In zijn eerste cabaretsolo Ik mag niet klagen vertelt columnist en tv-persoonlijkheid Marcel van Roosmalen openhartig en geestig over zijn jeugd in Arnhem en Velp. De show blijft behoorlijk statisch, maar er is gelukkig wel nagedacht over theatrale ingrepen.
schrijft voor de Volkskrant over cabaret, stand-upcomedy en musical.
‘Wat doe ik hier?’, vraagt Marcel van Roosmalen zich af, onwennig starend in het felle theaterlicht, de handen ongemakkelijk in de zakken van zijn nette pak. Door een handige producent is Van Roosmalen (58) een nieuwe theatertour ingerommeld. Hij staat nu overal als ‘cabaretier’ aangekondigd en moet anderhalf uur aan teksten uit zijn mond zien te krijgen.
Voor cabaretvoorstelling Ik mag niet klagen werd regisseur Geert Lageveen aangesteld, die Van Roosmalen steun gaf door hem als decor een kast vol herinneringen te geven. Zo gauw Van Roosmalen een object uit dit dressoir pakt, weet hij welk verhaal eraan vastzit.
Zo worden er een afstandsbediening, een Vitesse-sjaal en een brokstuk van de Berlijnse Muur tevoorschijn gehaald. Dit concept van object pakken en verhaaltje vertellen wordt gelukkig gaandeweg ook weer losgelaten. Dat maakt de avond minder tot een lijstje dat wordt afgewerkt.
De tegenzin waarmee Van Roosmalen zich presenteert op het toneel is uiteraard onderdeel van de act. Het zorgt voor een dwarse avond vol typische, gortdroge Van Roosmalen-humor. Toch heeft de reportageschrijver, columnist, tv- en podcastmaker inmiddels behoorlijk wat podiumervaring. Met zijn populaire theatershow De pannekoekencaravan trok hij met presentator Gijs Groenteman in 2022 langs uitverkochte schouwburgen.
Een solovoorstelling is andere koek, blijkt uit de première van Ik mag niet klagen. Een volleerd cabaretier is Van Roosmalen niet, hij weet zijn zinnen niet altijd even soepel te plaatsen. Ook blijft de show behoorlijk statisch, al is er gelukkig wel nagedacht over theatrale ingrepen. Op een scherm worden foto’s en filmfragmenten getoond, er wordt muziek gedraaid en Van Roosmalen vertelt op verschillende plekken in zijn decor.
Inhoudelijk komen er genoeg interessante, tragikomische verhalen voorbij, waar royaal om gelachen kan worden. Ondanks zijn wellicht cynische buitenkant slaagt Van Roosmalen er wel degelijk in om persoonlijk en openhartig te zijn. Hij beschrijft zijn jeugd in Arnhem en Velp, de band met zijn bijna blinde broer en de Jan Terlouw-haat van zijn vader.
Met het noemen van veel details weet Van Roosmalen absurde situaties heel kleurrijk en literair neer te zetten. Op enorm komische wijze beschrijft hij hoe zijn moeder door de diabetes van zijn broer alle suiker verwijderde uit het huishouden. Het werd vervangen door de zoetstof sorbitol. Prachtig is het verhaal over die keer in de jaren zeventig dat een Hollywood-ploeg van de Britse regisseur Richard Attenborough in Arnhem neerstreek om de oorlogsfilm A Bridge Too Far op te nemen.
Van Roosmalen schiet kriskras door zijn leven en dat houdt de show gevarieerd, maar tegen het einde wordt het vermoeiend als er steeds weer nieuwe mensen worden geïntroduceerd, bijvoorbeeld bij een busrit met de redactie van voetbaltijdschrift Hard Gras, of bij de recente crisis rond Vitesse. Wellicht was die markante Arnhemse jeugd alleen al genoeg geweest voor een vermakelijke cabaretavond.
Cabaret
★★★☆☆
Door Marcel van Roosmalen. Regie Geert Lageveen.
9/4, theater De Kleine Komedie, Amsterdam. Tournee t/m het najaar.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant