Home

Zestig jaar na zijn executie hebben Molukse Nederlanders eindelijk een plek om verzetsheld Soumokil te herdenken

In Vught is zaterdag een monument onthuld voor de Molukse vrijheidsstrijder Chris Soumokil. De inwoners van de Molukse wijk voelen zich vereerd, de droom van een onafhankelijke republiek is hier nog altijd springlevend.

is verslaggever van de Volkskrant en schrijft over asiel, migratie en de multiculturele samenleving.

De voortuin van de familie Sopacua is perfect gesitueerd. Het ligt pal aan het veld waar deze zaterdagmiddag het monument voor de Molukse ‘Vader des Vaderlands’ wordt onthuld, in het hart van het Molukse woonoord Lunetten in Vught, in de straat waar straks honderden motorrijders arriveren.

‘Het is een enorme eer dat het monument voor Soumokil hier komt’, zegt Sammy Sopacua (52), die enkele uren voor het officiële programma begint in zijn voortuin staat. ‘Soumokil’s vrouw wilde dat graag. Dit is de enige Molukse wijk in Nederland die intact is. En Soumokil is geëxecuteerd vanwege de strijd die wij nog altijd voortzetten.’

Na de dekolonisatie sprak Indonesië met Den Haag af dat het een federatie van grotendeels autonome deelstaten zou worden. Kort daarna verbrak de regering van Soekarno die belofte en stichtte een eenheidsstaat. Zuid-Molukkers legden zich daar niet bij neer en riepen in 1950 de Republik Maluku Selatan (RMS) uit. Chris Soumokil werd president en leidde de onafhankelijkheidsoorlog tot hij gevangen werd genomen. In 1966 is hij geëxecuteerd door een vuurpeloton.

De droom van een onafhankelijk RMS is nog altijd springlevend en Soumokil is ook voor jonge Molukse Nederlanders een held. Muzikant Johnny Manuhutu van rockband Massada nam daarom het initiatief voor een monument. Dat deed hij in samenspraak met weduwe Njonja Soumokil (93), die het metershoge werk aan het eind van de middag zal onthullen.

Op het veld mengt de zoete geur van kreteksigaretten zich met die van gefrituurde loempia’s en gebakken banaan. Molukse vlaggen, RMS-hoodies en -trappelzakjes vinden in de kraampjes gretig aftrek. De tante van Sopacua, de 78-jarige Julia Huliselan, helpt de nasi-en-bamistand bestieren. ‘We hebben drie dagen in de keuken gestaan’, vertelt ze.

Huliselan kwam in 1951 naar Nederland, net als 12.500 andere Molukkers: KNIL-militairen die aan Nederlandse zijde hadden gevochten in de onafhankelijkheidsoorlog, met hun gezinnen. Drieduizend van hen belandden in Kamp Vught, dat eerder als concentratiekamp had gediend. ‘We sliepen op strooien bedden met luizen en vlooien’, zegt Huliselan, die in het kamp opgroeide. ‘Tussen de ratten en muizen.’

Toen Soumokil de onafhankelijkheidsstrijd op de Molukken begon, zaten veel Molukse KNIL-militairen nog in kazernes in andere delen van Indonesië. Soekarno wilde niet dat deze goed getrainde mannen aan de strijd zouden deelnemen en verbood hen naar huis te gaan. Den Haag haalde hen naar Nederland en ging ervan uit dat ze snel terug zouden kunnen.

De soms zwaar getraumatiseerde militairen werden na aankomst uit het leger ontslagen, mochten hier niet werken en hadden ook geen recht op pensioen. Terugkeer bleek onmogelijk. Indonesië zat niet te wachten op wat zij als landverraders beschouwden. Nederland liet ze aan hun lot over en sprak Indonesië ook niet aan op de gebroken belofte van autonome deelstaten. ‘Ze zijn afgedankt’, zegt Sopacua. ‘Ik ben derde generatie, maar die pijn zit er nog.’

‘De eerste generatie is gestorven zonder dat de Nederlandse regering excuses heeft gemaakt of hun pijn heeft erkend’, zegt Huliselan. Ze schudt het hoofd. ‘Veel Nederlanders kennen nog altijd onze geschiedenis niet. Ze denken dat we arbeidsmigranten waren.’

Woonoord Lunetten is het enige Molukse kamp dat behouden is gebleven. Andere kampen en wijken zijn gedwongen opgegaan in woningcorporaties, in Vught is een felle strijd gevoerd om dat te voorkomen. ‘Ze stuurden de ME op ons af’, aldus Sopacua. De barakken hebben plaats gemaakt voor huizen met kozijnen in vrolijke kleuren.

‘Het is belangrijk om de Molukse geschiedenis aan de volgende generatie door te geven’, zegt Sopacua’s vrouw Linda (49) terwijl ze op hun 14-jarige zoon wijst. Die zit op zijn fatbike in de tuin, met naast hem een blonde vriend, ook op een fatbike. Ze hebben hun telefoons in de aanslag om te gaan filmen, in de verte klinken de motoren al.

Het is de jaarlijkse Peringatan Ride Out, een motortocht om geld op te halen voor politieke gevangenen op de Molukken. Want de Indonesische regering treedt hard op tegen Molukkers die zich uitspreken voor onafhankelijkheid. Hier wappert de Molukse vlag aan de gevels, in Indonesië staat gevangenisstraf op het tonen ervan. ‘Er is daar geen democratie’, schreeuwt Sopacua over het oorverdovende geronk van de vele motoren heen.

Diezelfde herrie leidt even later tot enige vertraging in het programma. ‘De ceremonie gaat pas van start als er stilte is’, zegt ceremoniemeester Rocky Tuhuteru meermaals door de microfoon. Tot overmaat van ramp daalt even later een stortregen neer op sprekers, dansers, muzikanten en publiek. Doorweekte kinderen staan te rillen in de plotseling koude wind.

Weduwe Njonja Soumokil laat zich niet uit het veld slaan. Al zestig jaar vraagt ze de Indonesische regering wat ze met de stoffelijke resten van haar man hebben gedaan. Ze heeft nooit antwoord gekregen. Nu er een plek is waar ze hem kan gedenken, laat ze het moment niet verpesten door herrie of regen.

Langzaam schuifelt de tengere vrouw naar voren. Als ze het zwarte doek wegtrekt, klinkt er een langgerekt ‘oooh’ uit het publiek. Njonja kijkt tevreden in het gezicht van haar man, door kunstenaar Bart Belonje in goudkleurig kunststof vereeuwigd. Op de achterwand staan Soumokil’s laatste woorden: ‘Dat mijn dood een zegen mag zijn voor mijn volk.’

Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next