Mannelijkheid Wat is een echte man? Stoer, hard en krachtig? Twee kunstexposities over mannelijkheid willen het beeld verruimen van wat mannen kunnen zijn. „Het begrip mannelijkheid wordt te klein gehouden.”
Bart Hess, Sweetmeat, 2026.
Wanneer is een man een ‘echte man’? Als hij zijn sterke spieren laat zien? In de video’s van Andrew Tate en zijn manosphere-influencers – die nu uitgebreid in de Netflix-documentaire van Louis Theroux aan bod komen – hangen de mannen dagelijks aan hun sportschoolapparatuur. Spieren lijken hier als een soort onderstreping van hun wereldbeeld te fungeren: een echte man domineert zijn omgeving én zijn vrouw, als het moet met geweld.
In het videowerk SweetMeat (2025) van de Nederlandse kunstenaar Bart Hess, nu in Het Noordbrabants Museum, zijn twee atletische, halfnaakte mannen te zien. Ook zij lijken als ‘echte mannen’ met elkaar te vechten. Maar het doel van het gevecht blijkt geen gewelddadige dominantie van de ander. Hun lichamen zijn met rode en blauwe snoepjes versierd, glanzend als edelstenen. De twee proberen ze haast liefdevol van het lichaam van de ander af te eten.
Ben ik mannelijk? heet de tentoonstelling in Het Noordbrabants Museum, een vraag die hier bijna persoonlijk aan de bezoeker gesteld wordt, alsof die tijdloos is, een zoektocht waar iedere generatie opnieuw mee te maken krijgt. Maar in deze tijd is het toch anders. Aanstaande zaterdag opent in het Stedelijk museum Amsterdam nog een tentoonstelling over hetzelfde thema. In Beyond the Manosphere. Masculinities today wordt de betekenis van mannelijkheid als ‘culturele waarde’ in de hedendaagse tijd onderzocht.
Hans Eijkelboom, uit de serie De ideale man (detail), 1977–1982.
Beide exposities sluiten daarmee aan bij een relatief recent maatschappelijk debat. De afgelopen tien jaar is de man meermaals ‘in crisis’ verklaard, eerst nog alleen vanwege het verdwijnen van zijn traditionele, dominante rol op de arbeidsmarkt, daarna steeds meer vanwege veranderende maatschappelijke rolmodellen als gevolg daarvan. De aanjagers van die laatste discussie zijn vooral rechtse bewegingen als MAGA, de manosphere en ook Forum voor Democratie. Mannelijkheid is in hun wereldbeeld een ‘natuurlijk’ gegeven, met nauw omschreven karakteristieke kenmerken. Volgens deze groepen is de man in de 21ste eeuw zijn ‘masculine energy’ kwijtgeraakt, als gevolg van de verzwakkende invloed van het feminisme en dient hij die met ferme, ‘mannelijke’ daadkracht weer op te eisen.
Dit nieuwe maatschappelijke vraagstuk ‘man’ wordt nu ook door de kunstwereld opgepikt met twee exposities, met als uiteindelijke doel om de bezoeker – man, vrouw of kind – er toch ook weer opgetogen uit te krijgen. Dus: wat wil de kunst aan de discussie over mannelijkheid bijdragen?
Op het eerste gezicht kiezen de twee exposities ieder een volledig ander traject. Ben ik mannelijk? in Den Bosch begon als de persoonlijke zoektocht van curator Roberto Luis Martins (1994), modeconservator van het Amsterdam Museum. Hij voelde in eerste instantie „aversie” tegen het begrip mannelijkheid, vertelt hij aan de telefoon, toen het Noordbrabants Museum hem vroeg deze tentoonstelling te maken. Je zou het een klein persoonlijk trauma kunnen noemen: als jochie durfde hij niet met poppen te spelen, terwijl hij dat wel graag wilde. In plaats daarvan deed hij juist zijn best om mannelijk over te komen, vertelt hij, stoer en krachtig, en zei hij op de juiste momenten „ja man bro”.
Aan de hand van zijn eigen persoonlijke vraag – Ben ik mannelijk? – hoopt Luis Martins dat de bezoeker „de eigen opvattingen rond mannelijkheid bevraagt”. Hij verbindt in associatieve, soms ook grappige vergelijkingen popcultuur en kunst, geschiedenis en mode, opgedeeld in zes thema’s zoals ‘lichaam’ en ‘dresscode’. Zo zien we beelden van een hedendaagse man in een zwart Northface-trainingspak. Het sobere zwart wordt nu als een ’typisch mannelijke’ outfit gezien, maar Luis Martins ziet ze als een relatief recent verschijnsel, een vervolg op de ‘zakelijke’ mannenmode die na 1800 opkwam. Terwijl het in de 18de eeuw onder aristocratische mannen nog heel normaal was om bijvoorbeeld roze satijnen pakken te dragen; wat nu dan weer níét als mannelijk wordt gezien.
Met de vragende aanpak hoopt Luis Martins een „gesprek” met de bezoekers op gang te brengen over wat bij een man zou passen. „Deze expositie is geen goed-foutverhaal”, zegt hij. Ook de veelbesproken ‘manosphere’, hier in een compilatietievideo met verschillende voorbeelden ervan te zien, wil hij niet als ‘fout’ bestempelen, al is hij het persoonlijk niet met iemand als Andrew Tate eens: „Anders verlies je het publiek dat er betekenis aan geeft – juist die groep wil je aanzetten tot anders denken.” Als tegenwicht heeft hij een hele zaal ingericht rond tranen, waarin de bezoeker wordt uitgenodigd „erover na te denken waarom kwetsbaarheid zo vaak wordt gezien als het tegenovergestelde van mannelijkheid”.
Strenger klinkt het uit het Stedelijk Museum Amsterdam. ‘Voorbij de manosphere’ positioneert zich expliciet tegenover de ideeën die in nieuwe rechtse bewegingen geventileerd worden. Conservator Melanie Bühler (1983) ziet in de huidige tijd „zorgwekkende tendenzen”, waarin Trump en manosphere-influencers „het begrip mannelijkheid proberen op te eisen, terwijl het hen eigenlijk helemaal niet om mannelijkheid per se gaat, maar om het hebben van macht en invloed”. Dit brengt volgens haar niet alleen „de erfenis van het feminisme” in gevaar, maar levert ook een „beperkte blik op mannelijkheid” op.
In Beyond the Manosphere worden hedendaagse en moderne kunstwerken getoond, voor een groot deel uit de collectie van het Stedelijk en het Zwitserse Kunstmuseum St. Gallen. Het criterium, zegt Bühler: wat ze voor „het nu kunnen betekenen”. Zo zijn er schilderijen van de Amsterdamse kunstenaar Melle (1908-1976), bekend van zijn surrealistisch aandoende landschappen met penissen. In de schilderijen ziet Bühler een voorbeeld „van mannelijke seksualiteit die nergens heen kan”. Het werk deed haar aan de hedendaagse ‘incels’ denken, mannen die geen partner noch seksleven hebben, en in online fora „de schuld daarvan bij vrouwen leggen”.
Melle, Tuin met granaatappel, 1975.
Maar met deze stellingname in de actuele discussie wil ook Bühler laten zien dat er „meer aspecten aan mannelijkheid zitten dan alleen waarden als dominantie”, zegt ze. In het Stedelijk is er niet één ideale man; die verandert steeds. Zo vroeg fotograaf Hans Eijkelboom al in de jaren zeventig aan vrouwen wie volgens hen ‘de ideale man’ zou zijn. Hij maakte een serie waarin hij zichzelf als zo’n ideale man heeft verkleed: soms is hij een Brian Ferry-type in wit pak, dan weer een macho in leren jas, al blijft hij wel steeds vriendelijk lachen.
Het verschil tussen beide exposities is duidelijk: het Stedelijk heeft een kritisch uitgangspunt, het Noordbrabants is meer gericht op het ‘gesprek’, maar de overeenkomsten zijn niet te missen. De exposities leggen beide de nadruk op de culturele worteling van heersende mannenbeelden – en stellen daarmee impliciet ook dat opvattingen van mannelijkheid weer kunnen worden veranderd.
Je zou zelfs kunnen zeggen: met deze aanpak lijken beide exposities een soort ’therapeutisch’ doel te willen uitdragen. De kunst dient hier om „bestaande beelden en verwachtingen van mannelijkheid te verbreden”, zegt Roberto Luis Martins; en kunstenaars „durven de ruimte op te zoeken”. Eigenschappen van mannelijkheid zijn „niet alleen negatief”, zegt Bühler, maar ook positief, „ook aantrekkelijk”. Ze wil onderzoeken hoe die eigenschappen een andere vorm kunnen krijgen, „ze een plek geven die productief is, anders dan door iemand te onderdrukken”.
Als tegenwicht laat ze in de tentoonstelling in het Stedelijk „persoonlijke en intieme perspectieven, zoals kwetsbaarheid, tederheid en zorgzaamheid” zien: „Veel werken in de expositie gaan over liefde, geborgenheid en verlangen, zijn teder, verkennend en zoekend.” Zo zijn er schilderijen met paarden erop van de Amerikaanse kunstenaar Sands Murray-Wassink: „De obsessie van de kunstenaar met paarden begon toen zijn grootvader hem als jongen verbood paarden te tekenen – dat was iets wat alleen meisjes deden.”
Ook het Noordbrabants Museum gaat uit van mannelijkheid als een „culturele constructie”, zegt Luis Martins. Sommige beelden van mannelijkheid keren in de geschiedenis weliswaar steeds terug, beïnvloeden ons in het heden, maar de betekenis ervan staat niet vast: zo zijn de ideaalbeelden van de gespierde man, zoals de manosphere die nu uitdraagt, ook al te zien bij beeldhouwwerken in de Griekse oudheid. Maar in deze tijd lag de nadruk „wellicht meer op de harmonieuze anatomie, en vanuit figuren als Andrew Tate als uitdrukking van dominantie”.
Reba Maybury (kunstenaar en domina), Used Man 1974, 2021.
Luis Martins heeft zijn laatste twee zalen ‘Disruptie’ en ‘Bevrijding’ voor een dergelijke „verruiming” ingericht. Daarin gaat het vooral om mannenbeelden voorbij het ‘stoere’ en ‘harde’: variërend van de androgyne verschijning van de overleden popster Prince tot hedendaagse mode-ontwerpers, die de „verzakelijkte” mannenkleding openbreken.
Een hele zaal is er voor de snoepjes etende worstelaars in het videowerk SweetMeat. Instagramaccount Nowness heeft beelden uit SweetMeat laatst gedeeld op sociale media, en kreeg er honderden reacties op, vertelt Luis Martins – variërend van positief tot de afwijzing ‘so gay’. Dit is wat het werk óók kan doen, zegt hij. Het zoekt volgens hem de spanning op tussen macho, hardheid en de zachtheid van het snoepjes van elkaar afnemen, en „roept daarmee het gesprek op wat mannelijk zou kunnen zijn”.
Precies dat wil Luis Martins ook met zijn expositie. Want het eigenlijke probleem voor de man in de hedendaagse cultuur, zegt hij, is dat het begrip mannelijkheid „te klein, te beperkt wordt gehouden”.
Ben ik mannelijk? t/m 14 juni in Het Noordbrabants Museum.Beyond the Manosphere. Masculinities today, 17 april t/m 2 augustus in Stedelijk Museum Amsterdam.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden