Home

In deze gevangenis proberen ze vrouwelijke veelplegers te helpen. ‘Het zijn de succesjes die wij onthouden – en nodig hebben’

Gevangenis In Zwolle is de enige gevangenis met een afdeling waar vrouwelijke veelplegers psychiatrische behandeling krijgen. Al zit niet iedereen te wachten op hulp. „Ik heb écht geen spijt dat ik ben begonnen met crack.”

Detectiepoortje voor de arbeidshal.

E

dward heeft een dubbel gevoel vandaag. Het is een feestelijke dag, want op deze maandagochtend in december viert iemand op zijn afdeling zijn vijfentwintigjarig dienstverband bij justitie. Minder feestelijk is dat net een van Edwards gevangenen ervandoor is gegaan.

„Ze had zaterdag verlof zonder begeleiding en mocht even de stad in”, zegt hij van achter zijn bureau in de penitentiaire inrichting (PI) in Zwolle. De afspraak was dat ze die middag weer zou terugkomen. Dat gebeurde niet. Ze had nog tot zondagmiddag om zich weer te melden zonder verworven vrijheden – zoals verlof – kwijt te raken. Maar vandaag is ze nog steeds niet terug. „Niet leuk”, zegt Edward nuchter. „Maar het hoort er nou eenmaal bij.”

Op het binnenhof zwaait ondertussen een grote deur open. Een bewaarder duwt een zwaarbeladen kar met dozen vol eigendommen van de ‘ontsnapte’ gedetineerde over de klinkers, achter haar aan komt een collega met een grote kliko. De cel moet leeg om plaats te maken voor een nieuwkomer, dat is nou eenmaal de regel. Ook al verwacht iedereen dat de wegloper snel weer terug is. „De politie is op de hoogte, die komt haar vanzelf een keer tegen”, zegt de bewaarder. „Bij een overlastmelding in een drugspand, zo gaat het wel vaker.”

Dit soort ‘ontsnappingen’ komen vrij veel voor op deze afdeling. Het gaat niet om ontsnappen in de gangbare zin van het woord, via het beklimmen van hoge muren en een vlucht door de buitenpoort. Vrijwel altijd is het een zogeheten ‘onttrekking’: een gedetineerde die tijdens een begeleid verlof weg glipt, of bij een onbegeleid verlof niet terugkomt – zoals het geval waar Edward nu mee zit.

Hij is hoofd van de Inrichting Stelselmatige Daders (ISD), een weinig bekend en bijzonder onderdeel van het Nederlandse gevangeniswezen. In de PI Zwolle is die er uitsluitend voor vrouwen; mannen kunnen op acht plekken elders in het land terecht.

De ISD werd in 2004 bedacht als straf voor veelplegers die veel overlast veroorzaken. Het gaat om mensen die door psychische ziekte, dakloosheid, verslaving of een combinatie ervan alsmaar kleine delicten plegen: winkeldiefstal, bedreiging, openbaar dronkenschap. Als iemand in de afgelopen vijf jaar al drie keer is veroordeeld én duidelijk is dat meerdere korte gevangenisstraffen niet geholpen hebben, mag de rechter de zogeheten ISD-maatregel opleggen. Die geldt voor minimaal één en maximaal twee jaar – in de praktijk draait het bijna altijd op dat laatste uit. De kosten vallen hoger uit als deze maatregel niet wordt opgelegd, zo werd tien jaar geleden berekend. De gemiddelde veelpleger veroorzaakte jaarlijks 150.000 euro aan maatschappelijke kosten, een ISD-traject kostte ruim 100.000 euro.

De ISD-afdeling zoals die van Edward is dan de eerste bestemming. Gevangenen krijgen er een op hen afgestemd pedagogisch en psychiatrisch programma aangeboden. Naast de medische behandeling moeten ze er ook tot zelfinzicht komen. Zo kunnen ze in Zwolle in gesprek met een ervaringsdeskundige – iemand die ooit zelf ISD’er was maar nu zijn leven op orde heeft. Of ze gaan naar ‘Spiegel op Vier Poten’, een hondentraining waarbij ze zichzelf in de omgang met border collies beter leren kennen.

Na een poosje op de afdeling kan iemand doorstromen naar een (gesloten) zorginrichting – vaak is dit na een maand of acht. Gaat het toch weer fout – drugs, een nieuw delict – dan haalt de PI hem of haar weer terug. Dit kan zo doorgaan tot de opgelegde ISD-termijn is verstreken.

Maar lang niet alle veroordeelde veelplegers volgen dit schema. Een deel wil helemaal niet naar een kliniek of zorginstelling en krijgt dus twee jaar lang begeleiding en behandeling binnen de gevangenis. Een ander deel weigert simpelweg elke vorm van medewerking aan een verslavings- of behandeltraject. Voor hen draait het uit op twee jaar ‘kale detentie’, zonder wezenlijk verschil met een normale gevangenisstraf.

Edward, die inmiddels een paar jaar leiding geeft aan deze afdeling, bekijkt het met de nodige relativering. „De weg naar herstel is lang, en vol met terugval.” En al maakt een gedetineerde duidelijk níéts met het hele programma te maken te willen hebben, dan geven ze alsnog niet op. „Er zijn twee kampen: dames-gemotiveerd en dames-ongemotiveerd. Het is aan ons om ze van het tweede naar het eerste kamp te krijgen.”

Over dit artikel

Dit is het derde deel van een drieluik over het gevangeniswezen; het eerste deel is hier te lezen, het tweede deel hier. De auteur benaderde meerdere Nederlandse gevangenissen met het verzoek langere tijd mee te mogen lopen; de PI Zwolle reageerde daar welwillend op.

De auteur mocht tussen half oktober en half december 2025 op verschillende afdelingen meekijken en iedereen aanspreken die daarvoor openstond. Hij sprak met tientallen medewerkers en zo’n twintig gedetineerden.

Alle citaten zijn voor publicatie voorgelegd aan de betrokkenen. Afgesproken werd dat iedereen, met uitzondering van directieleden, enkel met de voornaam zou worden opgevoerd.

Alle volledige namen zijn bekend bij de redactie.

Drooggebruiken

„Ik was vroeger gewoon normaal, weet je.” Orlanda zit in een klein kantoortje, een kamer van twee bij drie aan het eind van het cellenblok. Ze is in de vijftig en draagt een zwarte trainingsbroek en een zwarte hoodie met een boeket rozen erop gedrukt. „Ik had gewoon werk. Ik had mijn kinderen. Bracht ze naar school, ging naar dansles met mijn dochter. Ik werkte gewoon – bij de opvang, bij het stadsdeel, bij de bank.” Ze valt even stil. „Ik had mijn leven op orde, en daarna niet meer.”

Nu zit ze al bijna twee jaar vast, na een lange drugsverslaving en meerdere ggz-opnames. Ze raakte dakloos, vond een plekje bij de verslaafdenopvang, maar kreeg daar een huisverbod vanwege haar agressie. Haar strafblad breidde zich gestaag uit: diefstal, bedreiging, het overtreden van gebiedsverboden. Elke keer zat ze een weekje of hooguit een maand in de cel. Tot haar ISD werd opgelegd.

Hoe het zo is gekomen, kan ze niet samenhangend navertellen. Op veel vragen kan ze geen goed antwoord geven. Wanneer gebruikte ze voor het eerst harddrugs? Wanneer had ze haar eerste psychose? Was dat vóór of toch nádat ze haar huis uit werd gezet? En, het pijnlijkst: wanneer raakte ze haar kinderen kwijt? Ze weet het niet.

Verwarring maakt bij Orlanda snel plaats voor woede. Ze háát het hier, dat ze geen drugs mag gebruiken, de verplichte anti-psychotische medicatie en dat ze vroeg op moet staan. „Ik word gek. Elke dag hetzelfde”, zegt ze. „Boem-boem-boem op de deur, ‘wakker worden’, schreeuwen ze. En dan krijg je een pil in je mik, moet je weer gaan douchen en dan heb je… hoe heet dat ook alweer?”, vraagt ze. „Arbeid”, schiet haar te binnen. „Arbeid, arbeid!”, doet ze een bewaarder na. „Soms wil je gewoon even op je kamer zitten in je eentje en tv kijken.”

Over twee weken komt ze vrij, maar haar beoogde appartement binnen een woonvoorziening is net afgebrand. Nu komt ze mogelijk wéér op straat terecht, omdat haar casemanager nog geen alternatief heeft gevonden. Ze weigert ergens te wonen waar ze geen crack mag gebruiken en dat bemoeilijkt de zoektocht. „Door dit hele gedoe ben ik hartstikke huiselijk geworden. Helemaal tam. En dan gooien ze me verdomme weer op straat!”

Het enige wat haar boosheid lijkt te kunnen verzachten, is praten over drugs. Het personeel noemt dat drooggebruiken. Orlanda meent dat ze nog wat in te halen heeft. „Ik ben er ook laat mee begonnen, snap je.” Volgens haar raakte ze dakloos ergens na haar dertigste. Jaren later, waarschijnlijk was ze al tegen de veertig, sliep ze eens bij iemand op de bank, en die bood haar crack aan.

„Ik probeerde het, vond het heel lekker, en heb er echt geen spijt van.” Ze giechelt. „Ik heb écht geen spijt dat ik ben begonnen. Maar het is een raar leven, een snel leven, want je komt steeds aan geld door te bedelen. Tientje bedelen, tientje roken. Tientje bedelen, tientje roken.”

Orlanda praat snel, opgewonden, en onderbreekt dan even haar verhaal met een diepe zucht. Nostalgisch kijkt ze naar een punt in de ruimte. „Crack”, zegt ze, alsof ze het over een oude geliefde heeft. Met geheven wijsvinger: „Als ik vrijkom laat ik me gelijk afzetten bij mijn oude opvang. Daar hebben ze wel wat voor me.”

Ingang Zuid-1 van de penitentiaire inrichting Zwolle.

‘Hoe krijg ik anders een huis’

Zonder enige twijfel behoort Orlanda tot het kamp ‘dames-ongemotiveerd’. Ze is niet de enige die bij binnenkomst duidelijk heeft gemaakt niet te willen meewerken aan het programma maar wél verwacht dat de PI een woning voor haar regelt aan het eind van de twee jaar. Net als voor reguliere gevangenen zonder netwerk helpt personeel, samen met gemeenten, mee bij het zoeken naar een woonplek voor ISD’ers – maar ze kunnen geen garanties bieden.

Dat tempert de verwachtingen niet. In de PI Zwolle zit ook een gedetineerde van in de veertig die net zo lang delicten heeft gepleegd tot ze ISD kreeg. Zo is ze van de straat en onderweg naar een woning. „Want ja, ik heb iedereen opgebrand, elke hulporganisatie. Niemand wil me meer helpen. Dat snap ik ook wel.” Nu weigert ze mee te werken aan haar verslavingsprogramma en koerst af op twee jaar kale detentie. „Maar hoe krijg ik anders een huis?”

Voor gedetineerden zoals zij is de verwachting dat ze wel weer eens zullen terugkeren in de ISD. Maar ook de anderen, de gedetineerden die wél meedoen aan de behandeling, de doorstroom naar een kliniek en de begeleiding naar een bestaan zonder drugs en delicten, keren nog wel eens terug naar de gevangenis. Uit landelijke cijfers blijkt dat ruim driekwart binnen twee jaar na vrijlating weer een misdrijf begaat. Nog eens twee jaar later is bijna 90 procent opnieuw gearresteerd.

In 2009, vijf jaar na de invoering, werd een hele reeks veranderingen in het ISD-beleid doorgevoerd om recidive tegen te gaan. Er kwam onder andere meer aandacht voor medische en psychiatrische diagnose van gedetineerden, voor het opleidingsniveau van personeel, en voor een betere overgang van de PI naar zorginrichtingen, met meer betrokkenheid van gemeenten. In de jaren daarna is het percentage ISD’ers dat na vrijlating terugvalt in hun oude gedrag juist gestegen. Tot dusver is daar geen verklaring voor gevonden.

In 2022 liet het WODC, het kenniscentrum van Justitie, onderzoek doen naar de staat van het landelijke ISD-programma. Het lijvige rapport is helder: sinds de invoering is het nooit uit de experimentele fase gekomen. De verschillende ISD-instellingen vullen de maatregel veelal naar eigen inzicht in – met grote verschillen tot gevolg, en de ondermaatse financiering leidt tot onzekerheid onder personeel. Daarnaast weten rechters er geen raad mee: sommigen vinden de straf veel te zwaar, of weten simpelweg niet wat het regime inhoudt.

Torenhoge veiligheidseisen

In theorie is de ISD vooral een behandelprogramma, met een grote nadruk op zorg en ondersteuning in plaats van straf, maar vaak ontbreekt gespecialiseerd personeel om dat mogelijk te maken. Het aanbod aan psychiatrische en pedagogische behandelprogramma’s – dat het verschil zou moeten maken tegenover reguliere gevangenisstraffen – komt op veel ISD-afdelingen niet of amper van de grond.

En zelfs al was er voldoende personeel, dan nog zou de zorg moeilijk uit te voeren zijn: alle ISD-afdelingen in Nederland zijn gehuisvest in een PI, waar voor iedereen dezelfde, torenhoge veiligheidseisen gelden. Iemand als Orlanda valt min of meer onder dezelfde beperkingen als levensgevaarlijke drugsbazen. Vrijheden of uitzonderingen die deze groep goed zouden doen, kunnen vaak niet worden toegezegd omdat het belang van een streng, eenduidig beleid voor álle gevangenen voorop gaat.

Een voorbeeld: de ISD-vrouwen kregen onlangs een extra uurtje in de week om ’s avonds te luchten. Na vijf uur is er minder personeel, dus om dat mogelijk te maken werd besloten hen zonder toezicht de luchtplaats op te laten gaan. Na verloop van tijd kwam de afdeling veiligheid van de PI ertussen: stop ermee, want het is een risico. Zo kunnen gedetineerden via drones een telefoon ontvangen waarmee ze hun criminele organisatie zouden kunnen voortzetten. Dat de ISD’ers – winkeldieven en verslaafden die vooral een risico voor zichzelf zijn – helemaal geen criminele organisatie runnen, doet er niet toe. Voor de afdeling veiligheid is iedereen potentieel een geraffineerde beroepscrimineel, óók Orlanda.

De centrale vraag is of de ISD-maatregel überhaupt werkt om veelplegers op het rechte pad te krijgen. Die kan niet eenduidig worden beantwoord. Soms wel, vaak niet, en wat nou doorslaggevend is, weet niemand. Dat is bijzonder voor een zwaar middel waarmee iemand na relatief kleine vergrijpen twee jaar kan worden opgesloten. Het ISD-programma is, zo stelt het rapport, een ‘ondergeschoven kindje’ zonder overtuigende onderbouwing.

Vier jaar na publicatie van het WODC-rapport is er weinig veranderd. „Behalve dan dat er onlangs een landelijk handboek is verschenen”, zegt Edward. „Maar ja, we doen het al sinds 2005. Dat is gewoon een hele hoop uitproberen geweest, met een hoop avonturen. Nu beginnen we dat eindelijk een beetje uniform te maken.”

Ondertussen is de cel van de wegloper goed en wel opgeruimd. Alle betrokken autoriteiten zijn op de hoogte en de rust op de afdeling is teruggekeerd. In de teamruimte is het gezellig druk: een bewaarder tikt een rapport op de computer, een ander zet koffie, allerhande personeel komt binnenwaaien voor een praatje en stapt dan weer verder.

Een bewaarder vertelt tussen de bedrijven door wie er allemaal op de afdeling zitten. „Kijk”, zegt ze, „dit zijn alle veertien dames die we nu hier hebben.” Ze wijst naar een lijst van alle gedetineerden die aan de muur hangt. „Behalve zij dan, nu even.” Ze tikt op de pasfoto van de vrouw die er in het weekend vandoor is gegaan.

„Twee zitten vooral voor bedreiging, de rest voor diefstal. Vijf hebben echt flinke psychische problemen, en ze zijn denk ik bijna allemaal verslaafd.” En hoe zit het met verstandelijke beperkingen? Een collega die in de deuropening staat, slaakt een zucht. „Een hele hoop. En dan nog al het andere. Laten we over schulden maar niet beginnen.”

Luchtplaats van de afdeling voor vrouwelijke veelplegers.

Alleen maar ellende

De doorsnee gevangene op een reguliere afdeling heeft al meer zware problemen dan de gemiddelde Nederlander. Op de ISD-afdeling is dat verschil nog een slag groter. Het is waar dat de levensverhalen van de veertien vrouwen sterk uiteenlopen: ze zijn tussen de twintig en de zestig, de een zit voor het bedreigen van lokale politici, de ander voor vernieling en diefstal. Wat elk van hen heeft, is een intens bedroevende persoonlijke geschiedenis.

„Bij het merendeel van onze clientèle zie je dat, zo’n zwaar belast verleden”, zegt Hans. Hij zit met zijn handen om een kopje koffie gevouwen op zijn gedeelde kantoortje en spreekt kalm, met afgewogen woorden, over zijn werk als casemanager. Al vijf jaar lang begeleidt hij ISD’ers tijdens hun detentie en behandeling.

„Als je naar hun levens kijkt, zie je eigenlijk alleen maar ellende. Ze hebben thuis problemen, staan er vaak helemaal alleen voor, en als ze dan toch een man aan de haak slaan is het eentje die hen mishandelt of misbruikt.”

Die ellende gaat vaak generaties terug. Zo kwam een vrouw tijdens haar ISD-traject in een verslavingskliniek terecht, waar behandelaren haar aanmoedigden de band met haar familie weer op te bouwen. Een paar weken later kwamen haar moeder en zus langs. De één smokkelde drank naar binnen, de ander speed. Of, een ander voorbeeld: een gedetineerde zou vrijkomen, maar had geen plek voor haar spullen. Het voorstel was om die naar haar moeder te brengen, maar die bleek zelf ook in een gesloten psychiatrische kliniek te zitten.

Het maakt dat de problemen van ISD’ers bijna onbehandelbaar lijken. „Maar we mogen hen niet zomaar opgeven”, zegt Hans. „Ik zie het als de ultieme uitdaging om er toch iets van te maken, ook al weet ik dat het soms dweilen met de kraan open is. Het zijn allemaal mensen die recht hebben op een ander leven, die kans verdienen ze allemaal.”

De lat ligt begrijpelijkerwijs niet hoog onder de casemanagers. „Als ze meewerken, kan je echt dingen veranderen. Dan ga je van bijvoorbeeld dakloos en verslaafd naar een plekje bij de dagbesteding en in kaart gebrachte schulden”, zegt Hans. En alle betrokkenen op de afdeling zijn er nuchter over: lukt het de eerste keer niet, dan komt er waarschijnlijk een tweede ISD-traject. Dan mogen Hans en zijn collega’s het nog eens proberen.

Eén vrouw heeft vijf keer ISD opgelegd gekregen. In totaal viel ze tien jaar lang onder toezicht van justitie, een periode die ze goeddeels in de gevangenis heeft uitgezeten. Ze was bij de laatste keer al tegen de vijftig, en kwam toen pas tot het inzicht dat dingen „echt anders moesten”, legt een collega van Hans uit van achter haar bureau. Er werd een zorgboerderij voor haar gevonden, ergens in een uithoek van Nederland, ver weg van al haar foute vrienden. Nu zit ze daar al een paar jaar, zonder problemen. „En dat,” zegt Hans, „zijn natuurlijk de succesjes die wij onthouden – en nodig hebben.”

Tien jaar straf nodig hebben om te stoppen met stelen: het klinkt onwerkelijk, maar op de ISD verbaast het niemand. De afdeling is „het afvoerputje van justitie”, zoals een betrokkene het noemt. Het is het zwaarste middel dat de overheid kan inzetten bij veelplegers met fundamentele, soms onoverkomelijke problemen.

Geen van de betrokkenen verwacht dat er vanuit Den Haag gehoor wordt gegeven aan de kritiek uit het rapport van de WODC. De tekortkomingen van het ISD-programma kunnen immers nooit tot een ramp leiden: in het ergste geval komt er een winkeldief terug in de maatschappij. En eenmaal buiten de PI wordt die weer een probleem van de gemeente, de winkeliers, de daklozenopvang.

Toch eindigt elke discussie op hetzelfde punt: wat is het alternatief? Veelplegers zijn een groot probleem, veroorzaken torenhoge maatschappelijke kosten en hebben uiteindelijk hulp nodig – hoezeer ze die ook proberen te mijden. Er zijn enkele duizenden veelplegers die hulporganisaties, de rechtspraak en buurten enorm belasten. Daar moet toch íéts tegen worden geprobeerd.

„Er is goed nieuws en slecht nieuws”, zegt Edward twee weken na het eerste gesprek. Het slechte nieuws is dat de ontsnapte vrouw is teruggevonden maar wel meteen intensieve medische hulp nodig had. Het goede nieuws: Orlanda heeft een huis. In de woonvoorziening voor drugsgebruikers is toch nog een ander plaatsje vrijgekomen. Een van de bewoners moest het appartement uit. „Die is de gevangenis in.”

Een luchtplaats

Deze publicatie werd mede mogelijk gemaakt door een bijdrage van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Zorg

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next