Hel van het Noorden Vijfentwintig jaar geleden won wielrenner Servais Knaven vanuit het niets Parijs-Roubaix. Een terugblik op die aprildag vol regen en modder in 2001, door de ogen de van de verrassende winnaar.
Servais Knaven is kapot nadat hij in 2001 de wielerklassieker Parijs-Roubaix heeft gewonnen.
Het is even schrikken als Servais Knaven ’s ochtends de gordijnen open doet. Het raam van het oude, stoffige hotel in Compiègne is kletsnat, de lucht erachter onheilspellend zwart. Regen. De stress schiet Knaven meteen in het lichaam. Hij was er vanuit gegaan dat het vandaag droog zou zijn.
Een natte Parijs-Roubaix, zo weet iedere wielrenner, is een beproeving. Spekgladde kasseien. Modder. Waterplassen in de onverharde geultjes aan weerszijden van de weg. Eén verkeerde stuurbeweging en je ligt op je snufferd. En dan te bedenken dat dokkeren over vijftig kilometer aan Noord-Franse kasseienstroken bij droog weer al een aanslag is op je polsen, onderrug en schouders. Na afloop doet ieder botje in je hand pijn, soms dagenlang.
Het is zondag 15 april 2001, Servais Knaven is dertig jaar oud. Een ervaren beroepsrenner, maar geen groot winnaar. Hij is een keertje Nederlands kampioen geworden, heeft de Scheldeprijs gewonnen en de Ronde van Denemarken. Specialist in eendagskoersen, meestal in de rol van knecht. Zo ook dit voorjaar. Bij Knavens nieuwe ploeg, het Belgische Domo-Farm Frites, is klassiekerkoning Johan Museeuw de onbetwiste kopman.
De opdracht die Knaven heeft meegekregen van ploegleider Patrick Lefevere: goed van voren zitten, in de gaten houden waar Museeuw rijdt en hem zo nodig te hulp schieten. Johan moet het gaan doen – net als in 1996 en 2000, toen hij Parijs-Roubaix al eens wist te winnen. In het geval dat het anders loopt, mogen zijn ploeggenoten rijden voor eigen kansen. Maar dat is voorlopig alleen de theorie.
Goed van voren zitten. Klinkt eenvoudig, maar nergens is dat zo moeilijk als in Parijs-Roubaix. Als de kasseienstroken eenmaal beginnen, na 100 van de 260 kilometer, verandert de koers in één groot gevecht. Naast elkaar rijden is praktisch onmogelijk op de secteurs, het peloton gaat op een lint. Zit je te ver van achteren, dan kost het bakken met energie om weer naar voren te rijden – als dat überhaupt al lukt.
Bij nat weer kun je over de kasseien eigenlijk maar op één plek rijden: het midden van de strook – de ‘kroon’, zoals renners zeggen. Daar liggen de stenen nog enigszins recht, hebben ze het minst te lijden gehad onder de trekkers en hooiwagens die er de rest van het jaar overheen denderen. Door de geulen op de kant? Uitgesloten. Eén en al blubber, en door de plassen zie je niet of er gaten zitten.
Knaven weet het allemaal, want hij heeft ervaring. Het is zijn zevende Parijs-Roubaix. Bij de eerste keer, in 1995, wist hij meteen: dit is mijn koers. Rijden door de sombere mijnstreek van Noord-Frankrijk voelde voor hem als terugkeren naar de begindagen van het wielrennen, toen potige Flandriens op stalen fietsen over onverharde wegen harkten. Sindsdien kijkt hij ieder jaar uit naar de tweede zondag van april – en weet hij dat hij op die dag altijd wat extra’s kan geven.
Bij de eerste strook is er meteen een zware valpartij. Zeker tien renners gaan onderuit. Andrei Tchmil, winnaar in 1994, ligt erbij. Rolf Sörensen, een andere kanshebber, ook. Knaven niet, hij zit voor de val. Al vanaf de start voelt hij dat hij goede benen heeft. Hij is scherp en geconcentreerd, stuurt met zelfvertrouwen over de kasseien. Op de geasfalteerde tussenstukken kan hij telkens op adem komen. De regen en modder, die hem bij het opstaan nog zoveel stress bezorgden, deren hem nauwelijks. De wind – driekwart tegen – evenmin.
Eén ding baart Knaven wél zorgen: het Bos van Wallers. Op negentig kilometer van de finish, bij de voormalige kolenmijnen in het plaatsje Arenberg, draait het peloton de meest onbarmhartige strook op van Parijs-Roubaix. Schots en scheef liggen de keien daar, het is er smal, de uitwijkmogelijkheden zijn nihil. Elk jaar komen hier renners lelijk ten val. Als hij het Bos ongeschonden doorkomt, weet Knaven, is de grootste horde genomen.
De kopgroep met daarin Knaven (tweede van rechts) onderweg tijdens Parijs-Roubaix.
De groep vooraan is klein, hoogstens vijftien man. Knavens ploeg is goed vertegenwoordigd. Hij zit er. Wilfried Peeters, een trouwe knecht van Museeuw, zit erbij. Museeuw zelf is net weer komen aansluiten, nadat hij een lekke band heeft gehad. Hij is teruggebracht door zijn Estse ploeggenoot Romans Vainsteins. Dat uitgerekend deze renner dit klusje heeft geklaard, illustreert hoezeer Museeuw de nummer één is van Domo-Farm Frites: Vainsteins rijdt in de regenboogtrui, hij is wereldkampioen.
Daar is het Bos van Wallers. Ja hoor, een valpartij. Philippe Gaumont, een Franse renner, ligt er slecht bij. Even later ziet Knaven George Hincapie demarreren. Reden voor alertheid, want de Amerikaan – ploeggenoot van Lance Armstrong – is een kanshebber voor de eindzege. Hincapie pakt honderd, honderdvijftig meter op de rest. En dan glijdt hij weg en staat praktisch stil. Lekke band.
Terwijl Hincapie van de neutrale materiaalwagen een nieuw voorwiel krijgt, stuurt Wilfried Peeters om hem heen. Met een rotvaart dendert Knavens ploeggenoot over de kasseien naar de kop van de koers. Bij het verlaten van het Bos heeft hij al een halve minuut voorsprong.
De ontsnapping van Peeters verandert de wedstrijd in één klap, weet Knaven. Nu hun teamgenoot vooruit is, houden Knaven, Vainsteins en Museeuw zich koest. Wielerwet nummer één: achter je ploegmaten rijd je niet aan. Het kopwerk in de groep wordt gedaan door de rest – vooral Hincapie en Ludo Dierckxsens, een bonkige Vlaming die in het peloton bekend staat als niet al te snugger: gewoon rijden, niet nadenken. Dierckxsens is in het dagelijks leven goed bevriend met Peeters, maar rijdt bij een andere ploeg.
Na het Bos voelen de volgende secteurs als een makkie. Ze zitten al vierenhalf uur op de fiets, maar Knaven rijdt nog altijd makkelijk. In zijn bandjes zit weinig lucht. Vijf bar, in de edities ervoor reed hij met zesenhalf of zeven. Maar Domo is een echte klassiekerploeg en daar weten ze: in Parijs-Roubaix is een lagere bandenspanning beter. Dan voel je de klappen minder. Hoe harder je over de kasseien rijdt, weet Knaven, hoe makkelijker het gaat. Je vliegt er als het ware overheen.
Loerend over zijn bril trotseert Knaven de elementen op de spekgladde kasseien tijdens Parijs-Roubaix in 2001.
Op kop geeft de eenzame vluchter Peeters alles, al veertig kilometer lang. Dit is zijn laatste seizoen als wielrenner, vijftien jaar lang heeft hij in dienst gereden van anderen. Wat zou het mooi zijn voor hem om nu te winnen. In de groep – ze zijn nog met een man of tien – hengsten Hincapie en Dierckxsens nog steeds op kop.
Naast Knaven duikt Léon van Bon op, uit de Mercury-ploeg. Ze kennen elkaar goed: als junioren hebben ze samen in de nationale baanselectie gezeten – ze waren kamergenoten. Van Bon heeft niet de beste benen meer, hij staat op het punt om te lossen uit de kopgroep. „Weet je”, zegt Van Bon tegen Knaven, „zoals jij vandaag rijdt, kun je winnen. Je moet straks zorgen dat je de eerste bent die weg is.”
Knaven antwoordt niet, maar de woorden van Van Bon blijven hangen in zijn hoofd. Het kán. Hij voelt zich nog altijd uitstekend. Kiest steeds de juiste lijn over de kasseien, reageert telkens een tiende van een seconde sneller dan normaal. Dat lijkt weinig, maar het scheelt algauw anderhalve meter. Precies het verschil tussen wel of niet een wegslibbende mederenner ontwijken. Wel of niet je kont van het zadel oplichten zodat je niet met je volle gewicht door een gat rijdt.
Ai, Knaven heeft een lekke band. Ze zijn op Mérignies à Avelin, een korte kasseienstrook, een kilometer of veertig voor de finish. Hij merkt het meteen, toch voelt hij geen paniek. Aan het einde van strook stopt hij direct. Hand omhoog voor de neutrale wagen. Nieuw achterwiel erin. In het zog van zijn ploegleiderswagen rijdt hij terug naar de kopgroep. Nog voor ze de volgende strook bereiken, zit hij weer vooraan.
Daar heeft de noeste arbeid van Ludo Dierckxsens zich eindelijk uitbetaald. Peeters is in zicht op de twee-na-laatste kasseienstrook, de Carrefour de l’Arbre, halen ze hem bij. Zeventig kilometer heeft Peeters’ vlucht geduurd, nu is het voorbij. De koers ligt weer helemaal open.
Knaven kijkt om zich heen. Van Bon is weg. Dierckxsens ziet er uitgeput uit, van de inspanning, de blubber, de wind. Bij Hincapie lijkt het beste er ook af. De overige drie renners zijn van Knavens eigen ploeg: Museeuw, Vainsteins, Peeters. Vier tegen twee – een numeriek voordeel dat ze móeten verzilveren. Nog vijftien kilometer te gaan.
„Demarreren!”, hoort Knaven in zijn oortje. „Wilfried en Servais, om en om.” Dat is ploegleider Marc Sergeant, vanuit de auto. Knaven versnelt. Hij pakt een meter of twintig, maar Hincapie haalt hem terug. Een kilometer verder probeert Knaven het nog eens. Opnieuw is daar Hincapie. En dan, vlak voorbij de spoorwegovergang in Chereng, gaat hij voor de derde keer. Nu is er een gat. Rijden, niet achterom kijken. Museeuw, Peeters en Vainsteins zullen niet meedoen aan de achtervolging, dat weet hij. Wielerwet nummer één.
Servais Knaven direct nadat hij in 2001 Parijs-Roubaix op zijn naam heeft geschreven.
Nog tien kilometer te gaan. Langs de kant juichen de wielerfans hem toe. Het is gestopt met regenen, de modder op zijn gezicht is opgedroogd tot een donkerbruin masker waaruit een mond en twee oogjes steken. ‘Caked in mud’, zoals de Britse wielercommentator Phil Liggett het treffend omschrijft. Zijn zonnebril heeft Knaven al de hele dag op het puntje van zijn neus staan, zodat hij eroverheen kan kijken.
De laatste kasseienstrook: Willems à Hem. Een gevaarlijke plek: het jaar ervoor is hij hier lek gereden. Hennie Kuiper, de laatste Nederlandse winnaar van Parijs-Roubaix, overkwam hetzelfde in 1983. Knaven kent de beelden: Kuiper in de berm, wanhopig zwaaiend naar de materiaalwagen. Ieder jaar spoken ze hier door zijn hoofd.
Knavens band blijft heel. Zijn voorsprong wordt alleen maar groter, hoort hij in zijn oortje. Als hij Hem achter zich heeft gelaten, weet hij: ik ga winnen. Nog een stukje vals plat omhoog dat voelt als Alpe d’Huez en hij is in Roubaix. Daar is de beroemde wielerbaan al. Als hij het velodroom opdraait, heeft hij nog de tegenwoordigheid van geest om de modder van zijn shirt te vegen, zodat de naam van de sponsor zichtbaar wordt. Hij geeft zijn soigneurs langs de kant een high five, op de finish spreidt hij zijn armen.
Daarna gaat alles als in een roes. De verzorger die hem naar het middenterrein brengt, de meute journalisten die hen omringt wegduwend, zo ruw dat twee fotografen op de grond vallen. Het washandje waarmee de modder van zijn gezicht wordt gehaald. De grote warme jas die ze hem aantrekken.
Niet iedereen is blij met de verrassende winnaar, zo merkt hij al gauw. Knavens kopman Museeuw – hij wordt tweede – komt hem feliciteren, maar zal in de jaren erna zeggen dat hij liever zelf had willen winnen: „Ik heb de ploegentactiek gerespecteerd.” Wereldkampioen Vainsteins – derde – vindt dat de kopgroep bij elkaar had moeten blijven om hem te laten sprinten voor de zege.
En Wilfried Peeters, de man die zeventig kilometer eenzaam op kop reed om uiteindelijk als vijfde te finishen? Die is ontgoocheld. Vooral over Ludo Dierckxsens (zesde), die twee uur lang als een bezetene achter hem aan reed. „Ge zijt bedankt hè, maat”, zal hij zijn vriend toebijten als ze elkaar tegenkomen bij de aftandse douches van de wielerbaan. De Vlaamse wielercommentator Michel Wuyts staat ernaast, en tekent zijn woorden op.
Knaven kust zijn gewonnen trofee, een kassei.
In de eerste maanden hangt de onvrede van Knavens teamgenoten als een schaduw over zijn zege. In de ploeg zullen ze het onderling nooit meer over die dag hebben, hoogstens grappend. De chauvinistische Vlaamse kranten schrijven dat hij de overwinning van Museeuw gestolen heeft. Nog altijd moet Knaven – hij woont in België – aan mensen uitleggen dat hij de boel die dag niet geflikt heeft.
’s Avonds is er een feestje van de ploeg in het Parkhotel in Kortrijk, met de sponsoren. Knaven arriveert laat want het duurt ontzettend lang voordat hij kan plassen bij de dopingcontrole. Na afloop rijdt hij in zijn eentje door naar zijn huis in Hoogstraten, vlak over de grens bij Breda. De buren hebben de straat versierd met slingers en ballonnen.
Parijs-Roubaix 2001 is de mooiste zege uit zijn carrière, zegt Servais Knaven. Mooier nog dan de Touretappe die hij het jaar erop zou winnen. Zijn favoriete koers, onder zulke barre omstandigheden. Vijfentwintig jaar later wordt hij in Frankrijk nog altijd op straat herkend. Komen er mensen met een foto op hem af en vragen om een handtekening.
Echt veranderd heeft die dag hem niet. Vedettegedrag is hij nooit gaan vertonen – zo steekt hij niet in elkaar. Knaven zou nog tot zijn 38ste blijven koersen. Hij reed de Hel uiteindelijk zestien keer. Elke kassei kent hij, iedere bocht, elke boerderij langs het parcours.
Winnen deed hij nooit meer, al had hij een tijdlang het gevoel dat dat móest, om te bewijzen dat zijn zege geen toeval was geweest. Maar van al die zestien edities haalde hij wél de finish – een record dat hij deelt met de Belg Raymond Impanis en de Australiër Mathew Heyman.
Sinds zijn wielerpensioen is Knaven elk jaar naar Parijs-Roubaix blijven komen. Eerst veertien seizoenen als ploegleider – de zege die Dylan van Baarle in 2022 onder zijn leiding behaalde, was mooiste dag uit zijn ‘tweede’ wielerleven. Sinds vorig jaar zit hij achter het stuur van de neutrale materiaalwagen.
Wat Knaven heel bijzonder vindt: van zijn vier dochters – ze zijn allemaal wielrenner geworden – hebben er twee óók Parijs-Roubaix gereden. De derde, Senna, doet dit jaar mee.
Knaven zelf zal er ook weer zijn, voor de 31stekeer. En als hij langs de spoorwegovergang bij Chereng rijdt, zal hij weer eventjes denken aan die aprildag in 2001.