Home

Op de gemengd Palestijns-Israëlische school leren kinderen dat ‘de ander’ niet slecht is

Israël Vrienden Jonathan en Beja gingen naar een gemengde school in Jeruzalem. Ze leerden er samenleven met ‘de ander’ – in tegenstelling tot veel andere Israëliërs en Palestijnen. „Kinderen krijgen de haat van jongs af aan mee.”

De Israëlische vrienden Jonathan Moor (25) en David Valentin Bejat ('Beja', 26) leerden elkaar kennen op de Hand in Hand-school in Jeruzalem.

Israëliërs weten dat ze in weinig landen op sympathie kunnen rekenen. Ze doen het liefst alsof dat ze niet interesseert. Toch krijgen buitenlanders in Israël steevast de vraag: haten ze ons ook zo in jouw land? Jonathan Moor (25) vraagt dat niet. Hij kent Nederland, zijn moeder komt uit Amsterdam. Zijn vader is Israëliër.

Jonathan is geboren in Jeruzalem en woont er zijn hele leven. Hij studeert communicatie en Midden-Oostenstudies en huurt een appartement in een van de vele sobere witstenen appartementengebouwen in West-Jeruzalem. Het is tegen een heuvel aangebouwd, vanuit het keukenraam heb je uitzicht op de vallei. Hij deelt het appartement met een goede vriend.

Die vriend is David Valentin Bejat (26) die sinds zijn vijftiende Beja wordt genoemd. Hij studeert computerwetenschappen. Ze leerden elkaar kennen op de basisschool toen ze zeven en acht jaar waren. En die school, de tweetalige Hand in Hand-school in Jeruzalem, bepaalde hun leven in grote mate. Israëlische en Palestijnse leerlingen zitten er samen in de klas, met een Palestijnse én Israëlische leerkracht. De lessen zijn in het Arabisch en Hebreeuws, alle leerlingen leren beide talen. De school loopt door tot het eindexamen. Er zijn zes van zulke basisscholen in Israël, twee daarvan met een middelbare school.

Jonathan zet thee. De twee katten springen op de bank. Een paar weken geleden viel Israël Iran aan. In Jeruzalem moeten ze regelmatig de schuilkelder in. „Soms slaap ik door het luchtalarm heen”, zegt Jonathan, die goed Nederlands spreekt. In andere delen van het land, in Tel Aviv bijvoorbeeld, gaat het alarm veel vaker af. De Iraniërs willen niet per ongeluk de Al-Aqsamoskee raken. „Jeruzalem voelt daardoor iets veiliger.”

Beja vindt de oorlog, zoals veel Israëliërs, onvermijdelijk. Vanwege het nucleaire gevaar dat Iran volgens hem vormt, en de steun van dat land aan Hamas en Hezbollah. Als Israël die dreigingen kan elimineren en de Iraniërs van het regime bevrijdt, vindt hij dat een oorlog dubbel en dwars waard.

Jonathan vraagt zich af, zegt hij, of het hun taak is Iraniërs te bevrijden. „Bibi [premier Benjamin Netanyahu] zegt al zolang ik me kan herinneren dat Iran binnen een paar maanden een nucleaire bom heeft. Een half jaar geleden zou Israël alles vernietigd hebben. Voor hetzelfde geld hakken we nu het hoofd van de slang af en groeien er vele kleine slangetjes uit die romp die gevaarlijker zijn.”

Jonathan heeft een Nederlandse moeder en een Israëlische vader.

De ouders van Beja emigreerden vanuit Roemenië naar Israël. Zijn stiefvader is Palestijns.

Beja knikt. Het blijft lastig beoordelen voor een burger, geeft hij toe. Jonathan: „Veel landen in het Midden-Oosten zouden Israël het liefst wegvagen. Een land als Iran heeft dat vaak genoeg gezegd. Dus moet Israël vijanden altijd een stap voor zijn. Het is do or die. We zijn veilig door het sterke leger dat we hebben.”

Beja: „Behalve op 7 oktober.”

Jonathan: „Behalve op 7 oktober. Dat was een enorme schok voor me. Voor iedereen.”

Achtergrond maakte niet uit

De ouders van Beja emigreerden vanuit Roemenië naar Israël, hij christelijk, zij joods. Beja werd geboren in Israël. Toen hij vier jaar was, scheidden zijn ouders. Zijn vader ging terug naar Roemenië. Zijn moeder hertrouwde met een Palestijnse man uit Oost-Jeruzalem en bekeerde zich tot de islam. Beja, die Hebreeuws en Roemeens sprak, verhuisde op zijn zesde naar het Arabische gedeelte van de oude stad. „Ik voelde me een vreemdeling tussen de Palestijnse kinderen. Ik zag er anders uit en verstond hen niet.”

Na een jaar was hij een van hen: een islamitische jongen in de oude stad. Zijn moeder koos een Israëlische school voor haar zoon. Een reguliere school zou onprettig zijn, dan ben je op z’n best een buitenbeentje, zegt Beja. „De Hand in Hand-school was een logische keuze.”

Op school maakte de achtergrond van de leerlingen inderdaad niet uit, zegt Jonathan. Hij was een Israëlisch kind, Beja moslim, het was gewoon geen issue. Ze leerden over het jodendom, de islam en het christendom. De school wilde voor iedereen een veilige plek zijn en slaagde daarin, vinden ze. Ze herinneren zich geen racisme of discriminatie.

Jonathan: „Er waren populaire en minder populaire kinderen. Dat hing af van af of ze goed waren in voetbal of zo. Of ze Israëliër of Palestijn waren, maakte niet uit.”

Beja: „Buiten school was dat anders. Ik zat op een Israëlische voetbalclub, ik hield mijn Arabische achtergrond geheim. Niemand wist dat ik in de oude stad woonde. Nou ja, één vriend. Die hield zijn mond. Ik was altijd bang dat iemand erachter zou komen.”

Heftig.

Beja: „Dat voelde ik pas later. Het kost veel kracht om verborgen te houden wie je bent.”

Er was wel een ideologisch verschil, vertellen ze. De Israëlische kinderen op school kwamen vooral uit linkse, niet-religieuze gezinnen. Voor hun ouders was het een idealistische keuze om hun kinderen naar die school te sturen. De Palestijnse kinderen kwamen uit traditionelere, religieuze gezinnen. Hun ouders ging het vaker om de kansen die de school hun kinderen zou bieden.

School was een bubbel?

Jonathan: „In zekere zin wel. Er werd wel gesproken over spanningen tussen Israëliërs en Palestijnen. In onze tijd op school waren er ook tal van bloedige confrontaties, al was het nooit zo ernstig als 7 oktober en de oorlog in Gaza. De boodschap van school was: we moeten samenleven. Een mooi uitgangspunt maar lastig te vertalen naar het dagelijks leven van de leerlingen, die buiten school in een gepolariseerde samenleving rondliepen. En dus kregen de leraren vragen als: is Hamas een terreurgroep of een vrijheidsleger? En ze moesten omgaan met het feit dat Israëlische kinderen na het eindexamen het leger in gaan, en Palestijnse kinderen niet. Soms is het makkelijker om iets níet te benoemen. Wij hebben beiden Palestijnse vrienden waar we nog steeds mee chillen. Sommige vrienden spreken elkaar nu niet meer omdat ze de verschillen uiteindelijk niet konden overbruggen.”

Wat leerden jullie thuis over ‘de ander’?                                         

Beja: „In ons huis werd er met nuance over de Joden gesproken, mijn moeder was joods geweest. In vrijwel alle Palestijnse gezinnen om me heen staat Al Jazeera aan in de huiskamers. De hele tijd, dag in dag uit, zie je dode kinderen. En ouders die rouwen om hun dode kinderen. En Israëliërs die Palestijnen verwonden of doden. Kinderen krijgen de haat van jongs af aan mee. De Joden zijn de vijand.”

Jonathan: „In Israëlische gezinnen is het precies andersom: Israëlische kinderen zien Israëlische propaganda op de televisie. Hamasmensen die aanvallen en doden en zo. De dappere jongens en meisjes in het leger. Ik kreeg thuis een genuanceerder beeld mee van mijn ouders. Mijn ouders hadden Palestijnse vrienden.”

Jonathan weet van zijn ouders, die momenteel in Nederland wonen, hoe het leed van de Gaza-oorlog dagelijks de Nederlandse huiskamer binnenkomt. „In Israël kan je dat ook zien, als je op bepaalde zenders afstemt. De grotere Israëlische televisiezenders berichten minder over Gaza of de Westelijke Jordaanoever of laten enkel het Israëlische perspectief zien.”

In Israël worden grappen gemaakt over die eenzijdige visie, zegt Jonathan. Hij beschrijft een veel gedeelde sketch van het satirische programma Zo Zèh, waarin de berichtgeving over de huidige oorlog met Iran op de hak wordt genomen. „Een nieuwslezer vertelt opgetogen dat Iran is verslagen. Dan gaat het luchtalarm af. Als hij weer uit de schuilkelder komt, vertelt hij dat Iran geen enkele ballistische raket meer over heeft. Dan gaat het luchtalarm wéér.”

Jonathan en Beja in hun appartement in West-Jeruzalem. „Wij hebben beiden Palestijnse vrienden waar we nog steeds mee chillen.”

In de hogere klassen van de basisschool kreeg Beja twijfels over zijn geloof. „Moslim zijn is hard werken. Je dankt God de hele dag door, bidt vijf keer per dag, je moet vasten tijdens Ramadan. Ik deed dat vanaf mijn zesde. Je kan het geloof niet een beetje meespelen.” Hij begon weerzin te voelen tegen de straffen die hij in het hiernamaals zou krijgen als hij afweek van de leer. „Ik was doodsbang voor de hete metalen pijp waarmee ik geslagen zou worden als ik slechte woorden zei.”

Hij ging op zoek, zegt Beja. „Ik ging vragen, lezen. Ik dacht: wat als het niet klopt?”

Beja was vaak bij hem thuis, zegt Jonathan. „En we waren vaak bij mijn buurjongen, Tomer.” Tegen Beja: „Jij bleef steeds vaker bij een van ons slapen. Op een gegeven moment zei mijn moeder tegen jou: zeg het als je níét komt.”

Beja: „Toen was ik een jaar of dertien. Feitelijk ben ik toen weer van identiteit geswitcht: van Roemeense moslim werd ik een joodse Israëliër met Roemeense wortels.” Vanaf die tijd woonde hij bij Jonathan. „Ik had thuis geen ruzie. Ik had wat afstand nodig.”

Ze zijn geen van beiden in dienst geweest.

Jonathan: „Dienen in een vechterseenheid geeft je aanzien in Israël. Ik wilde dat niet. Ik hou van mijn land, maar ik had niet het gevoel dat ik het mijn leven verschuldigd ben.”

De dienstplicht overviel hen, zeggen ze. Op andere Israëlische scholen worden jongeren vanaf hun zestiende voorbereid op het leger, als op een examen: wat kan je verwachten? Voor welke eenheden kan je opteren? Hun school deed dat niet. Misschien omdat de helft van de leerlingen niet naar het leger zou gaan? Ze kijken elkaar aan. Ze weten het niet.

Beja: „Ik kon er vrij makkelijk onderuit komen. Ik wees op mijn Palestijnse stiefvader, mijn moeder met hoofddoek.”

Jonathan: „Voor mij was het lastiger. Die goede vriend van ons, Tomer, overleed in die periode door een ongeluk. Dat was een enorme schok in onze vriendengroep. Ik was er kapot van. In het leger willen ze geen depressieve soldaten.”

Beja: „We waren huiverig voor de gevolgen. Als je geen dienstplicht vervult, zou dat je carrière schaden.”

Jonathan: „Dat wordt altijd gezegd, ja. Ik was er ook bang voor. Maar ik heb er tot nu toe niets van gemerkt.”

Beiden deden vervangende dienstplicht. Jonathan hielp autistische kinderen in Jeruzalem hun leven op de rit te houden. Beja werkte met achterstandskinderen in Eilat. Ik vond kinderen stom, zegt Beja grijnzend. „Daar ben ik van teruggekomen. Ik heb veel geleerd en het werk ging me goed af. Ik herkende mezelf in die kinderen.”

En toen begon de oorlog in Gaza.

Jonathan: „Nou, eerst had je 7 oktober 2023. Ik had zelf makkelijk op dat Nova-festival aanwezig kunnen zijn, ik kende mensen die er waren.”

Beja: „Op het moment dat ik hoorde dat Hamas-mensen Israël in waren, wist ik: Gaza gaat eraan.”

Jonathan: „En dat wist Hamas natuurlijk ook. Dat kon ze niet schelen.”

Beja: „De agressie waarmee Hamas-mensen Israëliërs doodden, verbaasde me niet. Ik ken de blinde woede tegen de Joden.”

Jonathan: „Ik vond het volkomen terecht dat Israël keihard terugsloeg met als doel de gijzelaars te bevrijden.”

Meteen zag je weer beide kanten met een eigen narratief, zegt Beja. „Op bezoek bij mijn ouders in de oude stad zag iedereen Hamas als soldaten die hun land en mensen verdedigen. Niemand daar geloofde dat Hamas baby’s had gedood en kinderen had ontvoerd. Dat was een leugen van de Joden.”

Zeven keer hetzelfde huis veroveren

Veel gijzelaars werden niet bevrijd, ze werden geofferd omdat Netanyahu zijn eigen hachje wilde redden, zegt Jonathan. „Dat gaat volledig in tegen de Israëlische mentaliteit. Het werd zo een doelloze, slepende oorlog. Ik hoorde van vrienden die als soldaat naar Gaza werden gestuurd dat ze soms zeven keer hetzelfde huis moesten veroveren. Ze hadden geen idee wat ze aan het doen waren. In het Hebreeuws zeg je: we waren water aan het malen.”

Beja: „Het hoge aantal burgerslachtoffers heeft ook te maken met de tactiek van Hamas. Ze verbergen zich onder scholen en ziekenhuizen, mengen zich tussen burgers, en gebruiken die zo als schild. De burgerdoden kunnen hen niets schelen.”

„De leiders van Israël ook niet”, zegt Jonathan. „Een guerrillaoorlog is niet te winnen. En met elke bom zijn er Palestijnen die kinderen, of ouders, een broer of een oma moeten missen. Dus levert elke bom nieuwe Hamasstrijders op.”

Tegelijkertijd vindt hij het anti-Israëlsentiment in veel West-Europese landen overtrokken. „Waarom was de sympathie met de gijzelaars binnen drie dagen verdwenen? En het is wel erg makkelijk om met een Palestijnse sjaal om je hoofd op een treinstation op de grond te gaan zitten in je eigen veilige land, en zo te oordelen over een land waar je zelf nooit was.”

Er zijn meer dan 70.000 doden, onder wie veel burgers, en ook veel kinderen. Dat kan je moeilijk koud laten toch?

Voor het eerst in het gesprek schiet de stem van Jonathan omhoog: „Klopt. Het is een oorlog. Burgerslachtoffers zijn verschrikkelijk. Maar om je alleen druk te maken over Palestijnen en níét over burgerslachtoffers elders is hypocriet. Waar is de woede over Soedan, waar honderdduizenden mensen omkwamen? Zijn er sit-ins voor Nigeria in Nederland? Waarom niet?”

Er is nog een aspect, denkt Jonathan. „In West-Europa wonen veel moslims, net als in Israël. Zij trekken zich het lot van hun broeders en zusters in Gaza meer aan dan het lot van slachtoffers elders.”

Geen van beiden moet ook maar iets hebben van het extreemrechtse kabinet van premier Netanyahu, met ministers als Ben Gvir (Nationale Veiligheid) en Bezalel Smotrich (Financiën). „Ik haat Bibi uit het diepst van mijn hart”, zegt Jonathan. „Ik heb vijf keer gestemd in mijn leven, en ik ben vijf keer teleurgesteld.”

Hebben jullie nog hoop dat het ooit goed komt?

Jonathan: „Ik ben pessimistisch. Het land wordt steeds rechtser en religieuzer. In Jeruzalem is zo’n 30 procent ultra-orthodox. Zij krijgen veel kinderen, dus hun aandeel en macht wordt steeds groter. Voor de religieuze hardliners geldt hetzelfde. Zij zijn ook nog eens goed georganiseerd.”

Tegelijkertijd, zegt Jonathan, is links absoluut niet verdwenen. ”Links is niet meer zo sterk als vroeger, maar er is nog steeds een stevige minderheid, in onder meer Tel Aviv, Haifa, de kibboetsen en ook wel in Jeruzalem.”

Je weet het niet hè, zegt Beja. „Ik zie ook duizend problemen. Maar ik zie ook dat samenleven vaak wél goed gaat. Mijn stiefvader is buschauffeur. Vaak zit de bus vol Israëlische soldaten. Hij brengt ze waar ze moeten zijn, hij praat met ze. Hij is geen uitzondering. Er wordt samengewerkt, samen gestudeerd, samen geleefd.” Misschien, aarzelt Jonathan. „Stel we krijgen een andere regering. Met leiders die de radicale kolonisten op de Westoever keihard aanpakken als terroristen, en de rest dwingt tot vreedzaam samenleven. En zorgt dat de rest van de bevolking overal kan werken, gelijke toegang heeft tot zorg en veilig kan wonen. En dan zijn er ook andere Palestijnse leiders nodig.”

Het gaat vooral om wederzijds vertrouwen, zegt Beja. „Toen ik met mijn Palestijnse familie op vakantie ging, werden we steevast aangehouden bij de checkpoints en moesten we de auto leeghalen. Dat voelt verschrikkelijk. Maar ik begrijp ook dat ze willen voorkomen dat iemand met een auto vol wapens binnenrijdt.”

En Gaza?

Ze kijken elkaar aan. Zelfs met de beste wil van de wereld vinden ze het lastig daar een oplossing voor te bedenken. „Ik ben vrij somber”, zegt Jonathan nog maar eens.

„Ik begrijp je gevoel”, zegt Beja. „Maar ik weiger somber te zijn. Staten ontwikkelen zich, volken ook. Ik wíl ook graag positief denken. Als ik in Roemenië op vakantie ben, dan mis ik mijn vrienden, mijn familie, de taal, Jeruzalem. Ik wil in dit land wonen, en in vrede oud worden.”

Jonathan: „Ik ook. Ik heb naar universiteiten in Nederland gekeken. Ik heb de mogelijkheid om te verhuizen. Veel jonge Israëliërs vertrekken. Maar ik ben een Jeruzalemmer. Ik hou van deze stad. Ik hoor hier.”

Onderwijs

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next