Albums van de week In ‘The Tokyo Sessions’ speelt saxofonist Benjamin Herman scherper, vrijer en minder gebonden aan conventies dan anders. Op ‘Guns Out’, het vierde album van het Rotterdamse Iguana Death Cult, klinkt een spervuur aan muzikale stijlen, van gejaagd gitaargeraas en gedreven 1-2-3-4-punk tot wave, dance, krautrock, trage gothic surf en een schattig slaapliedje.
We duiken Tokio in, maar beslist niet de toeristische ansichtkaart-versie. Saxofonist Benjamin Herman gidst ons door de pulserende ondergrondse muziekscene in alternatieve wijken als Shimokitazawa en Koenji, waar muziek in vele clubs en kelders leeft, waar vinyl heilig is en jazz, noise en punk elkaar vinden in een sfeer die even hip eclectisch is, als rauw en onvoorspelbaar.
Het moest er maar eens uit, vond Herman: zijn jarenlange obsessie met Japan. Sinds zijn eerste bezoek op zijn negentiende is Tokio voor hem geen bestemming maar een staat van zijn. Hij voelt er hoe jazz niet alleen wordt gespeeld, maar geleefd. Met zijn trio streek hij neer in de vermaarde analoge kelderstudio Dede voor ruim een week intensieve opnames, samen met Japanse muzieknamen als gitarist Otomo Yoshihide, tenorsaxofonist Tomoaki Baba en fluitist Akihito Obama.
Wat Herman typeert, is zijn ontembare drang tot vernieuwing. Hij wil niet in herhaling vallen en daagt zichzelf steeds weer uit: van avant-garde tot straight ahead, van punkjazz tot lichte easy listening. In deze nieuwe stap dompelt hij zich onder in de J-jazz underground, een collage van elektronica, diepe grooves, samples en vurige improvisaties, verweven met traditionele Japanse klanken. De titels verraden zijn route: obscure clubs, nachten in luisterbars, plekken waar hij at, sliep en de vriendschappen die hij sloot.
Japan brengt iets anders in de Brits-Nederlandse muzikant naar boven: scherper, vrijer, minder gebonden aan conventies. The Tokyo Sessions is geen oppervlakkige liefdesverklaring, maar een gelaagde verkenning van experiment en vrijheid. Waar de energie vanaf spat: er is turbojazz die aanjaagt, met onverwachte erupties en rafelige randen. Hermans sax vervormt en echoot via effectpedalen, kaatst terug op zichzelf, soms haast ergerlijk herhalend.
In meer uitgewerkte stukken duiken improvisaties op die ruw en compromisloos zijn, balancerend op het randje van noise. Daar tegenover staan filmische passages, gedragen door melodieën die blijven hangen. In dat spanningsveld wisselen de rollen voortdurend: bassist Thomas Pol houdt het geheel strak en alert bijeen, terwijl drummer en producer van deze plaat, Jimmi Hueting, het ritme telkens een nieuwe gedaante geeft.
Heel cool: hoe in ‘NRFS’ de saxofoonbattle met Tomoaki Baba wordt gevangen in een elektronisch raamwerk dat knispert en explodeert. Meer nuance komt in een traditioneler stuk als ‘Kazegafuku’ („de wind waait”). Een open, bijna meditatieve klankwereld met de betoverende adem van de traditionele shakuhachi-fluit – krachtig na alle turbulentie. En ook de sho (een mondorgel) klinkt subtiel in ‘One for Itsuno’.
Hermans trio is nu op tournee. Live vertaalt dit alles zich naar een set die even dynamisch als grillig is, voorafgegaan door boeiende beelden. Hermans tweelingbroer, filmmaker en fotograaf Jonathan Herman was fly on the wall bij het opnamesproces. Met de Japanse toetsenist Big Yuki, een geestdriftige alchemist op toetsen en vleugel, ontstaan zowel uitbundige erupties als verfijnde texturen. Riemen vast!
Amanda Kuyper
Concert: 11/4 The Tokyo Sessions (met film vooraf ) in het BIMhuis, Amsterdam.
Iguana Death Cult
Guns Out
Deze recensie is eigenlijk nutteloos. Iguana Death Cult heeft namelijk net een van de moeilijkste levels van de muziekindustrie uitgespeeld. De Rotterdamse rockband kreeg vorige maand (1) een gratis aanbeveling in de schoot geworpen van (2) een levende legende op (3) een massamedium met gigantisch bereik.
Iggy Pop, oervader van alle opstandige (proto tot post-)punkers wereldwijd draaide tijdens zijn radioshow op de BBC radio niet één of twee, maar zelfs drie van hun nummers achter elkaar en raakte niet uitgepraat over de schrijfkwaliteiten en „very interesting stuff” van de vijfkoppige „oerband uit de Rotterdamse scene, in Neee-der-land”.
Oké, zijn lofzang („It’s noisy. It’s also really precise and clever. It got me on a Rotterdam kick!”) ging weliswaar over nummers van het derde album Echo Palace, maar ook bij de vrijdag verschenen opvolger Guns Out kan Pop zijn vingers aflikken. Want precies zoals in zijn eigen pionierende hoogtijdagen in The Stooges kan Iggy daarop horen hoe zijn volgelingen uit de Lage Landen met minimale middelen maximale resultaten behalen.
Ook zanger-gitarist Jeroen Reek heeft vaak aan een handjevol woorden al genoeg om drie coupletten te vullen. Dan stamelt hij gewoon tientallen keren: „I Like It, It’s Nice”. Is het een symbool voor gemakzucht en verveling, een aanklacht tegen overproductie en massaconsumptie, of allemaal tegelijk? Of moeten we dat juist zelf maar uitmaken? Wat het ook moge zijn: de slogan blijft malen in je hoofd, en helemaal als het nummer aan het eind van de plaat nogmaals terugkeert als remix.
Een (post)punk- of garagerockband kun je Iguana Death Cult allang niet meer noemen. De titel Guns Out is een statement dat het spervuur aan muzikale stijlen die de band afschiet perfect samenvat: naast het gejaagde gitaargeraas en gedreven 1-2-3-4-punk (‘Reckless Running’) klinkt evengoed wave, dance, krautrock, trage gothic surf (‘Lazarus’) of zelfs een schattig slaapliedje (‘Deflated’).
Het titelnummer begint met een knipoog naar de iconische baslijn van ‘Block Rockin’ Beats’ van The Chemical Brothers (die dat op hun beurt weer jatten van The Crusaders), maar explodeert al snel in een wervelwind waarin chaotische drums, schelle Gang of Four-gitaren en bruisende synthesizers om aandacht vechten en Reek – zingzeggend, brullend, croonend, lallend en fluisterend – alle registers opentrekt.
Zijn gemoedstoestand balanceert ergens tussen bluf en onzekerheid, branie en wanhoop. Het ene moment verklaart hij stoer schijt te hebben aan alles en iedereen (‘Heavy Weight Champion of the World’), maar het volgende moment staat hij huilend onder de douche (‘Supreme Leader’).
Die emotionele gespletenheid waarin ernst, ironie, angst en humor elkaar afwisselen, weerklinkt ook in de muziek waarin plotseling melige percussiepartijen, oubollig piepende orgeltjes en lallende zeemansrefreinen opduiken. In ‘Low’ klaagt Reek dat hij klem zit: terwijl hij nog met volle teugen geniet van zijn rock-‘n-rollbestaan, leiden (of beter: lijden) zijn vrienden inmiddels negen-tot-vijf-levens als doodsaaie modelburgers. Iggy had het niet beter kunnen verwoorden.
Frank Provoost