Home

De man naast mijn bed zagen ze wel. Hem zagen ze wel

Tijdens mijn zwangerschap van mijn oudste kind ontdekten we het ding, een blaasje gevuld met vocht, ontsproten aan een eierstok. We hielden het met tussentijdse echo’s in de gaten. Het was vast niet kwaadaardig, maar, zo zei mijn gynaecoloog, het mocht ook niet aan de zwier gaan en zich om een eierstok wikkelen. Ik zou, zo vertrouwde ze me toe, direct weten als het zo ver was. Een torsie. Dat laatste fluisterde ze bijna. De pijn zou misschien wel erger dan baren zijn.

De cyste werd er, toen mijn zoon drie maanden was, uitgehaald door een echte vakvrouw. De operatie duurde, zo begreep ik later, onnodig lang: drieënhalf uur. Na afloop kwam de vakvrouw me, terwijl ik misselijk in het ziekenhuisbed lag, opgewekt vertellen dat het allemaal gelukt was. De cyste afpellen was toch ook een soort van cadeautje geweest. Voor haar. Ik had wel heel veel bloed verloren, misschien wel een liter. Maar: het zou binnen een week allemaal pico bello in orde komen. Mijn borstvoeding stagneerde in de dagen daarna. Ik was nog maanden afgepeigerd.

De tweede keer klapte ik thuis zomaar dubbel van de pijn en wist ik direct wat er aan de hand was. In het ziekenhuis bleven ze hameren op een niersteen. ‘Nee’, zei ik, grijs. ‘Geloof me nou, het is een torsie aan een cyste. Kijk in mijn dossier.’ ‘Nee mevrouw, met een torsie zou u nu liggen krijsen’, zei de jonge mannelijke arts en duwde nog eens op de plek waar het brandde. ‘Help me nou’, ijlde ik, onder de morfine. Toen de arts zei dat hij zo terug zou komen, legde Willem een hand op zijn mouw.

‘Ik denk dat jullie een foto moeten maken’, zei hij laag. En toen, warempel, werd ik naar de echokamer gereden en diezelfde middag nog geopereerd aan de cyste, die zich twee keer om mijn ovarium had gewikkeld. Ze konden de eierstok nét redden.

De derde keer dat ik een cyste had was ik zwanger van mijn tweede kind. Nadat hij op de wereld was gezet kon ik niet meer rechtop lopen en had ik koorts. Ik werd opgenomen in het ziekenhuis, met de baby in een plastic wiegje naast me. ‘Cyste’, zei ik vermoeid. ‘Kijk maar in mijn dossier.’ Maar ze dachten dat het iets anders was, kraamvrouwenkoorts misschien. ‘Onzin. Dat zou je op de gang al ruiken’, zei mijn verloskundige samenzweerderig toen ze op bezoek kwam.

Ik kwam steeds meer in opstand tegen artsen en verpleegkundigen, maar kon geen kant op. Ik zat vast aan een infuus met antibiotica en voedde mijn kind ’s nachts in eenzame stilte.

‘Waarom luisteren jullie niet’, riep ik de volgende dag tegen een arts. Ze zei me dat ze hun eigen vermoedens toch echt moesten volgen. ‘Maar ze heeft al twee keer eerder een cyste gehad’, zei Willem daarop. Schoorvoetend werd toch een operatie ingepland.

Toen ik wakker werd zei de chirurg vrolijk dat de cyste dit keer nogal groot was geweest. Groter dan het kind dat ik gebaard had. ‘Geen wonder dat je niet kon lopen.’ De eierstok was volledig ontstoken en verpletterd, maar ja. Ik had toch ook al twee kinderen.

Nu, vijf jaar later en aan de andere kant van de ziekenhuisdeuren, komt deze gang van zaken me absurd voor. Hoe ik aanvankelijk, als meegaand meisje, zo gezeglijk, met slimme vragen en complimenten voor de artsen, geen invloed had op mijn behandeling. Hoe ik in de jaren daarop steeds meer mijn intellectuele kracht en mijn onverzettelijkheid inzette om ze tot luisteren te bewegen. En hoe ik ook toen ervoer dat ik, in dat ziekenhuishemd, ontdaan van alles waar ik in het dagelijkse verkeer mezelf mee wapen, onzichtbaar was.

De man naast mijn bed zagen ze wel. Hem zagen ze wel.

Er is maar één vraag die door mijn hoofd blijft spoken. Als ik deze ontluistering al zo aan den lijve heb ervaren, hoe moet dit dan met vrouwen die mijn woorden niet hebben?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Zorg

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next