Column Nederland staat voor een onmogelijke puzzel die het móet leggen. Doet het dat niet, dan verzwakt dat de hele economie.
Als Europa niet oppast, wordt het nóg afhankelijker. Op een terrein waar het nu nog onafhankelijk is: dat van de zware industrie, die basismaterialen maakt voor allerlei andere producten. Denk aan staal, kunststoffen en chemicaliën.
De Europese zware industrie zit namelijk al een tijd klem in een bankschroef die steeds strakker wordt aangedraaid. In de eerste plaats is de energie in Europa relatief duur – duurder dan in de Verenigde Staten bijvoorbeeld. En dat tikt aan, want om staal en chemische producten te maken, is veel energie nodig.
Daarnaast is er keiharde concurrentie van goedkope chemicaliën uit China, dankzij een enorme toename van fabrieken daar, aangejaagd door de Chinese staat. Hogere kosten, druk op de prijzen – elke ondernemer weet: dat samen is een killer.
„Deze combinatie houdt de industrie niet lang vol”, zei de Rotterdamse burgemeester Carola Schouten onlangs in Buitenhof. Ze pleitte voor steun aan de chemische industrie in de Rotterdamse haven. „Vanuit China zijn die prijzen laag gehouden op een manier waar onze industrie niet tegenop kan. Het resultaat is dat wij straks een totale afhankelijkheid krijgen van China.”
Doe wat aan die bankschroef, adviseerde Mario Draghi twee jaar geleden al in zijn rapport over de Europese economie, bijvoorbeeld door de energiekosten te verlagen en fabrieken met subsidie klimaatvriendelijker te maken. Duitsland en Frankrijk hoefde je dat maar één keer te vertellen.
„Landen om ons heen hebben de chemie aangewezen als een belangrijke strategische pijler”, zei Peter Wennink, oud topman van ASML, deze week in de Tweede Kamer. Hij lichtte daar zijn advies over de Nederlandse economie toe. „Dat betekent dat een deel van de samenleving geld zal moeten ophoesten om te zorgen dat de chemie niet ten onder gaat.”
Het nieuwe kabinet wil de elektriciteitskosten voor de industrie met maar liefst een miljard euro verlagen, maar over vergroeningssubsidies voor individuele bedrijven aarzelt Nederland al vier jaar. Drie kabinetten achter elkaar beloofden miljarden euro’s aan subsidie om Nederlandse staal-, kunstmest- en chemiefabrieken klimaatvriendelijker te maken. Tot harde afspraken met die bedrijven kwam het nog maar één keer: met zout- en chloorfabrikant Nobian.
Dat geaarzel is niet gek. De puzzel die Nederland moet leggen is ingewikkelder dan die in de landen om ons heen. Onze economie zit overvol en de zware industrie legt een relatief groot beslag op schaarse middelen. Om een idee te geven: de energie-intensieve industrie levert 1,1 procent van het bbp, verbruikt een derde van de energie en zorgt voor 23 procent van de uitstoot van broeikasgassen.
Er is niet genoeg plek, mankracht, milieuruimte en elektriciteit beschikbaar om de volledige Nederlandse energie-intensieve industrie klimaatneutraal te maken, concludeerde de Wetenschappelijke Klimaatraad onlangs. Volgens het rapport-Wennink is het vertrek van energie-intensieve bedrijven in sommige gevallen onvermijdelijk en kan dat ook positieve neveneffecten hebben. „De energie-intensieve industrie legt namelijk een groot beslag op netcapaciteit, zoet water en milieuruimte.”
Maar ga maar eens kiezen welke industrie hier een toekomst heeft. De Klimaatraad ziet groene chemie als een kansrijke sector die extra steun verdient. Staal en raffinaderijen zijn in Nederland minder vanzelfsprekend, zei lid van de Klimaatraad Heleen de Coninck in NRC. Wennink vindt het geen ramp als de papier- en houtindustrie uit Nederland verdwijnt maar noemt staal, chemie en raffinage juist wél cruciaal. Laten dat nou juist de grote energieslurpers zijn.
Zonder veel discussie over welke industrie Nederland het beste kan steunen, maakte de nieuwe Tweede Kamer deze week al wel een heel bepalende keuze. Het kabinet mag verder onderhandelen met Tata Steel Nederland over de voorgenomen 2 miljard euro aan subsidie om een deel van de staalfabriek in IJmuiden klimaatvriendelijker te maken, onder de voorwaarde dat het kabinet scherpere afspraken maakt met het bedrijf. Tata is zo energie-intensief dat daarmee al veel van die beperkte economische ruimte is ingenomen.
Is dat verstandig? Daarover is al maanden een superinteressante discussie gaande, onder andere in economenvakblad ESB. Twee expertcommissies adviseerden (onder voorbehoud) positief. Een grote groep economen is echter tegen.
Vrijwel onomstreden is dat Europa staalindustrie moet behouden, maar moet dat staal ook in Nederland gemaakt worden? Het zou kunnen dat energie elders in Europa goedkoper wordt, bijvoorbeeld in zonnig Spanje of waterkrachtrijk Zweden. Mijn conclusie uit de discussie: het is ontzettend moeilijk vast te stellen of Tata goede overlevingskansen heeft, zeker als andere Europese landen hun eigen groene staalfabrieken subsidiëren.
Dat Nederlandse aarzelen is dus begrijpelijk. Maar niets doen is op zichzelf al schadelijk. Als Nederland geen keuze maakt welke industrie het met extra steun over de hobbel naar een klimaatvriendelijker toekomst helpt, loopt het risico veel energie-intensieve industrie te verliezen, waarschuwt de Klimaatraad.
Ik zou het nog een slag breder trekken: als Nederland geen keuze maakt, vreet dat aan de kracht van de hele Nederlandse economie. Welke industrie hier blijft, is bepalend voor de ruimte die er is voor andere bedrijven. Nu al is er te weinig ruimte op het stroomnet, zijn arbeidskrachten schaars, is de fysieke en de milieuruimte overvol.
Economen voegen altijd een interessant perspectief toe: wat zou je met die 2 miljard euro kunnen doen als je het niet aan Tata geeft? Wat zou je kunnen doen met de ruimte die een vertrek van Tata schept? Nederland zit in een luxe situatie: een industriebedrijf dat vertrekt, is niet alleen een verlies, het schept ook ruimte. Voor nieuwe bedrijvigheid. Maar op Europees niveau ligt de situatie anders: daar heeft niet afhankelijk worden van agressieve landen veel meer gewicht gekregen. Ook voor Nederland.
Dit is een puzzel waarvan de stukjes maar moeilijk passen.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen