Met Camera lucida schreef Roland Barthes een intelligente, eclectische verhandeling over fotografie – en probeerde hij tegelijkertijd de dood van zijn moeder te verwerken.
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Op 25 februari 1980 liep Roland Barthes, toen en nu nog steeds een van de geliefdste Franse filosofen, over de rue des Écoles, precies tussen het Panthéon en de Notre-Dame in.
Barthes kwam bij een lunch vol culturele bobo’s vandaan, georganiseerd door de latere minister van Cultuur Jack Lang. Het jaar erop zouden de presidentsverkiezingen zijn en Lang wilde dat zijn partijleider, de socialist François Mitterrand, vaak en fotogeniek omringd zou worden door de culturele elite. Als blijk van populariteit.
O, hoe de tijden veranderen.
Mitterand was fan van Barthes’ Mythologieën, een inmiddels iconische bundel essays waarin hij niet alleen de culturele betekenis van romans duidde, maar ook die van wasmiddel, van worstelen en van steak frites.
Na de lunch liep Barthes terug naar zijn werk, had door een dubbelgeparkeerde auto slecht zicht op het verkeer, en stak de straat over.
Dit is zo’n typisch weetje geworden: hoe stierf de grote Franse filosoof Roland Barthes? Aangereden door een busje van de stomerij.
Maar dit weetje is tegelijk een mysterie, beschreef Tiphaine Samoyault in zijn voor de Prix Goncourt genomineerde Barthes-biografie (2015). Want Barthes was niet dood, hij was niet eens zwaargewond. Met breuken en kneuzingen werd hij naar het ziekenhuis gebracht, hij kwam bij bewustzijn, en ontving nog dagen allerlei vrienden en collega’s.
Maar wat zij zagen was niet een man die opknapte, ze zagen een man die zich erbij had neergelegd. Zijn moeder was twee jaar daarvoor overleden; iedereen zag haar als zijn grote liefde. Sinds haar dood sprak en schreef hij nergens anders over.
Het was alsof hij had opgegeven, dachten vrienden. Hij liet zichzelf wegglijden, hij dwong zichzelf te sterven. Toen hij daadwerkelijk overleed, een maand later, noemden de artsen het ongeluk niet eens als doodsoorzaak.
Zijn laatste boek was Camera lucida, dat nu in een kraakheldere vertaling van Jeanne Holierhoek is verschenen. Het is op een kleine 130 pagina’s een slim, rijk, eclectisch en fascinerend boek. Het is mooi uitgegeven met scherpe foto’s waarbij Barthes uitlegt wat een foto zijn lading geeft.
De reden dat Barthes over fotografie schreef was zijn gestorven moeder. Hij beschrijft dat hij haar appartement opruimde en hoe hij door haar albums bladerde.
Met de term ‘camera lucida’ bedoelt hij de tegenstrijdige feitelijkheid van een foto. Het afgebeelde levert zich volledig uit, schrijft Barthes, het is ‘onbetwistbaar, omdat ik alle gelegenheid heb haar intens te observeren’. Maar: ‘Ik mag observeren zolang ik wil, al dat kijken leert me niets.’
Een foto laat zien dat iets heeft plaatsgevonden, maar zegt niks over de context. Hij ziet foto’s waarop hij zijn moeder ‘herkent’, maar niet ‘hervindt’, omdat ze nooit in haar volledigheid verschijnt.
Dit is het frustrerende: ‘Omdat de Fotografie het bestaan van een bepaalde persoon authenticeert, wil ik die persoon hervinden in zijn volledigheid.’ Maar dat staat de ‘platheid’ van de foto niet toe. Hoe meer hij haar foto bekijkt, hoe meer hij haar mist.
De onvolmaaktheid van het medium – een foto ziet, maar weet niks – stuwt Barthes’ fascinerende verbeelding. Barthes zou Barthes niet zijn als hij niet een eigen terminologie verzint. Of een foto bij hem mentaal aankomt noemt hij ‘het avontuur’. Hij spreekt van een ‘punctum’; als het ware het gepunctueerde van de foto. Dat is, interessant genoeg, niet per definitie het onderwerp van een foto.
‘Het avontuur’ van de foto van koningin Victoria op een paard wordt voor hem niet bepaald door de koningin of door het paard, maar door de man in een kilt die het paard vasthoudt. Daar ligt voor Barthes het punctum, omdat de man het enige onbekende is.
Zo kan een punctum dus in feite buiten beeld plaatsvinden. Ziedaar het verschil tussen porno en erotiek. Een pornografische foto heeft wat hem betreft geen punctum; alles is bekend. Maar een goede erotische foto suggereert iets wat (net) niet te zien is, en zo leidt het punctum ons ‘buiten-beeld’ naar onszelf, naar onze eigen fantasie.
Uiteindelijk is het zijn fantasie die foto’s voor hem zo pijnlijk maken. Onze kennis vult de foto aan, waardoor een foto op twee momenten in de tijd bestaat. We zien iemand die leeft, maar in werkelijkheid al overleden is. Je ziet iemand die nog moet sterven. De emotie die daarbij past is medelijden, denkt hij.
Hier manifesteert zich de rouw, of het liefdesverdriet, om zijn moeder. Bladerend door haar albums komt hij zo nu en dan ‘de totale foto’ tegen: een foto van zijn moeder die haar helemaal vangt zoals hij haar herinnert, en daardoor ‘een ongehoorde verstrengeling’ bewerkstelligt van de historische realiteit (Dat is geweest) en de actuele waarheid (Zo is ze!).
‘Terwijl de foto me het absolute verleden van de pose toont, vertelt ze me van de dood in de toekomst.’ Andere mensen zouden zeggen: gelukkig hebben we de foto’s nog. Barthes zou zeggen: medelijden, afgrijzen, waanzin.
Het is maar goed dat Barthes de ‘AI-revolutie’ niet heeft hoeven meemaken.
Roland Barthes: Camera lucida – Aantekeningen over de fotografie. Uit het Frans vertaald door Jeanne Holierhoek. Ad. Donker; 128 pagina’s; € 20,95.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant