Max Pam is schrijver en columnist van de Volkskrant.
Sonja Barend, die zaterdag op 86-jarige leeftijd overleed, werd in allerlei herdenkingsprogramma’s en necrologieën uitgeroepen tot een koningin-moeder, een icoon en zelfs tot een legende. Voor haar heiligverklaring leek meer zendtijd en ruimte te zijn ingeruimd dan voor de nederlaag van Viktor Orbán, de oorlog met Iran en het bezoek van het koningspaar aan het Witte Huis.
Over de doden uiteraard niets dan goeds, maar ik heb het iets anders beleefd. De werdegang van Sonja Barend is eigenlijk een mooi voorbeeld van hoe de geschiedenis de appreciatie der dingen kan veranderen – ten gunste, ten ongunste en ook zomaar zonder een echte aanleiding. Sonja Barend is niet altijd een heilige geweest, zeker niet in de linkse kringen waartoe zij zich rekende.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
In 1995 hield het weekblad De Groene een enquête onder een groot aantal tv-recensenten, schrijvers en politici met daarin de vraag: Linda de Mol of Sonja Barend? Behalve Emma Brunt en Jan Mulder koos iedereen voor Linda de Mol, ‘die wel een vakvrouw is’. Jan Blokker betoogde dat Sonja helemaal niet kon interviewen: het was zelfs ‘immoreel’ dat ze iets deed wat zij niet kon. Theo van Gogh vond Linda de Mol ‘tien keer leuker’. Maar ook de links angehauchte Paul Rosenmöller en Anil Ramdas hadden geen goed woord voor Sonja over. Ramdas noemde haar ‘tamelijk vreselijk’. En dan laat ik Henk van der Meijden van De Telegraaf verder buiten beschouwing.
Elf jaar later maakte Frank van Zijl in de Volkskrant opnieuw de balans op, toen Sonja aan een comeback wilde beginnen. Van Zijl voegde nog een aantal vooraanstaande namen toe aan het lijstje Sonja-debunkers. Zo vond Jeroen Brouwers dat Sonja’s manier van interviewen zich afspeelde op ‘klepniveau’. Van al die kritische mannen nam alleen Kees Fens het voor haar op.
Een aantal missers van Sonja staat me inderdaad nog levendig bij. Zo interviewde ze verontwaardigd de filosoof Tonja van Rijthoven, die het had gewaagd op te merken dat een jonge moeder haar baby beter niet meteen naar de crèche kan brengen. Van Rijthoven heeft nog lang last gehad van Sonja’s partijdigheid. De uitreiking van de AKO Literatuurprijs 1994, die bij Sonja uitliep op een totaal fiasco waarbij de stem des volks met cijfers op bordjes de winnaar mocht aanwijzen, behoort tot een van de hilarische dieptepunten van de Nederlandse televisie.
Maar het ergste was toch Sonja op Zaterdag van 12 februari 1994, waarin het vermeende slachtoffer van de Eper incestzaak Yolanda zonder enige tegenspraak uitgebreid aan het woord kwam. Later bleek dat er werkelijk niets klopte van al die satanische rituelen en begraven babylijkjes, maar toen waren de ouders van Yolanda al ten onrechte veroordeeld tot zware straffen.
In het boek De slapende rechter noemen W.A. Wagenaar, H. Israëls en P.J. van Koppen de afhandeling van de Eper incestzaak als een van ernstigste dwalingen in de Nederlandse rechtspraak. Dat Sonja er nooit op terugkwam en er – voor zover ik weet – ook nimmer haar excuses voor heeft aangeboden, beschouw ik als een ernstige faux pas.
Dat alles wil niet zeggen dat ik geen waardering voor haar had. Ik heb een keer met veel genoegen in haar programma gezeten, al ging het over een onzinnig onderwerp: schaken op een rond bord. Een andere keer heb ik een uitnodiging afgeslagen, omdat ik geacht werd kwaad te spreken over Fons van Westerloo. Dat dan weer wel.
Begin deze eeuw wilde het toeval dat ik recht tegenover Sonja kwam te wonen. Een precaire situatie, want in die tijd kwam ook Theo van Gogh regelmatig bij mij over de vloer, tegen wie Sonja allerlei onzinnige processen aan het voeren was, die weer met volstrekt onnodige beledigingen werden beantwoord. Het was dus zaak ervoor te zorgen dat die twee elkaar niet op straat tegen het lijf liepen.
Aan Sonja bewaar ik een zeer warme, maar ook een zeer heftige herinnering. Op een dag werd ik getroffen door een beroerte. Ik raakte verlamd en dacht dat ik doodging. Dat gebeurde niet en ik herstelde. Toen ik mij na een paar maanden voor het eerst weer buiten waagde voor een korte wandeling (met stok) en ik haar huis passeerde, zwaaide de voordeur open. Misschien was het toeval, maar ik werd meteen binnen genood.
Het ging algauw over de oorlog en we bleken verrassend veel gemeen te hebben. Het werd steeds gezelliger en pas na twee uur moest ik maar weer eens gaan. Bij het openen van de buitendeur stond daar plotseling mijn vrouw – volledig ontdaan. Ze zocht me. Ze dacht dat ik was verdwaald en misschien ergens zieltogend in de bosjes lag. De tranen sprongen ons in de ogen.
Helaas verhuisde Sonja niet lang daarna naar een mooi pand aan de andere kant van de stad.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant