Een historische verkiezingszege van oppositieleider Péter Magyar maakt een einde aan de zestienjarige regeerperiode van Viktor Orbán. Hoe kwam het zover? Vijf sleutelmomenten.
is correspondent Centraal- en Oost-Europa van de Volkskrant. Hij doet verslag vanuit Boedapest
Het contrast tussen de euforie op de straten van Boedapest van zondagnacht en de sfeer van vier jaar geleden kon niet groter zijn. Plukjes mensen stonden destijds bij het stadspark in de hoofdstad, campagneflyers lagen in plassen regenwater. Péter Márki-Zay, de premierskandidaat die door zes verenigde oppositiepartijen naar voren was geschoven, legde zich neer bij de verpletterende verkiezingswinst van Fidesz. Opnieuw won Viktor Orbán een tweederdemeerderheid.
De verenigde oppositiepartijen wilden een vuist maken tegen Fidesz, iets waar ze al die jaren op eigen houtje niet in waren geslaagd. De campagne verliep slecht, er was onderling wantrouwen en ruzie tussen de partijen en als klap op de vuurpijl brak de oorlog in Oekraïne uit. Als zittend premier profiteerde Orbán van de behoefte aan stabiliteit.
Het was een dieptepunt. De oppositie leek ten dode opgeschreven. En Orbán leek machtiger dan ooit.
In februari 2024 vonden massademonstraties plaats naar aanleiding van een van de grootste schandalen in jaren. President Katalin Novák bleek gratie te hebben verleend aan een gevangene die was veroordeeld wegens betrokkenheid bij een kindermisbruikschandaal in een staatsweeshuis. Novák trad af, met in haar kielzog oud-justitieminister Judit Varga. De doofpotaffaire mobiliseerde de Hongaarse samenleving.
Het schandaal was voor sommige Hongaren het definitieve morele failliet van de regering-Orbán. In de naam van ‘kinderbescherming’ tegen ‘lhbti-propaganda’ voerde ze aan de lopende band discriminerende wetgeving door. Nu bleek ze hypocriet, alsook niet in staat de meest kwetsbaren te beschermen.
De Hongaarse economie verkeerde ondertussen in zwaar weer. Er was stagnatie door de pandemie, de oorlog en het bevriezen van Europese fondsen wegens zorgen over corruptie en de uitgeholde rechtsstaat. Het begon pijn te doen. De publieke voorzieningen verkeerden na 14 jaar Orbán in beroerde staat. Dit alles in schril contrast met de buitensporige rijkdom van Orbáns kliek. De woede over corruptie groeide.
Het politieke momentum lag op straat en Péter Magyar pakte het op. Deze insider van Fidesz (en ex-man van Varga) brak met de partij na het schandaal en gaf een geruchtmakend interview over het systeem van Orbán. Miljoenen Hongaren keken ernaar.
Magyar ging de politiek in. Zijn eerste kans diende zich snel aan: de Europese verkiezingen in juni 2024. Hij werd leider van de kleine oppositiepartij Tisza. Met een pick-uptruck reed hij door het land en sprak zijn landgenoten toe op dorpspleinen. Ze luisterden aandachtig. Juist omdat Magyar een voormalige insider is, baarde hij opzien: dit is iemand die weet hoe het systeem functioneert. En misschien ook wel hoe je het moet verslaan. Tisza haalde uit het niets 30 procent van de stemmen. Het was de grootste oppositiewinst in veertien jaar.
Zijn strategie was uit nood geboren: in het door Fidesz gedomineerde medialandschap heb je als oppositiekandidaat geen schijn van kans. Deze grassroots-campagne herhaalde hij de afgelopen twee jaar nog zesmaal.
Ook onafhankelijke media innoveerden constant vanwege het vijandige medialandschap. Met sociale media en YouTube wisten onafhankelijke journalisten steeds meer Hongaren te bereiken. Veelzeggend detail: afgelopen verkiezingsavond vervulde YouTube-kanaal Partizán bijkans de rol van publieke omroep.
Vorig jaar maart, op de nationale feestdag, hield Viktor Orbán een toespraak die schokgolven door het land stuurde. ‘De stinkwantsen hebben de winter overleefd’, sprak hij, de ‘politici, rechters, journalisten, nep-ngo’s en politieke activisten’. Hij riep op tot een ‘voorjaarsschoonmaak’. Drie dagen later werd de Pride verboden, die in juni zou plaatsvinden.
Ondanks het verbod, intimidatie met mogelijke boetes voor deelnemers en camera’s met gezichtsherkennende software, werd het de grootste Pride ooit. Naar schatting 180 duizend mensen betuigden hun steun aan de lhbti-gemeenschap en demonstreerden tegelijkertijd tegen de regering. Voor het eerst in lange tijd leek Orbáns regering een reus op lemen voeten.
Magyar stond aan de zijlijn. Het Pride-verbod was voor hem een politieke val: als hij zijn steun uitsprak voor lhbti’ers, zou Fidesz hem afschilderen als een stadse ‘gay-kandidaat’. Progressieve Hongaren vergaven hem: als hij ze maar van Orbán verloste. Magyars overwinningspeech zondag bevatte een belangrijk detail. Hij zei dat Hongarije een land wordt ‘waar iedereen kan houden van wie ze willen’. Het was de eerste keer dat hij dit zo duidelijk zei.
Tisza steeg in de peilingen. Het vertrouwen in de partij kreeg een eigen dynamiek: naarmate de hoop groeide, wist conservatief Magyar steeds meer proteststemmers van andere politieke kleuren te overtuigen. Ze zien hem als energieke straatvechter die Orbán aankan.
Magyar bleef bij zijn boodschap en koppelde de corruptie onder Orbán aan de armoede en gemiste kansen van het land. Maar hij bood ook hoop, benadrukte de plek van zijn land in de EU en waarschuwde voor Rusland. Het resoneerde meer en meer. Ook in kleinere steden en dorpen, waar hij nog steeds onvermoeibaar doorheen trok.
Dat bleek cruciaal: hij wist het kiesstelsel deze verkiezing naar zijn hand te zetten. Fidesz had niet kunnen bevroeden dat ze buiten de steden verslagen kon worden. Nu heeft Tisza een tweederde meerderheid. De winst was zo overweldigend dat Orbán zich er snel bij neerlegde.
Op feestdag 15 maart, een maand voor de verkiezingen, organiseerde zowel Orbán als Magyar een mars door de hoofdstad. Die van de oppositie trok driemaal zoveel mensen. Ook de atmosfeer van de marsen was anders: die van Orbán was behoudend, zijn boodschap over oorlog en Oekraïne sleets. Bij de oppositie klonk één woord: verandering.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant