IMF-voorjaarsvergadering Het is zeer onzeker hoe de oorlog in het Midden-Oosten gaat uitpakken voor de wereldeconomie, zegt het Internationaal Monetair Fonds in zijn jongste economische ramingen. Het Fonds pleit er voorzichtig voor om de energietransitie te versnellen.
Passanten bij het hoofdkantoor van het IMF in Washington, waar tot en met 18 april de voorjaarsvergadering van het Fonds plaatsvindt.
Tussen economisch dipje en wereldwijde recessie. Tussen kleine opleving van de inflatie en nieuwe inflatiegolf. Tussen relatieve kalmte op de financiële markten en nakende financiële onrust. Ergens daar – binnen deze enorme bandbreedtes – ontwikkelt zich de wereldeconomie, getekend door de schok van de Amerikaans-Israëlische oorlog tegen Iran.
Dat is de nogal onbevredigende, maar ook begrijpelijke boodschap die het Internationaal Monetair Fonds dinsdag gaf in zijn halfjaarlijkse rapport World Economic Outlook. Onbevredigend, want blijkbaar weten zelfs de topeconomen van het IMF óók niet precies hoe deze schok uitpakt voor de wereldwijde economische groei en inflatie. En begrijpelijk in deze extreem onzekere tijd, want wat is een economische raming waard als je niet weet of, bijvoorbeeld, de Straat van Hormuz ooit nog als vanouds bevaarbaar wordt?
Gezien die onzekerheid in de wereld – oorlogen, en bijvoorbeeld ook handelsspanningen – werkt het IMF de laatste tijd met meer scenario’s. In de jongste Outlook, die dinsdag tijdens de IMF-voorjaarsvergadering werd gepresenteerd, zien die er als volgt uit.
In de „referentieprognose” – in feite het IMF-basisscenario – gaat het Fonds ervan uit dat de Iran-oorlog nog een paar weken zal duren en dat de verstoringen van de handel „medio 2026” verdwijnen. Gerekend wordt met een gemiddelde olieprijs dit jaar van 82 dollar (nu: krap 100 dollar). In dat geval is de impact op de wereldeconomie beperkt. Ging het Fonds bij de vorige raming, in januari, nog uit van 3,3 procent groei van het wereldwijde bbp dit jaar, nu wordt dat 3,1 procent. Volgend jaar blijft de groei ongewijzigd op 3,2 procent. Voordat de oorlog uitbrak, zo staat in de Outlook, zag het er juist naar uit dat de groei zou aantrekken, onder meer omdat Amerikaanse invoerheffingen lager uitvielen dan verwacht. Maar de aanval op Iran deed dit effect teniet.
In dit relatief milde basisscenario gaat de inflatie wel duidelijk omhoog, door de rap gestegen olie- en gasprijzen. De mondiale inflatie komt uit op 4,4 procent dit jaar en 3,7 procent volgend jaar, terwijl het IMF in januari nog uitging van 3,8 respectievelijk 3,4 procent.
Tot zover het gunstige scenario. Een „ongunstig” (adverse) scenario is er ook, plus een „zwaar” (severe) scenario. In die scenario’s duurt de oorlog in het Midden-Oosten langer, is de schade aan energie-infrastructuur daar ernstiger en vallen de energieprijzen hoger uit – en blijven ze ook langer hoog.
De mondiale economische groei valt in deze scenario’s terug naar 2,5 procent dit jaar (scenario ‘ongunstig’) of 2 procent (scenario ‘zwaar’), om volgend jaar maar een klein beetje op te veren.
In het zware scenario zit de wereldeconomie „dicht bij” wat het IMF een „wereldwijde recessie” noemt, zo staat in de Outlook. Op nationaal niveau spreek je pas van een recessie wanneer de economie krimpt, maar op wereldniveau beschouwt het IMF groei van onder de 2 procent al als een recessie. Het idee daarachter is: zo’n laag groeipercentage betekent in de praktijk dat de economie in afzonderlijke delen van de wereld krimpt, of minder hard groeit dan de bevolking, waardoor levensstandaarden dalen. Dit gebeurde voor het laatst in 2009, door de wereldwijde financiële crisis, en in 2020, tijdens de coronapandemie, al waren de economische klappen toen veel harder dan het IMF nu in het zwaarste scenario voorziet.
En, welk scenario is het meest waarschijnlijk? Het IMF laat zich daar niet expliciet over uit, maar de toon van de Outlook is pessimistisch: „De risico’s zijn stevig neerwaarts gericht.”
De mondiale ramingen in de Outlook maskeren grote verschillen tussen landen. De oorlog slaat in economische zin vooral neer buiten de westerse wereld, in landen die veel energie importeren of die in het oorlogsgebied liggen. Het sterkst is het effect in Iran zelf (daar keldert het bbp dit jaar met 6,1 procent), in Irak (min 6,8 procent) en in Qatar (min 8,6 procent). De economieën van Koeweit en Bahrein krimpen licht, maar olie-exporteurs met alternatieve leveringsroutes, zoals Saoedi-Arabië, blijven economisch op de been. Al loopt de groei daar wel terug.
Arme en opkomende landen in Azië en Afrika die sterk van geïmporteerde olie en gas afhankelijk zijn, de Filippijnen bijvoorbeeld, of Senegal, zien hun groei drastisch teruglopen, al krimpt de economie niet. In sommige arme landen is de situatie nijpend. „Laten we even denken aan eilandstaten in de Grote Oceaan aan het einde van een lange toeleveringsketen, die zich afvragen of brandstof hen nog bereikt”, zei IMF-voorzitter Kristalina Georgieva vorige week.
Olie-exporterende landen als Nigeria en Brazilië profiteren juist van de hoge olieprijzen, evenals Rusland, waar de bbp-groei dit jaar naar verwachting van het IMF 1,1 procent zal bedragen; 0,3 procentpunt meer dan in de januariraming.
In de landen die de oorlog begonnen, de VS (zelf olie-exporteur) en Israël, blijft de economische groei op peil. Voor de VS is die ruim 2 procent, voor Israël zelfs 3,5 à 4,5 procent. De economische groei in de eurozone komt uit op 1,1 procent in 2026 en 1,2 procent volgend jaar. In januari voorzag het IMF nog 1,3, respectievelijk 1,4 procent groei. Intussen stomen China (4,5 procent groei dit jaar) en India (6,5 procent) in het basisscenario vrijwel ongehinderd door, al is het amper voorstelbaar dat vooral het sterk van olie afhankelijke India ongeschonden door een langdurig Midden-Oosten-conflict komt.
Je zou met al deze onzekerheden bijna vergeten dat ook nog andere kwesties spelen in de wereldeconomie, en specifiek in het mondiale financiële systeem. Bij de vorige IMF-vergadering, in oktober vorig jaar, liet het Fonds een waarschuwing horen: de huidige gigantische investeringen in kunstmatige intelligentie – vooral in de VS – kunnen wel eens minder renderen dan verwacht. Deze waarschuwing herhaalt het Fonds nu: er kan een „abrupte correctie” plaatsvinden op de financiële markten.
Een klassiek IMF-punt is: overheden, let op uw portemonnee. Die boodschap galmt deze week ook weer door de IMF-gangen in Washington. Staatsschulden zijn „over het algemeen veel hoger” dan twintig jaar geleden, zei Georgieva vorige week, en overheden zijn steeds meer geld kwijt aan rentebetalingen op hun schulden. De meeste regeringen hebben amper ruimte om consumenten en bedrijven te compenseren voor de gevolgen van de Iran-oorlog, hoewel dat wel hun politieke reflex is. Duitsland bijvoorbeeld kondigde deze week belastingverlagingen op benzine en diesel aan. Steun moet – veel meer dan tijdens de coronacrisis – niet breed en langdurig zijn, vindt het IMF, maar „scherp gericht” en „tijdelijk”. Regeringen moeten afzien van prijscontroles en exportrestricties op energie, want die verstoren de werking van de wereldwijde energiemarkt alleen maar meer.
Wat moeten centrale banken doen? Aan de energieprijzen zelf kunnen centrale banken niets doen – dat is het pakkie-an van de oorlogvoerende partijen. Maar als de bredere inflatie te zeer oploopt, zoals in de twee donkerste scenario’s, en wanneer burgers en bedrijven hun gedrag daarop gaan aanpassen, ontstaat volgens het IMF een gevaarlijk patroon van oncontroleerbare prijsstijgingen. Dan moeten centrale banken „duidelijk en daadkrachtig” ingrijpen door de rente te verhogen, meent het Fonds.
Een probleem daarbij is dat de onafhankelijke positie van centrale banken dreigt te „eroderen”, zoals het Fonds schrijft. Dat is een nauwelijks verholen verwijzing naar de bemoeienis van de Amerikaanse regering met het monetair beleid van de Federal Reserve – een extra factor van onzekerheid in het mondiale financiële systeem.
Misschien het meest opvallende beleidsadvies dat het IMF gaat over energie en klimaat. Het Fonds staat al een tijdje onder zware druk van de VS, zijn grootste aandeelhouder en land van vestiging, om dit thema weg te laten uit al zijn communicatie. De regering-Trump voert een politieke kruistocht tegen klimaatbeleid, meer specifiek tegen hernieuwbare energie. Maar gezien de impact van de huidige olie- en gasprijsschok op de wereldeconomie, kan het Fonds dit thema toch niet helemaal uit de weg gaan. Immers: door de Iran-oorlog wordt eens te meer zichtbaar hoe vatbaar de wereldeconomie is voor olie-en gasprijsschokken.
In de Outlook staat enigszins omfloerst dat „de invoering van hernieuwbare en energie-efficiënte systemen (…) vele voordelen” oplevert. „Versnelling” van de energietransitie kan die voordelen vergroten en zo de impact van toekomstige energieschokken verkleinen. En passant, staat er, komen ook „de doelen om klimaatverandering te verminderen dichterbij”.
Zo lijkt het erop dat Trump, met zijn Iran-oorlog, ongewild de thema’s hernieuwbare energie en klimaat weer een beetje hoger op de internationale beleidsagenda heeft geplaatst.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen