Reddingsmissie Wat als Nederlandse piloten in vijandig gebied terechtkomen? Zonder de VS mist Nederland eigen search-and-rescue-capaciteit. „In Europees verband kunnen wij alle taken uitvoeren, maar niet één land heeft alle elementen zelf.”
Een Amerikaanse CSAR-eenheid tijdens een nachtelijke oefening in Koeweit om de piloot van een in zee gestort vliegtuig te redden.
Twee schietstoelen, twee parachutes. De piloot werd snel gered. Voor de andere vlieger van de Amerikaanse F-15E die op 3 april boven Iran werd neergeschoten, duurde het twee dagen voordat militaire redders hem in veiligheid konden brengen. Ondanks een gebroken enkel wist hij in bergachtig gebied uit handen te blijven van de Iraniërs die hem zochten.
Die tweede man, verantwoordelijk voor de wapensystemen aan boord, had geluk. Je kunt ook zeggen dat zijn training en de reddingseenheden die permanent gereed staan hun werk perfect hebben gedaan.
Buiten de directe redding door special forces met helikopters vragen zulke operaties enorme steun vanuit de lucht: bij dreigingen vanaf de grond, luchtdoelen, voor elektronische oorlogvoering, voor bijtanken in de lucht en ter bescherming van de redders.
Het roept de vraag op: wat gebeurt er als Nederlandse militaire vliegers of andere air crew in vijandig gebied zouden terechtkomen? „Anders dan de Verenigde Staten heeft de Nederlandse krijgsmacht geen capaciteiten om zelfstandig Combat Search And Rescue (CSAR) uit te voeren”, zegt een defensiewoordvoerder. „We kunnen dit alleen in coalitieverband.”
Bij Amerikaanse operaties is CSAR kant-en-klaar ingebouwd. In NAVO- of ander verband, zeker zonder de VS, is het een bouwpakket. Voor een missie overleggen coalitiegenoten wie welk element inbrengt. „Nederland zou nu in theorie commando’s, helikopters of jachtvliegtuigen kunnen aanwijzen voor zo’n CSAR-taskforce”, zegt de woordvoerder.
Het 300 Special Operation Squadron op vliegbasis Gilze-Rijen, met ‘eigen’ helikopters voor special forces – nu nog de oude Cougar in afwachting van de capabeler Caracal vanaf 2030 – lijkt onder meer met dat doel in 2024 te zijn (her)opgericht.
Tijdens de VN-missie in Mali, waar Nederland van 2014 tot 2019 meedeed, waren militaire zoek- en reddingsoperaties vooral een Franse taak. Voor de twee Nederlandse vliegers die omkwamen toen hun Apache-helikopter door een mechanisch defect neerstortte, waren ze sowieso te laat geweest.
Tijdens VN-operaties in voormalig Joegoslavië in de jaren negentig viel CSAR onder de NAVO, met grote Britse en Franse inbreng. Maar de VS voerden er de belangrijkste reddingen uit, ook omdat een Amerikaanse F-16 en F-117 Stealth-vliegtuig werden neergeschoten. Europese NAVO-landen leunen nog steeds op ‘grote broer’ VS. Als ze ooit alleen verder moeten, zullen ze ook een eigen capaciteit moeten opbouwen die speciaal is ingericht voor militaire zoek- en reddingsoperaties.
„In Europees verband kunnen wij alle taken van een CSAR-operatie uitvoeren, maar niet één land heeft alle elementen zelf”, zegt Bart Holewijn, oud-luitenant-kolonel bij de Koninklijke Luchtmacht, internationaal CSAR-opleider en oud-voorzitter van de NAVO-werkgroep voor ‘personnel recovery’ – het in veiligheid brengen van personeel.
„Je moet het goed optuigen”, zegt hij. „Je spreekt bijvoorbeeld af dat de Britten transporthelikopters leveren en Nederland Apache-helikopters voor vuursteun. Je hebt een hoofdkwartier op één plaats nodig en je moet eerst samen oefenen. Als iedereen dezelfde NAVO-procedures volgt, kun je het afstemmen.”
Dat is de theorie. Taal- en cultuurverschillen en nationale ego’s kunnen voor ‘ruis’ zorgen. Dat ondervond Holewijn toen hij personnel recovery (het terughalen van vermist personeel) coördineerde tijdens de NAVO-operatie in Libië in 2011.
Leden van taskforce Ranger – een Amerikaanse speciale eenheid die in 1993 in Somalië werd ingezet – liggen onder vuur in hoofdstad Mogadishu.
Hij heeft de lange ontknoping van de reddingsoperatie in Iran ademloos gevolgd. „Het is een vuistregel dat je een probleem hebt als je niet binnen 24 uur gered wordt”, zegt hij.
Een piloot moet laten weten dat hij of zij nog leeft, waar hij zich vermoedelijk bevindt, en de periode tot aan de redding zien te overleven. Daartoe krijgen westerse vliegers, ook Nederlandse, een zogeheten SERE-opleiding; Survival, Evasion, Resistance and Extraction.
Weten hoe je noodbaken en -radio werken, je oriënteren, water vinden, je kunnen verschuilen – het zijn existentiële vaardigheden die je ook in kou of extreme hitte moet oefenen.
„Het belangrijkst is mentale voorbereiding”, zegt Holewijn, die tot 2013 de Nederlandse SERE-school leidde. „Stress doet rare dingen met je. Soms raakt iemand volkomen gedesoriënteerd maar is ervan overtuigd dat hij in de goede richting gaat.”
Tot de standaardvoorbereidingen horen ook controlevragen voor identificatie. Wat was de kleur van je eerste auto? Waar heb je je vrouw ten huwelijk gevraagd? Alles om te voorkomen dat redders niet in een val worden gelokt.
Codewoorden en radiofrequenties van een missie verlopen na enkele uren, daarna is zulke informatie voor de vijand sowieso nutteloos. Maar politiek kunnen gestrande vliegers worden uitgebuit. In de Golfoorlog van 1990-1991 paradeerde Irak twee – mishandelde – Britse gevechtsvliegers op tv om de steun aan het thuisfront te ondermijnen. En na de desastreuze operatie in Mogadishu, ‘Black Hawk Down’, waarbij in 1993 achttien commando’s omkwamen, bouwden de VS hun aanwezigheid in Somalië razendsnel af.
Een vermissing brengt op een hoofdkwartier meteen alles in beweging en de rest wordt bijzaak. ‘We’ll leave no one behind’, dat idee geeft een gestrande piloot – alleen, bang, koud, misschien gewond – enorme steun, zegt Holewijn. Het is ook een goed ‘contract’ met iemand die je de oorlog in stuurt. „De wetenschap dat echt alles in het werk wordt gesteld om je op te pikken, helpt gevechtspiloten risico’s te nemen.”