Home

Die andere keer dat Luis Suárez zijn hart volgde

In de rubriek VI Tijdmachine brengen we met regelmaat nieuwe verhalen over toen, en elke dag van het weekeinde herplaatsen we een artikelen uit ons rijke archief. Deze keer gaan we naar augustus 2022 toen Luis Suárez de verleidelijke blik van zijn thuisland Uruguay niet kon weerstaan. Destijds wilde hij via Nacional uit Montevideo naar het WK in Qatar, nu overweegt hij een terugkeer in de nationale ploeg richting het WK in Amerika, Canada en Mexico.

Alsof hij voor Unicef een bezoek bracht aan een sloppenwijk, zo begint het verhaal dat we speciaal uit ons VI-archief hebben opgeduikeld. Omringd door betonrot, onbeschilderde muren en golfplaten-daken zette Luis Suárez doodkalm, met zijn petje achterstevoren op het hoofd, koers richting een deur die werd bewaakt door een rijzig gestalte met lange paardenstaart. Binnen in de bouwval waren op het plastic bankje de shirts al netjes klaargelegd, op volgorde van de rugnummers. De eeuwige topscorer van het Uruguayaanse nationale elftal ging zitten en kleedde zich om.

Deze beelden van het onderkomen en de gastenkleedkamer van het Liverpool van Montevideo hebben heel wat stof doen opwaaien op de sociale media. In het stadion van dat andere Liverpool zijn de toiletruimtes vaak nog groter. In wat voor competitie was Luis Suárez in hemelsnaam terechtgekomen?

Volgens de cijferaars van Transfermarkt is de totale marktwaarde van de zestien spelersselecties van het Campeonato Uruguayo zo’n 150 miljoen euro. Dat is bijna 750 miljoen minder dan de Eredivisie vertegenwoordigt en valt al helemaal in het niet bij de laatste twee competities waarin hij zo succesvol was: de Premier League (9,25 miljard) en La Liga (4,9 miljard). De Noorse en Cypriotische league zijn ongeveer van dezelfde grootte. Het is volledig onvoorstelbaar dat Suárez daar op zijn 35ste en met een WK op komst een balletje was gaan trappen.

Op de zondag dat Suárez met Nacional aartsvijand Peñarol ontvangt in het Estádio Gran Parque Central – dat overigens wel van een andere orde is dan het Estádio Belvedere van Liverpool of, ja, het kan nóg erger, het Parque Capurro van Fénix – proberen we in het hoofd te kruipen van de man die zo vaak voor loco is versleten. En komen we erachter dat het misschien helemaal niet zo gek is dat Lucho de lokroep van thuis heeft beantwoord.

1+1=AMSTERDAM, TOCH?

Toen ook Sébastien Haller nog vertrok en Ajax zo in één zomer van drie naar nul spitsen ging – Danilo was naar Feyenoord verkast en Brian Brobbey voorlopig weer terug naar Leipzig – was het voor menig voetbalvolger in Nederland een simpele rekensom. In Amsterdam was dringend behoefte aan een scorende centrumaanvaller en de voormalige publiekslieveling in De Arena zat na het aflopen van zijn contract bij Atlético Madrid zonder club. Ofwel: 1+1=Luis Suárez naar Amsterdam. Toch?

Al die mooie woorden over zijn drieënhalf jaar als speler van Ajax zaten bovendien nog vers in het geheugen.

‘Ik ga sowieso terug, ook als de trainer me niet wil’, zei hij gedurende zijn periode bij Liverpool bijvoorbeeld in Helden Magazine. ‘Zeker weten. Ajax is voor mij een heel belangrijke stap geweest in mijn leven. Ten eerste zijn mijn vrouw Sofia en ik gek op Amsterdam en de manier van leven, het respect van en voor iedereen. We hadden een gelukkig leven, konden er heel rustig wonen en we wandelden veel door Amsterdam. Ik was ook echt geroerd bij het afscheid, ik voelde oprechte genegenheid. Ik was blij met de supporters en zij met mij. Daarom denk ik dat ik ooit weer bij Ajax zal spelen. Omdat ik het wil.’

Later kwam hij met Barcelona op bezoek in De Arena en beloofde hij niet te juichen als hij zou scoren in de onderlinge Champions League-ontmoeting. ‘Uit respect voor de fans van Ajax’, zei hij tijdens een drukbezochte persconferentie. ‘Ik heb hier een geweldige tijd gehad. Iedereen weet dat ik ze ontzettend dankbaar ben dat ik hier ooit heb mogen voetballen. En de mensen zijn zo ongelooflijk aardig geweest.’ Waarna hij opnieuw die belofte deed: ‘Ik zal de mogelijkheid aangrijpen om ooit terug te keren, als die zich echt voordoet.’

Daarom ook dat heel veel Ajax-fans het al voor zich zagen: Luisito terug in dat witte shirt met rode baan...

Zoals rond iedere speler van zijn statuur die op een bepaald moment transfervrij is, wemelde het deze zomer van de geruchten over geïnteresseerde clubs. Hij sprak uit het liefst in Europa te blijven, maar niet voor een middenmoter of nog erger te zullen tekenen. De naam Juventus viel regelmatig in de internationale media als zijn nieuwe bestemming, Aston Villa zou een optie zijn geweest, een aantal clubs in Turkije, ergens in België zouden ze hem graag zien komen, DC United zou hem naar de MLS willen halen, enzovoort, enzovoort. Maar Ajax werd zo vaak genoemd dat Alfred Schreuder besloot geheel tegen zijn gewoonte in wel een keer in te gaan op een gerucht. ‘Bij Ajax zijn we met iets bezig, maar over hem heb ik nooit iets gehoord. Het is niet aan de orde.’

Pakweg vijf weken later kwam Luis Suárez toch thuis.

LETTERLIJK EN FIGUURLIJK STERVEN

Het is 5 maart 1918 als een schaduw Estádio Gran Parque Central binnenglijdt. Montevideo slaapt, maar Abdón Porte is klaarwakker. De aanvoerder van Nacional zit gevangen in een trance. Eduardo Galeano, een van de grootste auteurs van Zuid-Amerika, beschreef het noodlot dat zich dan voltrekt. ‘Midden op het veld waar hij zo geliefd was geweest, schoot hij om middernacht een kogel door zijn hart. Alle lichten waren uit. Niemand heeft het schot gehoord. De volgende ochtend werd hij gevonden. In zijn ene hand hield hij de revolver, in de andere een brief.’

Heel het land was in rouw, Uruguay had El Indio verloren. De sympathieke indiaan, zoon van een armzalig keuterboertje uit Libertad, had zich zo knap omhoog geknokt tot volksheld. Een maand later zou hij zijn grote liefde trouwen. Toch kon zijn ploeggenoot en trouwe vriend Lucas Scapinachis hem wel begrijpen. ‘Waarom pleegde hij zelfmoord? Omdat in zijn hart het diepe verlangen brandde om voor eeuwig het Tricolor van Nacional te dragen. Toen zijn benen – zo gewend aan victorie – hem in de steek begonnen te laten, hij stilaan zijn plek in het team kwijtraakte en het onverbiddelijke einde als voetballer naderde, besloot hij dat het leven dan niets meer waard was.’

'Nacional is een gevoel dat gelijk is aan de geboorte van mijn kinderen'

Voetbal, clubliefde; het is een serieuze zaak in Uruguay. Een eeuw later is dat niet anders. ‘Nacional is een gevoel dat gelijk is aan de geboorte van mijn kinderen’, zei Sebastián Abreu een aantal jaar geleden bijvoorbeeld nog. Toen het VI-bezoek daar enige Zuid-Amerikaanse overdrijving in dacht te bespeuren en er dus een beetje om begon te gniffelen, bleef de Uruguayaanse spits hem met stalen blik aankijken. ‘Gedurende negentig minuten vecht ik me dood voor het shirt dat ik draag’, sprak de voetbalnomade die uiteindelijk 32 clubs in elf verschillende landen diende. ‘De rest van de dag, van het jaar, van mijn leven ben ik van Nacional, het raamwerk van mijn leven.’

En Abreu staat daar lang niet alleen in.

Uruguay telt aardig wat clubs – de familie, de parrilla (een bbq maar dan net even anders) en het voetbal vormen er nu eenmaal de heilige drie-eenheid – maar het land is feitelijk verdeeld in tweeën. Het geel-zwart van Peñarol (pis y caca volgens de Nacional-supporters) en het rood-wit-blauw van de aartsrivaal. De tegenpolen hebben elkaar ook internationaal tot grote hoogte gestuwd. Peñarol won vijf keer de Copa Libertadores en drie keer de Wereldbeker, Nacional heeft drie Zuid-Amerikaanse kampioenschappen mogen vieren en tilde ook drie keer de Wereldbeker de lucht in. De laatste keer, in 1988, na een overwinning na strafschoppen op het PSV van Ronald Koeman, Søren Lerby en Romário.

In 2009 stelde de International Federation of Football History and Statistics (IFFHS) voor ieder continent een ranglijst samen van de best presterende clubs van de twintigste eeuw. Peñarol staat daar op nummer één, gevolgd door het Argentijnse Independiente en (daar heel kort achter) Nacional.

En dat voor een land dat niet meer dan 3,4 miljoen zielen telt.

Minstens zo opmerkelijk zijn de prestaties van La Celeste, de enige reden dat alle Uruguayanen even hun clubliefde opzijzetten en écht één worden. De nationale vertegenwoordigers in dat immer magnifieke, hemelsblauwe shirt van het land dat ligt ingeklemd tussen twee voetbalgrootmachten, werden even vaak wereldkampioen als Argentinië (3-2) en wonnen veel vaker de Copa América dan Brazilië (15-9).

'Hij was zo boos dat hij de scheidsrechter een kopstoot gaf! Die man bloedde als een rund en had een gebroken neus. Suárez was toen vijftien jaar…'

Dat kan alleen maar als je echt wilt sterven voor je land, voor je club, zal elke Uruguayaan beamen. Zoals Luis Suárez in zekere zin deed door die bal uit het eigen doel te slaan.

Op 2 juli 2010 stond het 1-1 in de kwartfinale van het WK in Zuid-Afrika toen Ghana een enorme druk ontwikkelde op de goal van Uruguay, en Dominic Adiyiah in de laatste seconden van de verlenging de trekker overhaalde. De jeugdige invaller kopte de bal over keeper Fernando Muslera en over Jorge Fucile, die met zijn 1 meter 77 net niet hoog genoeg reikte om met het hoofd nog redding te kunnen brengen... Gans Ghana, gans Afrika voelde het hart een keer overslaan; kon het zich dan ein-de-lijk opmaken voor de allereerste Afrikaanse halvefinalist op een mondiale eindronde... Toen Luis Suárez met een katachtige reflex alsnog de 2-1 voorkwam.

De prijs die hij moest betalen, rood en dus sowieso geen halve finale op het WK, was hoog. Huilend liep de aanvaller van het veld. De beelden van wat er vervolgens gebeurde, zijn in Uruguay legendarisch.

Als de Ghanese uitblinker Asamoah Gyan aanlegt voor de strafschop, houdt Suárez vlak voor de spelerstunnel halt, verschuilt zijn hoofd in zijn shirt, durft nauwelijks te kijken. Dan: gejuich in het Soccer City-stadion van Johannesburg, in het kleine hemelsblauwe gedeelte. Via de lat gaat de bal over en balt Suárez zijn vuisten en schreeuwt hij het uit van vreugde. Als zijn vriend Abreu niet veel later de Ghanezen definitief op de knieën dwingt door de beslissende penalty binnen te schieten, is de man die zonder aarzeling bereid was te sterven voor zijn land voorgoed onsterfelijk in Uruguay.

VERDWAALD IN HET LEVEN

‘Wij dachten: Wat gebeurt hier?!’ Daniel Enríquez maakte in zijn jaren als technisch verantwoordelijke talloze talenten mee bij Nacional, zoals Diego Lugano, Sebastián Coates en ex-Ajacied Nicolás Lodeiro, maar dit had hij nooit eerder gezien. Luis Suárez volgde al een jaar of twee de opleiding van El Tricolor toen hij bij een achterstand rood kreeg. Ziedend stormde hij op de scheidsrechter af, om zijn hoofd als een katapult naar achter te bewegen en dat vervolgens met hoge snelheid recht in het gezicht van de verbouwereerde arbiter neer te laten komen.

‘Hij was zo boos dat hij de scheidsrechter een kopstoot gaf!’, was Enríquez vele jaren later nog altijd beduusd. ‘Die man bloedde als een rund en had een gebroken neus. Suárez was toen vijftien jaar… We hebben hem zwaar gestraft en limieten gesteld. Zo kon het niet langer. Een kind dat een volwassene aanvalt. Het waren enorme toestanden, daar ging ons imago.’

'De meeste clubs plukken een jongen van de straat en doen er verder niks mee. Nou, dan had Luis het niet gered'

‘We hebben Suárez psychologisch moeten helpen’, legde Enríquez uit. ‘De meeste clubs plukken een jongen van de straat en doen er verder niks mee. Nou, dan had Luis het niet gered.’

De spits die allergisch is voor nederlagen werd op 24 januari 1987 geboren in Salto. Een stadje van zo’n honderdduizend inwoners in het hoge noorden van Uruguay, dat 21 dagen later ook ene Edinson Cavani zou voortbrengen. Hij was een van de zeven kinderen van Rodolfo Suárez, een militair, en Sandra Díaz. Omdat het leven daar nogal uitzichtloos was, trokken ze naar Montevideo. Zoals de hoofdstad voor velen de weg uit de armoede moest bieden. Inmiddels woont bijna de helft van de gehele Uruguayaanse bevolking daar waar het azuurblauw van de Atlantische Oceaan zich vermengt met het zandbruine water dat uit de Rio de la Plata stroomt.

Luisito was zeven, maar voor hem werd het bestaan niet dragelijker in Montevideo. Integendeel. Vader Rodolfo verliet het leger en werd portier. Dat ging nog minder goed samen met zijn verslaving: pa was alcoholist en verliet twee jaar later definitief het gezin. Ook de huidige 143-voudig international van Uruguay (69 goals) moest vol aan de bak om het hoofd boven water te houden. ‘Ik heb altijd te eten gehad’, vertelde Luis Suárez er eens over. ‘Maar ik schaam me er niet voor om te zeggen dat ik als elf-, twaalfjarige al samen met mijn opa auto’s ging wassen om wat geld te verdienen voor ons allemaal.’

Hij schaamt zich er ook niet voor om toe te geven dat hij moeite had op het rechte spoor te blijven. Zelfs nadat hij door Nacional was opgenomen in de fameuze jeugdopleiding, viel er nogal wat op zijn gedrag aan te merken. ‘Ik gedroeg me destijds niet goed’, zei hij er zelf eens over. Het liep zelfs zo de spuigaten uit dat serieus werd overwogen hem definitief terug naar huis te sturen. Zodat de club uit de aanpalende barrio waarnaar elke jongen uit La Blanqueada, de wijk waar Suárez woonde, zo vurig verlangde, voorgoed onbereikbaar zou zijn.

Enríquez, die hem dus jarenlang van dichtbij meemaakte: ‘Hij wilde nooit serieus trainen. Er was geen land met hem te bezeilen. We moesten vaak bellen om te zeggen: Verslaap je niet. Doe geen domme dingen. En hij was dus erg emotioneel als hij werd gewisseld of niet scoorde.’

DE ONBEGREPENE BEGREPEN

En toen kwam, uitgerekend in het nachtleven waarin Luis Suárez zich steeds meer verloor, zijn redding. Vijftien was de wildebras toen hij de twee jaar jongere Sofía Balbi voor het eerst in de ogen keek en alles veranderde. ‘Zij heeft mij geholpen op het juiste pad te geraken en dat te blijven volgen. Zij liet me zien dat ik geen ezel was. Zij moedigde me aan mijn huiswerk te maken. Ook door te zetten als ik eens geen zin had. En dat was vaak het geval.’

Niet alleen het pubermeisje van toen zal hij voor eeuwig dankbaar zijn. Ook haar familie, die welgesteld was vanwege de bankiersfunctie van vader Balbi maar het straatschoffie tot diens eigen verbazing al snel volledig accepteerde. ‘Het was heel makkelijk voor haar ouders geweest om mij te weigeren’, vertelde Suárez erover in zijn biografie. ‘Als mijn dochter dertien is en ze brengt een vijftien jaar oud vriendje mee naar huis die eruitziet als iemand die het allemaal niet zo op orde heeft, dan zou het heel goed kunnen dat ik niet zo aardig voor hem zou zijn. Maar zij accepteerden me niet alleen, ze leken me ook nog echt aardig te vinden...’

'Ik was die jongen van Montevideo die niet eens geld had voor een busreis naar Solymar, maar ik vond altijd een manier om er toch te komen'

‘Wanneer Sofi’s vader naar zijn werk was, hielp ik haar moeder met allerlei klusjes in en rond het huis, zoals het ontluchten van de boiler. Soms hadden Sofi en ik ruzie, en nam haar moeder het voor míj op. Als ik er nu aan terugdenk, vermoed ik dat ze zagen hoeveel moeite ik deed om Sofi zo vaak ik kon te zien.’ Hij legde uit wat hij daarmee bedoelde: ‘Ik was die jongen van Montevideo die niet eens geld had voor een busreis naar Solymar (een voorstadje aan zee, red.), maar ik vond altijd een manier om er toch te komen. Ze wisten ook wel dat ik (die ruim twintig kilometer) zou lopen als het moest. Er waren dagen dat ik het geld had om erheen te gaan, maar niet om ook nog terug te kunnen met de bus. Dan ging ik in alle vroegte liftend naar huis. Ik moest natuurlijk wel op tijd zijn om te trainen bij Nacional.’

Toen hij zestien was, stortte zijn wereld in. Vader Balbi kreeg een nieuwe functie in Barcelona en het hele gezin verhuisde de Atlantische Oceaan over. Ineens waren ze gescheiden, Lucho en Sofi. Het kostte uiteraard heel veel moeite om de lange-afstandsrelatie in stand te houden. Het is een belangrijke reden dat Suárez zijn geliefde club Nacional al na 27 competitiewedstrijden en 10 goals verliet voor FC Groningen. Een club waarvan hij nooit eerder had gehoord. De spits die na zijn ontmoeting met Sofi ineens steeds meer begon te overtuigen en scoren, moest op zijn PlayStation opzoeken wat voor shirt dat Groningen droeg en welke spelers er speelden. Hij wist wel dat het Europa was. Daar waar zijn Sofi woonde.

Met haar aan zijn zijde begon het zestienjarige tijdperk dat Suárez zo veel successen bracht. In 2011 won hij met Uruguay de Copa América, toch is 2015 hét sportieve hoogtepunt, toen hij als speerpunt van MSN, misschien wel de beste aanval van dit millennium, zowel de Champions League won (één goal Suárez in de finale tegen Juventus) als de Wereldbeker voor clubs (twee goals in de eindstrijd tegen River Plate). Mede dankzij haar, heeft hij al ontelbare keren herhaald. ‘Sofi betekent alles voor me. Zij betekent de start van mijn carrière, zij betekent de gang naar het buitenland, de cultuurveranderingen. Zij was er altijd, in slechte en in goede tijden.’

Slechte tijden waren er namelijk ook nog steeds. En dan hebben we het niet alleen over de uitschakeling tegen Oranje in de halve finale in Zuid-Afrika, toen hij hulpeloos vanaf de zijlijn moest toekijken.

De maniertjes, de valpartijen en daarna nog dat doorrollen, gillend van de pijn; het heeft Luis Suárez bakken aan kritiek opgeleverd. Evenals de racisme-beschuldiging van Patrice Evra. En die keren dat hij met dezelfde gretigheid als een piranha zijn tanden in achtereenvolgens Otman Bakkal, Branko Ivanovic en Giorgio Chiellini zette. Vooral na die laatste daad kreeg hij ervanlangs. Suárez werd uit het WK 2014 gekieperd, voor lange tijd geschorst en internationaal aan de schandpaal genageld.

Maar bij zijn eigen vrouw, zijn familie, zijn land kon hij ook na zulke onbegrijpelijke daden op begrip rekenen. Op onvoorwaardelijke steun. Ja, hij kan soms een enorme klootzak zijn, maar het is wel ónze klootzak, zoiets. Zelfs de president nam het voor hem toen hij in die zomer van 2014 met gebogen hoofd terugkeerde naar Uruguay. Die beleidsbepalers van de FIFA zijn een stelletje hijos de puta, mompelde die voor zich uit toen hij op het vliegveld Suárez stond op te wachten. ‘Dit is geen normale straf, dit is een fascistische streek.’ José Mujica, Pepe voor vrienden, en daar rekent hij eigenlijk al zijn landgenoten toe, zat als vrijheidsstrijder jarenlang opgesloten in een gat in de grond, leidde zijn land vanuit een rechtse dictatuur naar legalisatie van homohuwelijk, abortus en marihuana, maar maakte zich vooral druk als het over voetbal gaat. Zeker als de nationale oogappel het te verduren kreeg.

Niet veel later was er voor het eerst weer een glimlach op het gezicht van Suárez te ontdekken. Zijn plan was om even onder te duiken bij zijn moeder, in haar huis op zo’n veertig kilometer van Montevideo. Zodat de eerste stormen konden overwaaien. Maar al snel merkte hij dat het steeds drukker werd rond de woning. Dat steeds meer mensen begonnen te roepen dat hij een held was, hun held. Toen hij met zijn dochter Delfina (anagram van Anfield) en zoon Benjamin op het balkon verscheen, klonk er zelfs een luid applaus. Dankbaar zwaaide Luis Suárez terug. De voetbalcrimineel die wereldwijd werd uitgekotst, werd door zijn landgenoten weer omhoog geholpen en omhelsd.

HET HART IS GROTER DAN HET HOOFD

Daar stond hij dan, acht jaar na de horrorzomer, opnieuw met zijn kinderen om zich heen (inmiddels ook met de in 2018 geboren Lauti) in het middelpunt van de belangstelling. Om precies te zijn: op de middenstip van een volgestroomd Estádio Gran Parque Central. Terwijl er niet eens een wedstrijd was van Nacional. Nee, niets meer dan zijn verschijning was de hoofdattractie van een uren durende show.

Het begon al op vliegveld Carrasco. Duizenden Uruguayanen hadden zich daar verzameld om in het spoor van hun held de twintig kilometer lange rit naar het Nacional-stadion te maken. Onder meer dwars door La Blanqueada, waar Luis Suárez ooit zo had geworsteld om boven te komen. Zijn arm deed inmiddels al pijn van het zwaaien, maar de kinderen konden er maar geen genoeg van krijgen. Het stadion dat vanwege de Tribuna José María Delgado een beetje aan La Bombonera van Boca Juniors doet denken, begon weer spontaan te trillen op zijn stokoude grondvesten toen een van zijn kersverse ploegmakkers naar voren werd geroepen door presentator Sebastián Abreu.

Suárez dacht terug aan de vele uren van twijfel die vooraf waren gegaan aan de keuze voor Nacional. Met River Plate was hij al heel ver, totdat de overgang alsnog afketste door de voortijdige uitschakeling van de Argentijnse topclub in de Copa Libertadores. ‘De transfer gaat niet door’, had hij daarna moeten uitleggen, ‘aangezien ik juist graag een Zuid-Amerikaanse beker wilde winnen.’ Maar als hij heel eerlijk is, was het verlangen om thuis te komen toen al voorzichtig beginnen te smeulen.

Kort na zijn afscheid na twee jaar Atlético Madrid was het nog een volstrekte utopie geweest dat Luis Suárez terug zou keren naar Nacional. Een overstap van een van de rijkste competities op aarde naar een van de armere? En dat met het WK, de laatste keer dat hij nog echt zou kunnen schitteren in het hemelsblauw, in het vooruitzicht? Nee joh. Hij had er niet eens over nagedacht, toen hij op Twitter ineens de hashtag #SuárezANacional zag voorbijkomen. Hij kon er wel om lachen.

'Mijn kinderen keken naar de telefoon, zagen de video die de fans van Nacional hadden gemaakt en vertelden mij: "We willen naar Uruguay"'

Nu kwam ploegmakker Emmanuel Gigliotti naar hem toe. De 35-jarige, eenmalig Argentijns international die onder meer uitkwam voor Boca Juniors, had een Nacional-shirt in zijn hand. Zijn Nacional-shirt met zijn nummer 9 erop. Maar na de entree van Luis Suárez was het ook voor Gigliotti ogenblikkelijk duidelijk. Met een blik vol respect en welhaast een buiging van nederigheid overhandigde de Argentijnse routinier het shirt aan de man die in Uruguay alles en iedereen overstijgt. Het komende half jaar, want voor zo lang heeft Suárez getekend, is niet Gigliotti maar de legendarische El Pistolero de nummer 9 van Nacional. Suárez trok het shirt gretig aan. Opnieuw barstte Gran Parque Central bijna uit zijn voegen.

De supporters op de tribunes mochten zichzelf op de borst kloppen, zij hadden het vuurtje in Suárez aangestoken. Door hen was hij serieus gaan overwegen toch de stap te wagen. De hashtag #SuárezANacional werd namelijk massaal overgenomen. Geen Uruguayaan kon er na verloop van tijd meer omheen, ook de Suárezjes niet, die zoveel liefde en genegenheid amper nog konden weerstaan.

‘Met mijn hoofd wilde ik in Europa blijven’, had de hoofdkostwinnaar van het gezin erover gezegd, maar zijn hart is nu eenmaal groter. ‘Toen Nacional kwam, begon ik te overleggen met mijn vrouw, kinderen, familie. Ik heb alles zorgvuldig op een weegschaaltje gelegd.’

Zijn kinderen hadden uiteindelijk de doorslag gegeven. ‘Zij keken naar de telefoon, zagen de video die de fans van Nacional hadden gemaakt en vertelden mij: “We willen naar Uruguay”. Mijn oudste zoon zei: “Ik wil graag spelen waar jij speelde”. En ons meisje zei: “Ik zou graag eens in Uruguay willen wonen”. Mijn vrouw zei: “Overal waar jij gaat, ga ik”. Als je zoveel liefde krijgt en je kunt terug naar je oorsprong, dan zeg je ja, waarom zou ik niet terug kunnen keren? Het is zo mooi om je zo geliefd te kunnen voelen...’

Terwijl hij om zich heen al die mensen op de tribunes zag, realiseerde hij zich dat hij wel een risico nam. Een twijfel die niet veel later nog wat verder zou groeien rond de uitwedstrijd tegen Liverpool Montevideo. En gedurende de dubbele ontmoeting met Atlético Clube Goianiense in de Copa Sudamericana. De laagvlieger in de Braziliaanse competitie bleek veel te sterk voor Nacional, waar Suárez twee keer tevergeefs inviel.

Is het niveau voldoende om je optimaal voor te bereiden op de mondiale eindronde in Qatar?

'Nou, je bent er al, dikke. Ik weet hoe belangrijk het voor je is om daar bij Nacional te zijn. Ik wens je het allerbeste. Te quiero mucho'

Een aantal jaar geleden kwam Álvaro Recoba thuis bij Nacional. El Chino liep al tegen de veertig en had inmiddels de beschikking over een klein buikje. Maar de oude man kon op een goede dag nog zonder enige moeite uitblinken in de Uruguayaanse competitie. Zoals Diego Forlán dat later zou doen namens Peñarol. Suárez is pas 35 en wil juist nog schitteren, prijzen pakken. De laatste keer dat een Uruguayaanse club dat lukte, was 34 jaar geleden. Ja, het jaar van de Wereldbekerwinst tegen PSV...

Heel veel tijd om zich echt zorgen te maken, had Suárez niet bij zijn heldenontvangst in Estádio Gran Parque Central. Oude voetbaliconen als Rubén Sosa en Recoba verdrongen zich om hem te knuffelen, net als bekende politici, tv-personality’s, muzikanten en andere Uruguayanen die de kans hadden gekregen om dicht bij hem te komen. Hoogtepunt was het toen zijn boezemvriend uit Rosario op het grote scherm verscheen.

‘Hola Gordo’, klonk het plagerig. Hallo dikke. Lionel Messi lachte, Suárez lachte. ‘Nou, je bent er al’, zo vervolgde de Argentijn. ‘Ik weet hoe belangrijk het voor je is om daar bij Nacional te zijn. Ik wens je het allerbeste. Te quiero mucho.’

Daarna ging de aandacht weer snel naar hun aller Lucho, die met de privéjet van Messi in Montevideo was gearriveerd en nu geregeld de tranen weg probeerde te slikken. ‘Ik ben hier voor jullie’, zei hij in de grote microfoon in zijn hand. Hij wilde meer zeggen, maar werd steeds onderbroken. Fans zongen hun kelen schor. ‘Nergens zou ik gelukkiger kunnen zijn dan nu hier.’

Later zou hij iets uitvoeriger op zijn ontvangst reageren in gesprek met een Uruguayaanse krant. ‘Tot op de dag van vandaag blijft het me emotioneren dat een land je op zo’n manier ontvangt’, vertelde hij toen. ‘Ik heb het ervaren na het WK 2010 in Zuid-Afrika, na de Copa América in 2011, toen ik het WK 2014 moest verlaten. Maar wat ik dit keer heb meegemaakt... Onvergetelijk. Al die mensen die dankjewel zeiden, schreeuwden. Het ontroerde me en bevestigde mijn gevoel dat ik de juiste keuze heb gemaakt. Bovendien is het ook belangrijk voor het land. Ik ben niet alleen teruggekeerd naar Nacional, maar ook naar Uruguay.’

En ook nog voor een salaris dat niet of nauwelijks de Uruguayaanse maatstaven overstijgt. Als hij deze zondag het veld betreedt voor zijn eerste Nacional-Peñarol in zestien jaar, zullen ze hem ook in het geel-zwarte vak met alle respect ontvangen. Totdat het fluitsignaal klinkt en El Pistolero weer als een dolle tekeer zal gaan. Dan zullen ze hem vervloeken, de huid vol schelden, maar wel met een glimlach.

Source: VI Nieuws

Previous

Next