Home

Marcel van Roosmalen had ‘nee’ moeten zeggen tegen het advies om cabaretier te worden. Of: ‘Ja, maar dan wil ik eerst oefenen’

Cabaretdebuut Marcel van Roosmalen Met ‘Ik mag niet klagen’ staat journalist en Vitesse-fan Marcel van Roosmalen voor het eerst op het cabaretpodium. Hij weet knap absurde situaties te herkennen en op te lepelen, maar hij is zo nerveus dat het meelijwekkend is om naar te kijken.

Marcel van Roosmalen legt in 'Ik mag niet klagen' uit waarom voetbalclub Vitesse in de oorlog de enige goede club was. Een van de momenten dat het lang niet duidelijk is naar welk genre je zit te luisteren: een persoonlijke anekdote, een analyse of een geschiedenisverhaal.

„Boek mij maar zoveel mogelijk in”, schijnt Marcel van Roosmalen te hebben gezegd tegen degene die hem aanraadde om het theater in te gaan. Maar dat hij daarop een lijst van tachtig theaters kreeg, overviel hem een beetje.

Cabaret

Marcel van Roosmalen: ‘Ik mag niet klagen’. Gezien: 9/4, De Kleine Komedie Amsterdam. Tournee tot en met 11 november.

Info: ikmagnietklagen.nl

Zo begint Marcel van Roosmalen, de laatste jaren vooral bekend van onder andere zijn podcast met Gijs Groenteman en zijn NRC-columns, zijn cabaretdebuut Ik mag niet klagen. Het sterkste gevoel dat blijft hangen na bijna twee uur voorstelling: medelijden.

Ik mag niet klagen is geen goede voorstelling. Dat ligt niet aan zijn verhalen; die zijn weliswaar te lang, maar voor het grootste deel onderhoudend. Zeker voor wie zijn podcasts en tv-optredens niet volgt, waaruit hij de verhalen (deels) recyclet. Er zitten losse grapjes in – niet de meest originele, maar genoeg om soms goed te gniffelen – maar de verhaalsituaties zijn vaak op zichzelf al genoeg om je te vermaken. Van Roosmalen is goed in het herkennen van het absurde in situaties en dat onder woorden te brengen.

Alleen maakt hij het je wel lastig om naar die verhalen te luisteren. Van Roosmalen is stiknerveus. Ongemak, knulligheid en slachtofferschap zijn natuurlijk deels zijn verdienmodel, zijn trucje, maar je kijkt toch liever naar een kunstenaar die zijn truc de baas is. Bij Marcel van Roosmalen neemt het trucje hem regelmatig over. Bedremmeldheid kun je acteren, maar verlies van ademsteun halverwege woorden en zinnen: daaruit spreken gierende zenuwen.

Aan het begin verklaart hij waarom achter hem een kast met voorwerpen staat: dat is het uiterste redmiddel dat zijn regisseur, Geert Lageveen, kon bedenken om hem zijn tekst niet te laten vergeten. De voorwerpen herinneren hem aan zijn onderwerpen.

Waar gaat dit heen?

Het helpt ook niet dat hij zo snel mogelijk door zijn vele materiaal wil. Hij laat geen stiltes vallen. De hele voorstelling is een praatwolk zonder alinea’s en witregels. Het ene verhaal gaat even monotoon en abrupt over in het volgende. Arnhemse humor en – natuurlijk – zijn grote liefde Vitesse komen meermaals aan bod, net als zijn door diabetes blind geworden broer en zijn geërfde hekel aan Jan Terlouw. Maar hij wil het ook hebben over wat hij „haat aan de theaterwereld” noemt, zijn carrière (hoe hij altijd stiknerveus geweest is), de oorlogsgeschiedenis van zijn ouders, zijn vakantie naar Iran, zijn dochters, zijn rol in de film A Bridge Too Far die de cut niet gehaald heeft, zijn demente moeder, zijn … – en dat vaak in maar een paar minuten.

Daarin lijkt hij soms verhaaldelen te vergeten en is de chronologie van zijn verhalen vaak onduidelijk (gaat het over zijn huidige vriendin of zijn ex?). Te vaak ook zijn er hele stukken die je doen afvragen ‘waar gaat dit heen’, om je achter te laten met ‘zijn we nu ergens?’ En dan moet je ook nog zelf deduceren of je naar een geschiedenisverhaal, een analyse, een waargebeurde persoonlijke anekdote of een grap zit te luisteren. In feite heeft Van Roosmalen een hele lange column zonder lijn uit zijn hoofd geleerd, en heeft zijn regisseur hem verteld dat hij af en toe op een andere plek moet gaan staan.

Echt gemeen naar mensen is hij maar af en toe, bijvoorbeeld als hij acteur Peter Faber belachelijk probeert te maken – en dat zijn de meest meelijwekkende momenten. Dan staat er een brombeer die door zenuwen vergeten is om zijn kunstgebit in te doen.

Ik mag niet klagen wordt gespeeld door een man die ‘nee’ had moeten zeggen tegen een idee van iemand anders. Óf: ‘Ja, maar dan wil ik eerst oefenen’.

Het is simpelweg nog te vroeg om te zeggen of Marcel van Roosmalen een cabaretier is. Nu nog niet, zoals menig beginneling nog geen cabaretier is als-ie voor het eerst op het cabaretpodium staat. Wie weet wordt hij er een met coaching, talentenprogramma’s, afgaan en opkrabbelen. Alleen horen die eerste stapjes gezien te worden door zaaltjes met tien mensen. Niet door volle zalen.

Met dat idee ga je weg: sneu voor Van Roosmalen dat hij zijn publiek al heeft. Dit cabaretdebuut is een voorstelling voor liefhebbers van Marcel van Roosmalen. Niet voor liefhebbers van cabaret.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next