Filosofie Joanna Stalnaker, een groot kenner van de Verlichting, schreef The Rest is Silence over de toekomstperspectieven van een handvol helden van de Verlichting vanaf hun sterfbed. Dat levert een minder opgewekt beeld op.
Illustratie van de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau op het moment dat hij zijn laatste woorden zou hebben uitgesproken: ,,Mijn lieve vrouw, doe mij het plezier het raam te openen zodat ik het geluk heb nogmaals het groen te zien. Hoe mooi is het! Wat een zuivere en serene dag is het!"
Joanna Stalnaker: The Rest is Silence. Enlightenment Philosophers Facing Death. Yale University Press, 282 blz.
Toen Frankrijks meest gevierde natuurwetenschapper, Graaf de Buffon, op 16 april 1788 aan nierstenen stierf, pleegden artsen geheel in de geest van de Verlichting autopsie op zijn lichaam. Men vond maar liefst zevenenvijftig stenen in de linkernier en in de blaas. Ze werden, evenmin ongebruikelijk in deze tijd, aan kennissen en collega’s cadeau gedaan.
De stenen waren een waarschijnlijk onbedoeld grappige illustratie van Buffons opvatting over verouderen en sterven. De bioloog, botanist, geoloog en filosoof meende dat levende organen al snel begonnen met verstijven, verkalken, verstenen of verbenen. In zijn laatste werk, de Natuurlijke geschiedenis van mineralen (1783-1788) schetste hij hoe planten verhouten en ten slotte verharden tot mineralen, hoe lichamen al bij leven verdrogen en verkalken en in latere tijden weer als fossielen in de aardbodem kunnen worden aangetroffen.
Joanna Stalnaker, een groot kenner van de Verlichting, schreef The Rest is Silence nadat ze zelf dankzij een hersenoperatie tenauernood aan de dood was ontsnapt. Hierdoor geïnspireerd leest ze Buffons boek als zijn testament. Hij geloofde dat de aardbol geleidelijk afkoelde en zijn omvangrijke werk kwam ten einde, tegelijk met zijn leven. Niet dramatisch, als een harde knip, eerder als een traag, al vroeg ingezet proces van ‘ossificatie’. Alles stierf volgens hem langzaam af en uit.
Zulke discussies over het sterven werden een paar jaar later – je zou bijna zeggen: op het scherpst van de snede – door omstanders bij de guillotine op de Place de la Revolution (nu Place de la Concorde) nog eens overgedaan. Was die op doktersvoorschrift ingevoerde guillotine wel zo’n humane executievorm? Hoe plotseling was de dood, liep een met sabel onthoofde kalkoen niet ook nog een poosje door?
De eraan voorafgaande Verlichting wordt meestal opgevat als een periode van hoop, van geloof in een betere toekomst, als voorafschaduwing van onze tijd van maakbaarheid en technische vooruitgang. Deze positieve blik bood compensatie voor het christelijke vertrouwen in een hiernamaals, waar de verlichte denkers korte metten mee hadden gemaakt. Maar hadden ze wel zo’n rooskleurig beeld van hun voortbestaan? The Rest is Silence beschrijft de toekomstperspectieven van een handvol helden van de Verlichting vanaf hun sterfbed. Dat levert een minder opgewekt beeld op. In dit boek staan ze met een mondvol tanden tegenover de dood.
Aan het slot zie je de hoofdrolspelers voor je: de triomf van de rede heeft zijn glans verloren, optimisme is betekenisloos geworden, de onverschrokken profeten van het beheersbare leven blijken breekbaar als fijn kristal en hun dromen verpulveren waar je bij staat. Ze sterven zonder uitzicht op wat dan ook. Alleen, klopt het wel? Of projecteert de schrijver eerder haar eigen, in het voorwoord beschreven, recente ervaringen met kwetsbaarheid en doodsdreiging?
Fascinatie voor de manier waarop de verlichte helden stierven stamt al uit die tijd zelf. Het was de vraag of spotzieke, sceptische geesten als David Hume en Voltaire op het moment suprême de rug recht zouden houden. Dat deden ze meer dan Stalnaker suggereert. Hume was ironisch en sceptisch over zijn betekenis voor de eeuwigheid. In zijn laatste schrijven en spreken wiste hij daarentegen zichzelf en zijn toekomstige faam ook weer niet helemaal uit.
Van Voltaire duikt de schrijver twee late gedichten op. Een overdadige analyse ervan laat zien hoe nihilistisch Voltaire zich daarin uitlaat over de toekomst van zijn nalatenschap. Maar hoe representatief zijn ze, mag je in een gedicht nooit eens lekker negatief uitpakken? Het gaat Stalnaker in dit betoog eigenlijk om iets anders, om het bewijs namelijk dat de door de geschiedenis veronachtzaamde Madame Duffand hier Voltaire op zijn sterfbed tot haar nihilisme bekeerd zou hebben.
Het is belangrijk om vrouwen een rol in de geschiedenis van de Verlichting te geven die hen destijds nauwelijks werd gegund, maar deze aanpak draagt weinig bij aan hun geloofwaardigheid. Overtuigender is het dan om, zoals hier gelukkig ook gebeurt, een apart hoofdstuk aan Duffand te wijden, naast Buffon, Diderot, Rousseau en Voltaire. De laatste bewonderde haar om haar sombere brieven, doorspekt van existentiële verveling, pessimisme en minachting voor (andere) beroemde tijdgenoten.
Zij vergeleek haar ennui met een lintworm die geest en lichaam van binnenuit langzaam opvrat. Haar toestand hing er vermoedelijk mee samen dat ze blind werd en dat haar arme nichtje, binnengehaald als protegé, een staatsgreep pleegde in haar salon door er zelf een te beginnen en bijna alle beroemde bezoekers mee te nemen, de grote D’Alembert voorop. Het maakte haar er niet vrolijker op. De natuur, zo schreef ze aan het eind van haar leven bitter aan haar beste vriend Horace Walpole, is veel beter in het vernietigen van lichaam en geest dan de rede in het vernietigen van onze doodsangst.
Het boeiendst is Stalnakers bespreking van Diderot, die in zijn laatste werk afgeeft op het egocentrisme van de pas gestorven Rousseau. Diens Bekentenissen waren nog niet verschenen maar de verwachte self exposure ten koste van zijn medefilosofen hing al als een donkere wolk boven de late Verlichting. Diderot was als persoon afweziger in zijn werk door vele stemmen te laten klinken, vaak in dialogen of gesprekken van verzonnen of bestaande personen. Hoopte hij dan helemaal niet voort te leven in de herinnering van anderen?
De ‘vitalistische materialist’ geloofde in drie niveaus van leven: dat van het hele dier, van de organen en tenslotte van de ‘moleculen’. Bij het doodgaan van een wezen zouden de laatste niet afsterven en in losse vorm blijven voortbestaan. De onsterflijke moleculen komen terug in de beroemde passage uit een brief aan zijn geliefde Sophie Volland. Hij hoopt dat de uiteen gevallen deeltjes van zijn lichaam zich ooit, eeuwen later, zullen verenigen met die van haar. Misschien is het een hersenspinsel, maar zou niet hun onderlinge affectie deze deeltjes opnieuw bij elkaar kunnen brengen? ‘Oh mijn Sophie,’ schreef hij op 15 oktober 1759, ‘voor mij blijft de hoop bestaan om je aan te raken, je te voelen, je lief te hebben, je te zoeken, mij met je te verenigen, mij met jou te laten samensmelten als wij er niet meer zullen zijn!’
In zijn ongeloofwaardigheid niet heel troostrijk, de toon echter wel. En zo is het met bijna alle denkers uit dit boek. Wanhopig in oog met de dood, maar schrijvers tot op het bot. Met hun repertoire van ironie, ambivalentie, melancholie, kwinkslagen, dwarsheid, vaak maffe theorieën en inktzwarte humor weigeren ze tot het laatste moment sprakeloos in de afgrond te staren.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews