Onderwijs In welke regio een kind opgroeit, heeft invloed op de onderwijsloopbaan die het doorloopt, stelt de Onderwijsinspectie. Die regionale verschillen werken door in de positie die iemand later op de arbeidsmarkt heeft. „Nog altijd maakt het uit waar je wieg staat in ons land.”
Leerlingen op een middelbare school in Wageningen.
De Inspectie van het Onderwijs ziet grote verschillen tussen de schoolloopbanen van kinderen die in de Randstad worden geboren en kinderen die in grensregio’s opgroeien. Het gaat om structurele patronen die doorwerken in de kansen die mensen hebben op de arbeidsmarkt. Dat is een van de belangrijkste conclusies die de inspectie trekt uit alle gegevens over het onderwijs die zij heeft verzameld in De Staat van het Onderwijs 2026.
„Deze Staat laat een ongemakkelijke constatering zien waar we ons niet bij neer mogen leggen”, schrijft inspecteur-generaal Alida Oppers in haar voorwoord van het jaarlijkse rapport. „Nog altijd maakt het uit waar je wieg staat in ons land. Dat dit in sociaaleconomische zin een hardnekkig vraagstuk is, is helaas geen nieuws. Maar het vraagstuk kent ook een regionale dimensie. De regio waar een kind opgroeit, bepaalt te vaak welke kansen het krijgt.”
Die regionale verschillen zijn al vroeg in het leven te zien, bij de deelname aan voorschoolse educatie. Op kinderopvanglocaties wordt onder meer de taalontwikkeling van peuters gestimuleerd, zodat zij goed voorbereid aan het basisonderwijs beginnen. Landelijk gezien maakt driekwart van de peuters gebruik van deze voorziening, maar in zeer stedelijke gebieden en landelijke gebieden ligt dat percentage lager. Waar dit door komt, heeft de inspectie niet onderzocht. Mogelijk maken ouders in deze gebieden meer gebruik van informele opvang. Ook kan meespelen dat niet in alle gemeenten een even groot aanbod aan voorschoolse educatie is.
Een ander, al langer bekend verschil, is dat in de Randstad de schooladviezen na de doorstroomtoets in groep 8 van de basisschool vaker worden bijgesteld dan in het noorden en het oosten van het land. In die regio’s komt het vaker voor dat leerlingen vanwege goede toetsresultaten wel in aanmerking komen voor een ander schooladvies dan de school aanvankelijk had gegeven, maar dat die bijstelling niet wordt doorgevoerd. Volgens Oppers, die voorafgaand aan de publicatie van het rapport toelichting gaf aan journalisten, ziet de inspectie zowel „overadvisering”, wat later kan leiden tot ‘afstromen’ in het onderwijs, als „onderadvisering”, afhankelijk van de regio. „Dat zijn twee kanten van dezelfde problematiek”, zei ze.
Deze verschillen in advisering worden niet vanzelf rechtgetrokken in het voortgezet onderwijs. In de derde klas van de middelbare school zitten leerlingen in noordelijke en oostelijke regio’s vaker op het onderste niveau van hun dubbele schooladvies. Als ze bijvoorbeeld havo/vwo-advies hadden gekregen op de basisschool, zitten ze vaker op de havo dan kinderen in de Randstad. Die gaan dan vaker naar het vwo.
De inspectie had bij de persbijeenkomst ook enkele externe deskundigen uitgenodigd om hun licht te laten schijnen op het rapport, onder wie onderwijsadviseur Marcel Klazen. Volgens hem is sprake van regionale cultuurverschillen in het onderwijs. Zijn ervaring is dat ouders in het westen van het land hun kinderen vaker Cito-training laten doen of huiswerkbegeleiding regelen. „In het westen is het een beetje survival of the fittest: proberen eruit te halen wat erin zit. In het noorden is dat heel anders. Daar hoor je uitspraken van ouders als: wij hebben ook gewoon mavo gedaan, dat is ook goed gekomen.” Ook leerkrachten vinden het daar minder vanzelfsprekend om het schooladvies opwaarts bij te stellen als een kind de toets beter heeft gemaakt dan verwacht, zegt hij.
Bij het ‘stapelen’ van diploma’s doen zich eveneens regionale verschillen voor. In de Randstad maken leerlingen vaker gebruik van de mogelijkheid om door te stromen van vmbo naar havo of van havo naar vwo. In de Gooi- en Vechtstreek gaat bijvoorbeeld meer dan 20 procent van de vmbo-(g)t-leerlingen door naar de havo, terwijl dit in delen van Noord-, Oost- en Zuid-Nederland onder de 10 procent ligt.
Na het voortgezet onderwijs blijven deze verschillen zichtbaar. Leerlingen in de Randstad volgen vaker theoretische routes in het onderwijs, terwijl leerlingen in andere delen van het land vaker kiezen voor beroepsgerichte opleidingen. Ook stromen vmbo-leerlingen in de Randstad vaker door naar mbo-niveau 4, terwijl dat in noordelijke en oostelijke regio’s vaker naar mbo-2 of mbo-3 is. Daarnaast komt het in het noorden, noordoosten en zuidwesten relatief vaak voor dat leerlingen na het vwo kiezen voor het hbo in plaats van een universitaire studie.
Inspecteur-generaal Oppers benadrukt dat een ‘hoger’ schoolniveau niet per se ‘beter’ is. „We willen dat talenten van alle leerlingen maximaal benut worden en dat zij op een passende plek terechtkomen. Dat is voor iedereen anders en dat is goed – want we hebben iedereen nodig. Van de vakman tot de wetenschapper.” Maar de route die iemand doorloopt in het onderwijs, is wel van invloed op de latere positie van die persoon op de arbeidsmarkt, benadrukt de inspectie. Leerlingen en studenten die een langere weg hebben afgelegd door het onderwijs, door diploma’s te stapelen, krijgen als ze gaan werken vaker een lager uurloon. Ook hebben ze minder vaak een vaste baan of voltijdbaan.
Het probleem is volgens de inspectie niet zomaar op te lossen, maar verdient wel aandacht. „Bewustwording kan het begin zijn van verandering”, aldus Oppers.
De inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en brengt daarover elk jaar een rapport uit, De Staat van het Onderwijs. Naast de aandacht voor regionale verschillen in onderwijsloopbanen, zijn dit de hoofdpunten uit de editie van 2026:
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen