Home

Een kwart van de vrouwen voelt zich regelmatig onveilig op straat – en mannen voelen zich daar nauwelijks verantwoordelijk voor

Veiligheidsgevoel Uit onderzoek onder duizenden Nederlanders blijkt dat vrouwen tussen de 18 en 34 jaar zich het onveiligst voelen. Mannen zien zichzelf tegelijkertijd zelden als onderdeel van het probleem of de oplossing. En ideeën uit vrouwen-hatende online netwerken – de ‘manosphere’ – vinden „opvallend veel weerklank”.

Deelnemers van een fietstocht tegen geweld tegen vrouwen in Zoeterwoude. Aanleiding van het fietsprotest was de dood van de 17-jarige Lisa uit Abcoude.

Van de Nederlandse vrouwen voelt 25 procent – maar liefst een op de vier – zich regelmatig onveilig op straat. Dat hoge percentage staat in schril contrast met de mate van persoonlijke verantwoordelijkheid die de Nederlandse man daarvoor voelt, namelijk: nauwelijks. Wel verwijt hij ándere mannen dat die vrouwen een onveilig gevoel bezorgen. En meer dan de helft van de mannen vindt daarnaast dat een seksistisch grapje „moet kunnen”.

Dit en meer blijkt uit een dinsdag gepubliceerd rapport van de onafhankelijke denktank HCSS, die duizenden Nederlanders heeft ondervraagd over de vrouwelijke onveiligheidservaring door straatintimidatie, seksistische opmerkingen, seksueel getinte appjes en zelfs fysiek geweld. Onderzoeker Thijs van Aken: „Een vrouw moet naar haar gevoel altijd alert zijn om zichzelf veilig te houden.”

Het maatschappelijke bewustzijn over die onveiligheidservaring is sterk toegenomen nadat de zeventienjarige Lisa uit Abcoude vorig jaar om het leven werd gebracht na een avondje stappen. Kort erna ging de campagne ‘Wij eisen de nacht op’ van start, tegen – zoals de site van de actiegroep vermeldt – „de structurele onveiligheid waar vrouwen dagelijks mee te maken hebben”.

Dat bewustzijn en bijbehorende discussie waren aanleiding voor het onderzoek, zegt Van Aken. „Daarbij hebben we heel breed gekeken naar het onveiligheidsgevoel.” Van (de angst voor) fysiek, seksueel en emotioneel geweld tot het ondergaan van micro-agressie, zoals kleinerende opmerkingen. „Plus de onderliggende maatschappelijke normen”, vertelt Van Aken. Conservatieve opvattingen over de positie van de vrouw dragen mogelijk bij aan ongewenst gedrag en de acceptatie daarvan, legt hij uit.

Seksistische opmerkingen

Vooral jonge vrouwen (18 tot 34 jaar jaar) leven met een gevoel van onveiligheid: ruim een derde voelt zich vaak onveilig in de openbare ruimte en online – anderhalf keer meer dan gemiddeld onder Nederlandse vrouwen. Driekwart van de jonge vrouwen – of meer – voelt zich soms tot vaak onveilig op straat, in de horeca en in het openbaar vervoer, door seksistische opmerkingen, starende blikken en ongevraagde versierpogingen.

Bij het uitgaan nemen veel vrouwen voorzorgsmaatregelen. Drie op de vijf vrouwen laten iemand weten of ze veilig thuis zijn gekomen, of ze kiezen voor een drukkere of beter verlichte route. Ook gaat een deel helemaal niet meer op stap of kleedt zich „minder gewaagd”. Vooral jonge vrouwen blijken op hun qui-vive en kiezen bijvoorbeeld vaker een beter verlichte route dan vrouwen in het algemeen. Een derde van de mannen geeft aan geen voorzorgmaatregelen te nemen om veilig over straat te kunnen, tegenover minder dan één op te tien vrouwen.

Vrouwen met een niet-Europese achtergrond treffen bovengemiddeld vaak voorzorgsmaatregelen. Bijna twee keer zo vaak als andere vrouwen kiezen ze onder meer bewust voor het niet dragen van „gewaagde kleding”. In vergelijking met vrouwen met een Nederlandse of anderszins Europese achtergrond voelen ze zich onveiliger op straat, waar ze bijvoorbeeld vaker worden nagefloten. Deze vrouwen, zo signaleert HCSS, hebben door hun gender en afkomst „een dubbele kwetsbaarheid” in de publieke ruimte.

Het is goed dat dit nu zo duidelijk aan het licht komt, vindt Marie Rosenkrantz Lindegaard, hoogleraar sociologie aan de VU, die veel onderzoek doet naar agressie in de openbare ruimte. „Vrouwen met een migratieachtergrond groeien bovengemiddeld vaak op in kwetsbare buurten en overleven met een streetwise houding, waarbij ze niet willen ‘zeuren’ over onveiligheid”, zegt Lindegaard. „Daardoor bestaat in de wetenschappelijke literatuur ten onrechte het beeld dat onveiligheid vooral een probleem is van witte vrouwen in de (hoge) middenklasse. Dat vrouwen met een migratieachtergrond hun ervaringen in dit onderzoek wel delen, laat zien dat ze ongewenst gedrag niet langer pikken.”

‘Simpelweg andere mannen aanspreken’

Mannen zijn zich wel degelijk bewust van de slechte ervaringen van vrouwen. Zo denkt driekwart dat vrouwen zich regelmatig onveilig voelen op straat. Mannen dragen hiervoor meer verantwoordelijkheid dan wie ook, zo zeggen ze zelf. Tegelijkertijd zien ze zichzelf niet als onderdeel van het probleem óf de oplossing. Slechts een op de acht mannen voelt zich helemaal of grotendeels persoonlijk verantwoordelijk; drie van de vijf mannen vindt dat zichzelf níéts valt te verwijten.

„Hier is mogelijk sprake van diffusion of responsibility”, vermoedt Van Aken, „waarbij de individuele verantwoordelijkheid voor een maatschappelijk probleem verdwijnt.” Terwijl iedere man het onveiligheidsgevoel van vrouwen kan verminderen, volgens Van Aken: „Bijvoorbeeld door andere mannen erop aan te spreken als die een seksistisch opmerking maken.”

Dat soort ‘kleedkamerpraat’, waarbij mannen over vrouwen praten als seksuele objecten, vindt een op de vijf mannen geen probleem. „Normalisering van ongewenst gedrag tegen vrouwen”, noemt Van Aken dit. Dat gaat nogal eens gepaard met victim blaming, waarbij mannen de schuld van ongewenst gedrag bij het slachtoffer leggen. Uitdagend geklede vrouwen moeten niet klagen over manlijke aandacht, vindt 29 procent van de mannen bijvoorbeeld.

Die normalisering is wijdverbreid. Zo vindt meer dan de helft van de mannen dat een seksistisch grapje „moet kunnen”. De tolerantie is wel groter onder mannen met conservatieve opvattingen. Van hen heeft driekwart geen problemen met seksistische grappen.

FVD en PVV

Opvallend is dat jonge mannen (18-45 jaar) het conservatiefst blijken. De gemiddelde man is iets conservatiever dan de gemiddelde vrouw, maar jonge mannen, zo blijkt uit het rapport, hebben beduidend conservatievere standpunten dan hun vrouwelijke generatiegenoten. Behoudende jonge mannen vinden bijvoorbeeld vaker dat vrouwen voor de kinderen en het huishouden moeten zorgen. Bij de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen stemden ze overwegend FVD en PVV, partijen die zich afzetten tegen de ‘feminisering’ van de samenleving.

De groep jonge conservatieven is weliswaar niet heel groot, maar tegelijkertijd is hun gedachtengoed „verre van marginaal”. Ideeën uit extremistische, vrouwen-hatende (online) netwerken – de ‘manosphere’ – vinden „opvallend veel weerklank”. Zo vindt een derde van de ondervraagde mannen dat de maatschappelijke aandacht voor de positie van de vrouw ten koste gaat van de man.

„Er lijkt een polarisatie te bestaan tussen jonge mannen en jonge vrouwen, een grotere afstand. Ik zie de afstand in de leeftijd waarop jongeren voor het eerst seks hebben, die nu aanzienlijk hoger ligt dan bij vroegere generaties”, zegt Lindegaard. „Ik zie dat ook bij mijn tienerdochters, die zich met hun vriendinnen terugtrekken van de jongens.” Jonge vrouwen moeten zich niet terugtrekken, vindt Lindegaard: „Ze moeten terugvechten.”

Want sinds in 2017 de #MeToo-beweging ontstond, is de samenleving volgens Lindegaard ongewenst gedrag aan het herdefiniëren: „Het debat daarover schuurt, dat is een strijd waar vrouwen aan moeten meedoen.”

Daarbij domineren mannen ’s avonds en ’s nachts de openbare ruimte: „Dan is in Amsterdam bijvoorbeeld 70 procent man, zo zien we in nog te publiceren onderzoek. Vrouwen moeten dus vechten voor hun plek, inderdaad de nacht opeisen, zoals in de campagne.”

Migratieachtergrond

De verantwoordelijkheid voor het veilig maken van de openbare ruimte leggen de ondervraagden behalve bij mannen, politie en onderwijs bij migrantengemeenschappen. „Mogelijk doordat in het debat bepaalde maatschappelijke problemen worden toegeschreven aan migranten”, zegt HCSS-onderzoeker Van Aken. Zijn peiling zegt niets over de identiteit van de daders, benadrukt hij: „Wat die wel laat zien, is dat mensen met een migratieachtergrond niet conservatiever zijn dan anderen.”

Richt je dan ook op norm- en gedragsverandering binnen een bredere groep mannen, adviseert HCSS. „In het onderwijs, in de opvoeding, in programma’s”, licht Van Aken toe. „Dat kost natuurlijk tijd, maar het is niet genoeg om te zorgen voor beter verlichte straten – hoe nuttig dat ook is.”

Leg sowieso niet de verantwoordelijkheid bij vrouwen, benadrukt HCSS, door bijvoorbeeld zelfverdedigingscursussen aan te bieden. Die kunnen nuttig blijken, maar maken een vrouw die zo’n maatregel niet neemt onterecht „medeverantwoordelijk voor wat haar overkomt”.

Heel terechte opmerking, vindt Lindegaard, maar toch hebben vrouwen volgens haar wel een belangrijke taak: „Doe je mond open.” Lindegaard heeft veel onderzoek gedaan naar de rol van omstanders bij agressie op straat: „Die laten keer op keer zien dat omstanders te hulp schieten, als ze beseffen dat er iets mis is. Mijn dochters leer ik dan ook om altijd om hulp te vragen. Bel aan bij een huis, loop naar een winkel!”

Zelf heeft Lindegaard ook wel gezwegen over vervelende incidenten: „Dan dacht ik: ik woon in een veilig land, ik moet niet zeiken. Maar nu denk ik: ik moet wel zeiken.”

Over dit artikel Publieksmonitor Maatschappelijke Stabiliteit

Het in april verschenen rapport HCSS Focus: Vrouwelijke onveiligheidservaring, is geschreven door Thijs van Aken, Gerben Bakker en Jesse Kommandeur. Voor het rapport vulden 3.568 deelnemers een vragenlijst in over de (on)veiligheid van vrouwen. HCSS heeft de complete dataset gedeeld met NRC, dat de uitkomsten heeft gecombineerd met onder meer demografische gegevens en de profielen van de respondenten.

Het rapport is een thematische verdieping naast de HCSS Publieksmonitor Maatschappelijke Stabiliteit. Deze publieksmonitor, in opdracht van de Nationale Politie, wordt elk kwartaal gepubliceerd en is gebaseerd op een peiling die samen met KiesKompas wordt uitgevoerd. Respondenten hebben gereageerd op vragen en stellingen over onder meer de landelijke politiek, internationale dreigingen en over hoe ze zelf de wereld bezien. Aan de publieksmonitor deden 4.118 deelnemers mee.

Daarmee vormen beide onderzoeken een representatieve steekproef van de volwassen Nederlandse bevolking. Er is voor de onderzoeken rekening gehouden met een foutmarge en betrouwbaarheidsinterval.

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next