen hun levensduur en de grootte van hun eieren.

Een Japanse kwartel (Coturnix japonica) is binnen een paar maanden geslachtsrijp en kan een jaar of vier oud worden

Volgens een populaire theorie in de levensloopbiologie moeten levende wezens voortplanting en zelfbehoud tegen elkaar afwegen, dus hoe meer energie en middelen ze in voortplanting steken, des te korter ze zelf leven. En dat klinkt heel logisch, maar bewijs het maar eens. Het is wel duidelijk dat verschillende diersoorten er verschillende strategieën op nahouden: het killivisje Nothobranchius furzeri leeft maar een paar maanden en is al na twee weken geslachtsrijp, terwijl de Groenlandse haai er anderhalve eeuw over doet om geslachtsrijp te worden en bijna vierhonderd jaar oud kan worden.

Maar binnen één diersoort is de variatie veel kleiner, en gezondere individuele dieren hebben meer kans om zich voort te planten én om langer te leven, wat de boel vertroebelt. Dat maakt de afweging tussen voortplanting en zelfbehoud binnen een soort moeilijk aan te tonen. Toch heeft een team van Europese ecologen het voor elkaar gekregen, schrijven ze in Proceedings of the Royal Society B. Ze hebben het experimenteel aangepakt en er zes generaties Japanse kwartels (Coturnix japonica) op gezet, nestvlieders die binnen een paar maanden geslachtsrijp zijn en een jaar of vier kunnen worden.

Het experiment liep van 2011 tot 2017 in een volière in Zürich. De onderzoekers selecteerden aan het begin de 25 procent kwartels die de grootste en de kleinste eieren legden ten opzichte van hun eigen lichaamsgewicht: dat was de maat voor energie in voortplanting steken. Bij elke nieuwe generatie selecteerden ze weer de kwartels met relatief de kleinste en de grootste eieren. Er was geen verschil in het aantal eieren dat kwartels uit de grote- en de kleine-eiergroep legden en alle kwartels werden op dezelfde manier gehuisvest en gevoed.

In generatie vijf en zes, toen de twee groepen kwartels duidelijk verschilden in de grootte van de eieren die ze legden, bleek dat vogels uit de groep die de grootste eieren legden ten opzichte van hun lichaamsgewicht korter leefden dan de vogels met de kleinste eieren. Binnen de twee groepen leefden de vrouwtjes die de grootste eieren legden trouwens langer; dat waren waarschijnlijk de gezondere, fittere vogels. Het was onduidelijk of ook de mannetjes uit de grote-eierengroep korter leefden dan die uit de kleine-eierengroep, omdat de mannetjes een stuk ouder werden dan de vrouwtjes.

Het is niet helemaal voor het eerst dat de afweging tussen voortplanting en zelfbehoud experimenteel wordt aangetoond. Ruim tien jaar geleden lieten Nederlandse onderzoekers bijvoorbeeld al zien dat wilde Groningse kauwtjes die na een paar dagen twee extra kuikens in hun nest kregen gemiddeld korter leefden dan kauwtjes bij wie twee kuikens uit hun nest waren weggehaald, maar dat was maar één generatie. En dertig jaar geleden selecteerden en kweekten Nederlandse onderzoekers gericht fruitvliegjes met een relatief lang en met een relatief kort leven; die eerste groep bleek minder nakomelingen te krijgen.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Biologie

Lees meer

Lees meer

Biologie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next