Home

‘Heated Rivalry’ is geen baken van homo-emancipatie, maar een naïeve heterofantasie

Sorry, progressieve mensen: het bejubelen van de hitsige hitserie Heated Rivalry en het toejuichen van onze eerste homoseksuele premier is geen emancipatie. Het is een symptoom van de homofobie die nog altijd heerst in ‘gidsland’ Nederland, betoogt Jesse van Amelsvoort.

Luister, Nederland, want we zijn gered! Rob Jetten zit in het Torentje. Na die grijze, pensioengerechtigde ambtenaar een frisse, jonge gast. Een homo ook nog. Soms zijn Nederlanders beschamend arrogant, schreef Rutger Bregman op LinkedIn, maar op de dag dat het kabinet-Jetten aantrad, was hij trots om Nederlander te zijn. We waren een gidsland voor de rest van de wereld.

Ik bekijk op Wikipedia het lemma ‘List of openly LGBTQ state leaders’ en begrijp dat er sinds de IJslandse Jóhanna Sigurðardóttir in 2009 aantrad nog acht homoseksuele of lesbische premiers en presidenten waren voordat Jetten de sleutel van het Torentje ontving.

Snel, vergeten!

Over de auteur
Jesse van Amelsvoort is docent moderne Europese letterkunde aan de UvA. Hij promoveerde op Europese minderheidsliteratuur.

Nederland, gidsland: de zalvende gedachte dat Nederland het juiste doet, licht progressief, net voor de internationale troepen uit. In koloniale tijden stak de gedachte al de kop op dat ‘wij’ het beter, ethischer, deden dan de andere Europese imperialistische machten. Inzake seksualiteit en homo-emancipatie begon ergens halverwege de jaren negentig de wind ons naar de voorhoede van de geschiedenis te duwen. Het homohuwelijk was op komst, in Amsterdam voeren elk jaar kleurrijke boten door de grachten tijdens de Canal Parade: kijk eens hoe goed we het doen!

Dus, Rob Jetten – the second coming of… ja, wat eigenlijk?

Beducht voor ontmaskeringen

Met Jetten kwam ook Nicolás Keenan, zijn Argentijnse verloofde, hockeyspeler, klant in dezelfde Haagse Albert Heijn waar onze premier zijn boodschappen doet.

Aan homoblad Winq vertelde de kersverse first partner dat ook hij keek naar Heated Rivalry, de hitserie over ijshockeyspelers in de kast, die onlangs zo mogelijk een nog een grotere progressieve jubelstemming ontketende dan het premierschap van zijn vriend. De stomende serie deed Keenan denken aan de begindagen van hun relatie. Het geheime en het stiekeme daarvan, tegenover de normatieve heteroseksualiteit van de hockeywereld.

Jettens partner herkende zich niet in de bonkige hoofdrolspelers, maar spiegelde zich aan het B-plotje rondom een New Yorkse ijshockeyspeler en een barista met de droom te promoveren in de kunstgeschiedenis: de ene koopt een smoothie bij de tweede, ze kijken elkaar stiekem aan en de kijker weet dat de vonk is overgesprongen. De gay eyes zijn voorzichtig, altijd beducht voor ontmaskeringen, maar voor ingewijden makkelijk te herkennen.

De aflevering die rond deze Scott Hunter en Kip Grady draait, is een verademing na de hitsige platheid van de eerste afleveringen. Kip werkt zich drie slagen in de rondte om een eventuele studie te betalen en valt al snel voor Scott, maar moet zijn relatie tegelijkertijd geheimhouden – de ijshockeywereld is homofoob, zo begrijpen we. Ook Kips vrienden en zijn vader mogen nergens van afweten: wat als iemand zijn of haar mond voorbijpraat?

Toegegeven, dit conflict is eeuwenoud en te eenvoudig opgezet, maar er is in elk geval sprake van conflict: twee personages die bij elkaar willen zijn, terwijl de angsten van de een ervoor zorgen dat ze allebei zichzelf verloochenen.

De twee afleveringen daarvoor, en de afleveringen daarna, draaien om de Japans-Canadese ijshockeyer Shane Hollander (Hudson Williams), en de Russische Ilya Rozanov (Connor Storrie), wonend en werkend in Boston. Rivalen op het ijs, ze grommen en ze brommen, commentatoren speculeren opzichtig over wie de betere speler is; maar ze hoeven elkaar maar één keer aan te kijken om de avond erop in bed te belanden. De show vliegt door de tijd om hun geheime hook-ups te volgen tot ze elkaar, ergens gedurende de vierde aflevering, tijdens de seks met hun voornaam aanspreken en Hollander, nee, Shane, in paniek de kamer uitrent. Ze zien elkaar twee jaar niet.

Op sociale media betuigen fans volop hun liefde voor de personages. Alles is zo herkenbaar: de façade die Ilya heeft opgetuigd, Shanes worsteling met zijn homoseksualiteit, zijn autistische onhandigheden, hoe Ilya breekt als hij beseft dat Shane er onvoorwaardelijk voor hem wil zijn. Hun gedrag wordt tot op de milliseconde geïnterpreteerd en begrepen, hun uiterlijk bezongen. Mooie mannen, acteurs Williams en Storrie – als je van gespierd houdt.

Vrouwen, lees ik in verschillende artikelen, onder meer in de Volkskrant en NRC, vinden de intimiteit tussen twee gelijken een verademing. Seks zonder machtsverschil, zonder krachtshiërarchie. Waarbij Ilya wel altijd Shane penetreert, overigens, schijnbaar zonder glijmiddel of condoom.

NRC citeert journalist en schrijver Haroon Ali over het positieve van Heated Rivalry: ‘Het gaat niet over een jongen die eenzaam in de kast zit en depressief door de gangen van zijn middelbare school wandelt.’

Dat klopt: Shane wandelt namelijk door de gangen van luxueuze hotels.

Veronderstelde ruimdenkendheid

Dat Heated Rivalry het laatste toonbeeld van onze zelfgenoegzame acceptatie van homoseksualiteit is geworden, bedwelmt me. Deze tevredenheid suggereert dat die veronderstelde ruimdenkendheid geen nadere inspectie meer nodig heeft. Kijk maar, we nemen de homo’s wel serieus; ze zijn mooi, hun liefde is schattig, kon ze maar sneller bloeien! (Ach, wat zijn ze zielig, die Ilya en Shane.)

Maar representatie van homo’s op tv is niet per definitie goed, het doet er ook toe op wélke manier ze in beeld worden gebracht. Als we serieus zijn over hun emancipatie, noem het gaymancipation, dan moeten we kritisch kijken naar de rollen die we toebedelen aan homoseksuele personages. Representatie kan homofobie en vooroordelen soms namelijk juist verbloemen.

En dan is er geen recente serie die onze maatschappelijke homofobie beter blootlegt dan Heated Rivalry. Niet alleen qua thematiek, maar ook in de ontvangst en het soort homoman dat de serie bevolkt.

Natuurlijk, de serie gáát over twee jongens die voor elkaar vallen, maar die door een gebrek aan steun en voorbeelden niet uit de kast durven te komen. Heated Rivalry gaat, zij het zijdelings, over de moeilijkheden die homo’s nog altijd ondervinden om zichzelf te zijn: in het repressieve Rusland, waar Ilya’s familie woont, maar ook in het zogenaamd verlichte Canada.

Maar de manier waarop homoseksualiteit en de relaties tussen de verschillende personages worden voorgesteld, is weinig confronterend voor ‘de’ maatschappij. Het is homoseksualiteit zoals die bestaat in de heteroseksuele blik.

In 1980 betoogde de Amerikaanse feminist en schrijver Adrienne Rich in een vurig essay dat heteroseksualiteit niet langer de onzichtbare standaard zou moeten zijn. Haar betoog zou ruim twintig jaar later het nieuwe begrip ‘homonormativiteit’ voeden: door homo’s geïnternaliseerde heteronormativiteit. Een begrip bedoeld om kritiek te leveren op het soort homoman dat wordt gesteund en gezien, omdat hij zich aanpast of niet al te veel afwijkt van de heteroseksuele norm. Homoseksualiteit – en queerness in bredere zin – komt in vele vormen, waarvan sommige minder en sommige meer opvallen, maar de homo-emancipatie van de laatste dertig, veertig jaar heeft vooral die homo’s geholpen die perfect in het sociale plaatje passen, die niet ‘opvallen’.

Mannelijk, keurig in pak: je zou bijna denken dat ze hetero zijn.

Zo bekeken is Heated Rivalry door en door homonormatief. Het is een door de heteroseksuele blik gestructureerde fantasie van hoe homo’s met elkaar omgaan, waarin Shane en Ilya maar tevreden moeten zijn met de beperkte ruimte die ze uiteindelijk tot hun beschikking hebben. Nergens in de serie schuurt het opgeroepen beeld van queerness. Nergens wordt het de heteroseksuele kijker echt moeilijk gemaakt doordat er bijvoorbeeld diepere vragen worden opgeroepen over de plaats die homoseksuele mannen innemen in een door hetero’s vormgegeven wereld.

In Heated Rivalry betekent seks penetratie, de een actief en de ander passief, de een d’r op en de ander d’r onder, de een top en de ander bottom. Alsof seks niets anders kan zijn, en alsof de homogemeenschap tijdens de aidscrisis niet anders heeft geleerd te vrijen.

Atleten en een barista hebben lichamen als goden – tenminste, zoals Hollywood voorschrijft dat die eruitzien – en ook alle andere personages zijn slank, mooi en conventioneel masculien. Alsof de bodypositivitybeweging nooit heeft plaatsgevonden.

Seksualiteit is lange tijd zo ongeveer het enige deel van Shane en Ilya’s persoonlijkheid. Heated Rivalry is zo geïnteresseerd in hun naakte schoonheid dat er in de eerste afleveringen bijna geen ruimte is om hen als personages uit te werken. Voor Scott en Kip is dat anders, die zijn al net zo gespierd en ontdaan van lichaamsvet als de twee leads, maar voeren ten minste gesprekken; en vanaf aflevering vijf – van de zes, mind you – laat Heated Rivalry ook meer ruimte voor het uitwerken van de emotionele band tussen Shane en Ilya.

Heated Rivalry werkt toe naar het moment dat Ilya en Shane uit de kast komen – eigenlijk: dat ze daartoe gedwongen worden omdat Shanes vader ze ziet zoenen. Daar zijn ze, ‘lovers’ volgens Ilya, ‘boyfriends’, wachtend op de goedkeuring van de heteroseksuele buitenwereld. De kast is slechts te verlaten door een van de aangereikte labels te omarmen. Zolang de queer in de kast zit, lijdt deze in schaamte; daarbuiten moet diens identiteit onmiddellijk te begrijpen zijn voor hetero’s.

Zo verkoopt Heated Rivalry de geile, geheime, ja, schaamtevolle lust van de eerste afleveringen als de kiem van een diepe en langdurige, monogame liefde. In de heteroseksuele blik gaat homoseksualiteit blijkbaar over neuken, neuken en ongelukkig smachten omdat de kastdeur klemt en niet open kan – totdat Ilya en Shane worden gedwongen eruit te stappen.

Dit is niet queer, dit is heteroseksualiteit tussen twee mannen.

Het feestje waard?

Als ik Heated Rivalry kijk, bekruipt me bovendien de benauwende gedachte dat we dit allemaal al eens hebben gezien. De serie vertelt niets dat we nog niet kennen, omdat dit verhaal over een coming-out en jezelf zijn als jonge queer al zo vaak is verteld, omdat we het zelf hebben geleefd. Overal groeien jonge queers op in culturen en omgevingen die niets ophebben met afwijkingen van de heteroseksualiteit.

Het besef ‘anders te zijn’ creëert voor velen van ons afstand tot onze ouders, broers en zussen en vrienden. Anders zijn werkt vervreemdend. Daarom zijn literatuur, film en tv zo belangrijk voor queers: dat is waar ze zich ophouden, die gelijkgestemden.

Ik wil niks afdoen aan het feit dat Heated Rivalry ruimte heeft gecreëerd voor atleten op allerlei niveaus en in allerlei sporten om het gesprek over hun seksuele oriëntatie aan te gaan, dat Shane als Asian-Canadian een belangrijke symbolische functie heeft, of dat de ingetogen representatie van zijn autisme ertoe doet.

Waar het om gaat is dat we anno 2026 zaken als vooruitgang, emancipatie en acceptatie vieren zonder ons een moment af te vragen of ze het feestje wel waard zijn.

Dankbaar zijn dat een homo premier van Nederland is geworden en dat Heated Rivalry hockeyers in staat stelt over hun (homo)seksualiteit te praten, sluit niet uit dat we ook boos, teleurgesteld en ongelukkig zijn dat die mogelijkheid nu pas ontstaat. Alleen: krijgt die boosheid wel ruimte, of wordt zij verdrongen door deze jubelstemming?

We zeggen dat dingen beter worden – en ‘we’, dat is misschien Nederland, of queerorganisaties, links, het Westen, zij die hopen dat the arc of history bends towards justice – maar waarom laten de verhalen dat dan niet zien?

Waar komt die stilstand vandaan? Waarom heet Nederland nog steeds een gidsland, als negen landen al eerder een lhbti-premier hadden? Waarom kijken we naar mooie mannen die worstelen met hun seksualiteit, zoals we al zo vaak hebben gezien? Elke generatie moet voor zichzelf ontdekken wat oudere generaties al weten, natuurlijk. Maar moeten we er zo euforisch over doen?

Herkenbaar,
wellicht zelfs voorspelbaar

In een week lees ik de debuutromans van Splinter Chabot (Confettiregen), Stijn de Vries (Als de zon valt) en Harmen van Liemt (Lentekind). Boeken die lof toegezwaaid hebben gekregen, die veelvuldig over de toonbank zijn gegaan – ruim 10.000 voor De Vries, terwijl een trotse sticker op Confettiregen meldt: ‘65.000 exemplaren verkocht!’

Chabot, De Vries en Van Liemt nemen hun lezers eerst mee naar de jeugd van hun hoofdpersonages en daarna naar de middelbare school, het begin van een studietijd. Klassieke coming-of-ageromans, over jongens die ontdekken dat ze op jongens vallen en dat moeten accepteren in werelden die meer of minder tolerant zijn. ‘Homo’ is bij alle drie een scheldwoord, de jongens pochen met hun verzonnen seksuele avonturen, er wordt stiekem homoporno gekeken. Seksualiteit ontluikt, een eerste echte verliefdheid, een geheime ontmoeting met een man. Pas na de middelbare school ontstaat er ruimte om de eigen homoseksualiteit serieus te verkennen. Uitgaan, waarbij openlijk homoseksuelen hun handen over billen en buiken laten gaan.

De drie boeken direct achter elkaar lezen is een verwarrende ervaring. Omdat de plots zo op elkaar lijken, zijn de romans al snel niet meer goed van elkaar te onderscheiden.

Dat valt de auteurs niet aan te rekenen: blijkbaar is dit, in de verlichte 21ste eeuw, hoe het leven van jonge homo’s eruitziet. De verhaalstructuur is herkenbaar, wellicht zelfs voorspelbaar. Maar als we werkelijk zo geëmancipeerd en vooruitstrevend zijn, zouden er dan geen nieuwe verhalen ontstaan, zouden jonge queers dan niet anders opgroeien?

Het succes van romans als Confettiregen, Als de zon valt en Lentekind maakt pijnlijk de kloof voelbaar tussen droom en daad, tussen wens en werkelijkheid die het queer zijn in Nederland bepaalt. Hoog van de toren geblazen idealen stuiten in deze boeken op de realiteit. Of het nu Chabots Amsterdam is, De Vries’ Twente of Van Liemts Wilp, of de mensen om ons heen nu grachtengordelelite zijn, boeren of vrijzinnig, overal worstelen jonge queers met hun seksualiteit. Overal stuiten ze op belemmeringen om zichzelf te zijn.

Nog steeds.

Dat deze boeken zo warm worden verwelkomd, is vanuit dat perspectief stuitend: hun bestaan ontmaskert juist de jubelstemming rondom de positie van lhbti’ers in Nederland als gidslanderitis. Wat bejubelen we als dit soort romans nog steeds moet worden geschreven, en nog steeds een accuraat beeld geeft van hoe jonge homo’s opgroeien in dit land? Als jonge homo’s uit allerlei milieus zich zo anders voelen dan de anderen? Waarin zijn we dan leidend, behalve de neiging te denken dat we leidend zijn?

Homoseksuele premier

Ach, maar die Rob Jetten, dat is toch belangrijke vooruitgang? Onze eerste homoseksuele premier! En nog een knappe ook.

De eerste sinds 1869, in ieder geval: daarvoor bestond het hele begrip ‘homoseksualiteit’ niet, noch onze moderne omgang met seksualiteit en identiteit. Wie weet welke gevoelens Gerrit Schimmelpenninck of Thorbecke aan verloren gegaan papier toevertrouwden.

En de eerste openlijke, in ieder geval. Wie weet welke gevoelens Drees of Cort van der Linden onderdrukten. Of, inderdaad, Mark Rutte, jarenlang lijdend voorwerp van homofobe speculaties.

Terwijl goedlinkse mensen zich druk maakten om wie de eerste vrouwelijke premier van Nederland zou worden, verscheen daar rond de laatste verkiezingen ineens het roze D66. Natuurlijk zou deze partij de eerste niet-heteroman leveren voor het hoogste politieke ambt van het land. En natuurlijk zou deze figuur de ideale schoonzoon zijn.

Het is toch zo fijn, zeggen sommigen, lees: Rutger Bregman, dat Jettens seksualiteit helemaal geen onderdeel in de campagne was. Misschien daar niet, maar dat het daarbuiten wel een onderwerp is, blijkt wel uit al het dolle gekir uit progressieve kelen. Wat is het toch fijn voor alle lhbti’ers, dat een van ons het hoogste politieke ambt in het land bekleedt.

Tegelijkertijd blijkt niemand in staat te zijn precies te beschrijven waarom dit feit er überhaupt toe zou doen. Doet een homoseksuele premier zijn werk anders, of wie weet zelfs beter, dan een heteroseksuele? Is er met zijn intrek in het Torentje een historisch onrecht rechtgezet? Niks van dien aard.

Er is geen politiek inhoudelijke reden te geven waarom de seksualiteit van een minister-president ertoe doet. We vieren premier Jetten omdat representatie ertoe doet: kijk eens, zeggen al die progressieve mensen in feite, moet je eens zien hoe ver je kunt komen in Nederland, zélfs als je anders dan de anderen bent!

De Nederlandse politiek blinkt uit in het vertegenwoordigen van groepen en deelbelangen, van boeren, ongehoorden, gereformeerden en kosmopolieten tot mensen van kleur. Nederlandse identiteitspolitiek: ook dat is representatie.

Premier Jetten is om eenzelfde reden belangrijk: hij belichaamt de keurige liberale trots over onze zogenaamd verdraagzame identiteit.

Pim Fortuyn, de flamboyante, transgressieve homo die ruim twintig jaar geleden bijna premier geworden was, had diezelfde rol niet kunnen spelen. Het contrast tussen hem en Jetten is tekenend voor de ruimte die homo’s wellicht verloren zijn: Jetten komt technocratisch over, gecureerd, weinig aanstootgevend. Een homonormatieve homoseksueel, perfect te verstouwen voor hetero’s. Gemodelleerd naar de maatschappelijke normen.

Homoseksueel, niet queer: geassimileerd, geen uitdaging voor de gevestigde orde. Is er tegenwoordig iets anders denkbaar dan een voorbeeldig binnen de lijntjes kleurende ‘roze’ premier?

Protest

Ach, Nederland, zijn jullie er nog? Is dit allemaal te zuur? Denk maar zo: over een paar maanden is het weer tijd voor de Pride Parade in Amsterdam, al die kleurrijke mensen op leuke bootjes op de Prinsengracht. Dit jaar is het zelfs WorldPride, u bent er maar beter snel bij, want de hele wereld komt naar het land dat in 2001 als eerste het huwelijk openstelde voor stellen van gelijk geslacht. Pride is een feestje!

Dat Pride ook een protest kan zijn, weten mensen misschien nog net, maar wie maalt erom? Wie, behalve queers, bezoekt de protesten? Wie, behalve de queers, verzet zich tegen de status quo? Wie, behalve de queers en hun allies, maakt zich boos? Wie loopt mee in de Pride March, en wie staat alleen maar naar al die blije en mooie mensen op de boten in de Prinsengracht te kijken?

Is er een land waar droom en werkelijkheid zo ver uit elkaar liggen? Wanneer pakken we de homofobie die overal nog door de straten raast nu eens bij de horens?

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next