Gezondheidsverschillen Door discriminatie en racisme functioneert de zorg niet voor iedereen, stelt een nieuw adviesrapport aan de overheid. De verschillen tussen mensen moeten minder nadruk krijgen, zegt de NCDR. Die verschillen zijn overigens niet volledig irrelevant, vinden onderzoekers: „Artsen moeten niet vragen naar etniciteit, maar naar voorouders uit bepaalde gebieden.”
Het NCDR-rapport signaleert "goed wat er speelt", vindt Alana Helberg-Proctor, antropoloog en universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam.
Het ‘ras van de patiënt’ wordt door sommige Nederlandse laboratoria nog steeds vermeld als een relevante factor bij het testen van de nierfunctie – ook al is hiervoor geen wetenschappelijke basis. Het valt Alana Helberg-Proctor (42), antropoloog aan de Universiteit van Amsterdam en expert in diversiteit en ongelijkheid in de gezondheidszorg en medische wetenschap al jaren op. Het ‘ras’ van de patiënt staat in sommige protocollen nog vermeld, omdat een hogere spiermassa de resultaten van de test kan beïnvloeden. Een verouderde Amerikaanse studie uit 2018 verbond dat automatisch aan mensen met een donkere huidskleur waardoor niet hun spiermassa, maar hun etniciteit wordt vermeld door enkele zorginstellingen. In sommige openbaar beschikbare Nederlandse protocollen worden zij zelfs nog steeds als ‘niet-blank’ of zelfs ‘negroïde’ aangeduid.
Richtlijnen voor medici raden af om dit onderscheid en dit soort stigmatiserende termen te gebruiken. Zo verwijderden de Nederlands Huisartsen Genootschap en de Federatie Medisch Specialisten de afgelopen jaren niet-inclusieve en aanstootgevende termen over minderheidsgroepen uit de richtlijnen. Maar in de praktijk komen racistische en discriminerende termen nog vaak voor, schrijft de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) donderdag in een nieuw rapport.
‘Ras’ is nog steeds een gebruikelijk onderscheid in medische protocollen, signaleert de NCDR, „zonder grondslag”. Volgens de onafhankelijke regeringscommissaris zijn racisme en discriminatie diep verankerd in het Nederlandse zorgstelsel en daardoor werkt de gezondheidszorg niet goed genoeg voor iedereen, zo luidt de conclusie. Goede bedoelingen onder zorgmedewerkers en beleidsmakers zijn er genoeg, ziet de NCDR, maar om „structurele ongelijkheid in de zorg te voorkomen en tegen te gaan” moet nog een hoop veranderen.
Volgens de NCDR zijn de problemen zo groot, dat „geen enkele organisatie of actor dit probleem zelfstandig kan oplossen”. De NCDR ziet discriminerende patronen „in alle zorgdomeinen”. Aanpassingen moeten plaatsvinden lesmateriaal, onderzoek en opleidingen voor artsen, op de werkvloer onder zorgmedewerkers, in protocollen, controlemechanismen en beleid en in zorgverlening richting patiënten. Daarvoor zijn „structurele hervormingen” nodig met samenwerkingen tussen mensen uit de hele zorgsector, geneeskundeopleidingen en beleidsmakers, luidt het advies.
Het rapport signaleert „goed wat er speelt”, vindt antropoloog Helberg-Proctor. De wetenschappelijke basis van de adviezen is volgens haar „sterk en breed”. Toen de onderzoeker in 2010 begon aan haar promotieonderzoek hoorde Helberg-Proctor nog vaak dat „racisme niet bestaat in Nederland, en al helemaal niet in ons zorgsysteem”. Dat bewustzijn is gegroeid, ziet ze. „Jonge artsen en verpleegkundigen stellen kritische vragen op hun opleidingen, wetenschappers produceren meer kennis, en naar minderheidsgemeenschappen wordt steeds meer geluisterd in de zorgsector.”
Ongeveer 670.000 zorggebruikers en 75.000 zorgverleners hebben in 2025 discriminatie ervaren in de zorg, bleek uit onderzoek van adviesbureau Verian in opdracht van VWS. De aantallen zijn volgens de onderzoekers nog een onderschatting. Deze mensen ervaren discriminatie, volgens het NCDR, „omdat zij niet passen binnen het impliciete normbeeld waarop het systeem is ingericht: dat van de cisgender, hetero, witte, valide man met een hogere sociaal-economische status.”
De NCDR stelt dat minderheidsgroepen tot vier keer vaker discriminatie in de zorg ervaren. Dat zijn volgens het rapport vooral mensen van kleur, moslims, LHBTI-personen, mensen met een beperking of overgewicht en mensen met een migratieachtergrond – met name Marokkaanse en Turkse Nederlanders. Zij worden consistent benadeeld door „vooroordelen, afstandelijke of denigrerende bejegening, medische aannames en beperkte ruimte voor eigen regie”.
Verder zijn diagnoses voor deze groepen vaker onjuist of komen traag tot stand, signaleert de NCDR. Ook worden tolken of andere middelen om taalbarrières te slechten niet genoeg gebruikt, en blijkt vaak dat zorgverleners zich niet voldoende kunnen verplaatsen in de leefwereld van deze patiënten. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat vrouwen met een migratieachtergrond bij borstkanker bijvoorbeeld minder vaak worden doorverwezen voor genetische screening, dat patiënten met een Marokkaanse achtergrond met darmkanker minder vaak de juiste chemotherapie ontvingen, en dat pijnklachten bij minderheidsgroepen niet altijd serieus worden genomen.
De NCDR roept het zorgsysteem op om samen te werken aan een structurele oplossing. Dat onderschrijft ook onderzoeker Helberg-Proctor. „Discriminatie uit zich op verschillende manieren in verschillende disciplines. In de dermatologie ziet het er anders uit dan in de geboortezorg.” Het huidspecialisme is bijvoorbeeld nog sterk ingericht op een lichte huidskleur, waardoor aandoeningen zoals psoriasis of eczeem op een donkere huid vaker worden gemist of niet goed worden behandeld.
Dat niet-witte mensen minder pijn ervaren bij de bevalling is een veelvoorkomend stereotype in de geboortezorg. Dat komt mede door literatuur uit de slavernijperiode, waar werd beweerd dat tot slaaf gemaakte vrouwen nog steeds goed konden bevallen na het ontvangen van tientallen zweepslagen, zo beschrijven historici Karwan Fatah-Black en Camilla de Koning in hun boek Ooggetuigen van de Nederlandse slavernij.
Hoewel dit soort stereotyperingen niet in geneeskundeboeken of richtlijnen voorkomen, circuleren ze nog wel op de werkvloer, weet Helberg-Proctor. De term ‘woestijnpijn’ is zo’n uiting, die door sommige zorgverleners wordt gebruikt om de pijnklachten van patiënten met een Midden-Oosterse achtergrond te minimaliseren gebaseerd op hun afkomst of cultuur, zegt de onderzoeker. De patiënten zouden zich aanstellen, een probleem zal er vast niet zijn.
De gevolgen voor de gezondheid van deze mensen zijn zorgelijk, stelt de NCDR. Mensen die discriminatie hebben ervaren kunnen de Nederlandse zorg sneller mijden en hun toevlucht nemen tot zorg in het buitenland of hun heil zoeken in niet-bewezen en/of onverzekerde zorg. Ze hebben een „verhoogde kans op psychische klachten en chronische stress”, hebben „slechtere uitkomsten bij aandoeningen waarbij tijdige diagnostiek cruciaal is” en ervaren een minder effectieve behandeling van aandoeningen. Doorgaans hebben deze mensen al een lagere sociaaleconomische status en/of een lagere gezondheid, schrijft de NCDR. Het ervaren van discriminatie in de zorg vergroot ook die problemen, stelt het rapport.
Eén van de NCDR-adviezen luidt: erken de verschillen tussen mensen zonder te discrimineren. Medici wordt geadviseerd om verschillen alleen te laten meewegen in de praktijk „wanneer zij aantoonbaar functioneel, medisch of zorginhoudelijk relevant zijn”. Zorgverleners en -organisaties worden door de NCDR aangespoord om actief te „voorkomen dat impliciete aannames, vooroordelen of achterhaalde categorieën doorwerken in communicatie, diagnostiek en behandeling”.
Het is belangrijk dat artsen onderscheid kunnen maken tussen verschillende groepen mensen, maar niet alleen op basis van hun etnische afkomst, zegt Helberg-Proctor. Er zijn groepen die vanwege genetische aandoeningen hogere risico’s hebben op bepaalde ziekten. „Artsen moeten niet vragen naar etniciteit, maar naar voorouders uit bepaalde gebieden”, vindt zij.
Het is belangrijk dat artsen onderscheid kunnen maken tussen verschillende groepen mensen, maar niet alleen op basis van hun etnische afkomst, zegt antropoloog Alana Helberg-Proctor.
Bij het vaststellen van een huidaandoening is het bijvoorbeeld niet relevant dat een patiënt wordt gezien als ‘Kaukasisch’ of ‘Zwart’, maar hoe getint de huidskleur is, legt Helberg-Proctor uit. „En bij mensen met diabetes of een hoge bloeddruk zie je dat er etnische groepen zijn met een verhoogd risico [mensen met een Turkse, Surinaamse/Antilliaanse of Marokkaanse migratieachtergrond].” Artsen kunnen beter letten op andere factoren, vindt Helberg-Proctor: „bijvoorbeeld op sociaaleconomische status, migratiegeschiedenis, hun werk, woonomgeving en hoeveel stress ze ervaren – dan probeer je met hun etniciteit al die factoren te vangen. Maar etniciteit zelf is niet de relevante factor, het is zelden doorslaggevend in de zorg.”
„Een relevante vraag is of jij voorouders hebt uit een gebied waar malaria voorkomt of voorouders uit Volendam,” zegt Helberg-Proctor. Koppels waarvan beide voorouders uit Volendam komen, kunnen bijvoorbeeld dragers zijn van verschillende ziektes (zoals een ziekte in de kleine hersenen) doordat de Volendamse gemeenschap historisch weinig buiten de eigen gemeenschap trouwde.
Helberg-Proctor: „Neem het voorbeeld van de laboratoria en nieronderzoek. Het gaat daar niet om afkomst, maar om lichaamsbouw en spiermassa. Het kan zijn dat mensen in de Afro-Amerikaanse categorie in het onderzoek over deze nierfuncties inderdaad meer spiermassa hadden door een combinatie van factoren.” Maar dat geldt niet voor alle mensen met een donkere huidskleur. Dergelijke foute aannames over etniciteit kunnen daarom leiden tot een late diagnose bij nierschade.
De hele maatschappij voelt daarvan de gevolgen, stelt de NCDR. „Wanneer zorg te laat wordt ingezet, niet passend is of voortijdig wordt afgebroken, verschuift zorggebruik naar zwaardere en duurdere vormen van zorg”. Discriminatie en racisme in de zorg leidt tot hogere zorgkosten voor de hele sector, waarschuwt het adviesorgaan, maar al dat geld maakt de samenleving niet gezonder.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen