is columnist van de Volkskrant en werkt als adviseur voor overheden en maatschappelijke organisaties.
Karlijn Roex huilt en schreeuwt weleens in het openbaar doordat ze overprikkeld is. Daar is al meermaals de politie bij gehaald. Ze staat te boek als een verward persoon.
Het is geen kunst om je in te leven in iemand die toch al op je lijkt. Het is pas een prestatie wanneer iemand écht anders is dan jij. En zogenoemde verwarde personen kunnen bij uitstek je empathie op de proef stellen.
Roex zei van de week in een prachtig interview met NRC: ‘Ik denk dat we afwijkend gedrag te snel als onveilig zien.’ Dat neem ik van haar aan. Maar ik besef dat ik dat makkelijker aanneem omdat zij niet alleen iemand is die soms met een paniekaanval de aandacht trekt. Ze is óók een gepromoveerde socioloog en auteur van een kritisch boek over de aanpak van ‘verward’ gedrag.
Pas de volgende keer dat ik iemand op straat zie schreeuwen stelt mijn empathie iets voor. Die situatie zal empathische wijsheid vergen.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
De term heb ik van neurowetenschapper Christian Keysers, die er een pleidooi voor hield in de Volkskrant. Volgens Keysers moet je ‘weten wanneer je empathie nodig hebt en wanneer je die wat moet terugschroeven’.
Zo klinkt het alsof je er controle over hebt. Dat blijkt ook uit het onderzoek dat Keysers en zijn collega (en echtgenote) Valeria Gazzola doen aan het Nederlands Herseninstituut. Jaren geleden deden zij een baanbrekende ontdekking door de hersenactiviteit te onderzoeken van tbs’ers die hoog scoren op psychopathie. De verwachting was dat die bij het kijken van filmpjes geen empathie zouden voelen.
Eerst leek het daar ook op. Maar nadat de onderzoekers hun simpelweg hadden gevraagd om zich in te leven, werd de hersenactiviteit hetzelfde als bij andere mensen. Empathie is dus iets dat we allemaal hebben. De mate waarin kunnen we tot op zekere hoogte regelen.
Dat lijkt logisch. Denk aan de dokter die zich genoeg in een doodzieke patiënt moet inleven om goede zorg te verlenen, maar weinig waard is als hij snikkend naast die patiënt ineenzijgt.
Het is niet louter goed nieuws dat we onze empathie kunnen sturen. De extreemrechtse terrorist Anders Breivik, die in 2011 op een sociaaldemocratisch jeugdkamp in Noorwegen 69 mensen vermoordde, vertelde later dat hij met meditatie gevoelens had uitgeschakeld die hem bij zijn daad in de weg hadden kunnen zitten.
Geen wonder dat Gazzola en Keysers inmiddels onderzoeken hoe empathie vaker kan worden ingezet als rem op menselijke agressie.
In een empathische samenleving hoeft de politie meestal niets met verwarde personen, zegt socioloog Roex. Die hebben eerder een luisterend oor of een kop thee nodig. Of niets.
Bij mij maakten beide verhalen de gedachte los dat empathie te weinig wordt gezien als serieus beleidsonderwerp. Terwijl álles hierom draait, van de zorg tot aan onze nationale veiligheid.
Want ook dat we ons meer inleven in mensen die op ons lijken, is terug te zien in onze hersenen. Gazzola wijst erop dat die verschillen tijdens oorlogen groter worden. Mensen gaan ineens empathie voelen voor iedereen die aan hun kant lijkt te staan. Tegelijk verdwijnt de empathie voor iedereen aan de andere kant, ‘zelfs als dat eerder vrienden waren’. Een overlevingsmechanisme met rampzalige gevolgen.
Hoe doorbreken we dat? Ik ben de laatste tijd best veel in kringen waar wordt geprobeerd om binnenlands de ‘maatschappelijke onrust’ te verminderen en naar buiten toe ‘weerbaarder’ te worden, maar ik maak weinig gesprekken mee die expliciet gaan over het prikkelen van empathie. En dat lijkt bitter noodzakelijk.
Binnenlands kun je iets. Gelijkwaardige, persoonlijke ontmoetingen vergroten waarschijnlijk empathie, zeker als aan mensen wordt gevraagd om samen te werken aan gedeelde doelen. Dit is iets dat we veel meer kunnen stimuleren.
In verhouding tot de buitenwereld is het lastiger. Niet alleen door de afstand, maar ook doordat je niet naïef wilt zijn over je vijand. De eigen groep móét alert zijn over Poetin, Xi of Trump. En toch niet alle Russen, Chinezen of Amerikanen haten, want ooit kunnen we hopelijk met ze verder.
Misschien kunnen we oefenen op Hongarije, waar de autocraat Orbán eindelijk de verkiezingen lijkt te gaan verliezen. Marietta van der Tol, onderzoeker in Cambridge, deed in NRC deze oproep: ‘Laat aan de Hongaren zien dat Europa er wél voor hen is. Orbán heeft de Hongaren zestien jaar verteld dat Europa de vijand is en haalde de banden aan met Vladimir Poetin en Donald Trump. Europa moet nu bewijzen dat het niet alleen de Oekraïners bijstaat, maar ook de Hongaren helpt om uit de politieke fuik van Poetin te komen.’
Persoonlijke ontmoetingen met Hongaren zijn lastiger te organiseren. Hun perspectief tonen kan een beetje helpen. Nicolaas Veul heeft een mooi tv-programma gemaakt waarin we verschillende Hongaren horen over hun noden en behoeften, die in de kern niet van de onze verschillen. Moet iedereen zien.
Maar dan komt de vraag wie er wordt bereikt met zo’n empathisch VPRO-programma. De publieke ruimte hebben we uitbesteed aan bedrijven waarvan de algoritmen ons elke dag inprenten bij welke groep wij horen en vooral ook wie daar niet bij hoort. Het andere perspectief bestaat daar alleen om belachelijk te maken, om te vrezen of om er woedend over te worden.
Wie slaagt erin om onze empathie het sterkst te beïnvloeden en in welke richting? Het is een gevecht, het grootste gevecht van deze tijd.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant