Waterschap De Dommel wil eigenhandig een deel van de tuin bij een woning ontruimen, omdat het meent de rechtmatige eigenaar te zijn. Geen sprake van, maakt de rechter duidelijk.
Bij een woning in Sint-Oedenrode ligt een terras aan de rivier de Dommel. De bewoner heeft de strook grond waarop het terras is aangelegd al lang in gebruik. Ze meent door verjaring eigenaar te zijn geworden van die grond, ook al staat Waterschap De Dommel als eigenaar in het Kadaster ingeschreven.
Het Waterschap sommeert de vrouw de grond binnen twee maanden leeg op te leveren. Als die termijn is verstreken, kondigt het Waterschap een ontruiming aan, op kosten van de bewoner. Haar advocaat noemt dit ‘ontoelaatbare eigenrichting’, omdat voor een gedwongen ontruiming van onroerend goed een zogenoemde executoriale titel nodig is, zoals een vonnis. Dan pas kan een gerechtsdeurwaarder, die exclusief bevoegd is, de ontruiming uitvoeren.
Het Waterschap wijkt geen millimeter. Ook niet nadat de advocaat van de bewoner de advocaat die in dienst is van het Waterschap nogmaals op het verbod op eigenrichting heeft gewezen. De vrouw moet maar een procedure beginnen als ze meent enig recht op de grond te hebben, is de boodschap van het Waterschap. Die gaat vergezeld van de aankondiging dat ontruiming volgt als de bewoner niet binnen acht dagen een kort geding aanspant.
Volgens de advocaat van de bewoner dient het Waterschap, net als ieder ander, via de rechter een executoriale titel te verkrijgen om te kunnen ontruimen. Daarom eist de advocaat een verbod op ontruiming zonder titel.
Dat verbod komt er. „Met grote zorg” schrijft de voorzieningenrechter te hebben kennisgenomen van de eigenrichting en het verplichten van een burger een procedure te beginnen binnen een bepaalde termijn. Het is „onbegrijpelijk”, volgens de rechtbank, dat een advocaat in dienst van het Waterschap „op een dergelijke intimiderende wijze een burger in een privaatrechtelijke kwestie het mes op de keel zet”.
Ook het dagelijks bestuur van het Waterschap krijgt een tik op de vingers omdat het in strijd heeft gehandeld met het eigen grondbeleid door niet zelf naar de rechter te stappen. Bovendien blijkt uit dat beleid dat het Waterschap in het verleden slordig is omgegaan met grondgebruik door derden. Dit maakt de aanpak van het Waterschap nog kwalijker.
De voorzieningenrechter ziet alle aanleiding het Waterschap een dwangsom van 50.000 euro op te leggen, te betalen als het Waterschap het verbod niet naleeft. Want, concludeert de rechter: „Zo hoort de overheid niet met burgers om te gaan.”
„Bizar”, noemt vastgoedadvocaat Robert van Ewijk van Lexys Advocaten de houding van het Waterschap. „Niet alleen in de aanloop naar de zaak toe, maar ook achteraf.” Van Ewijk heeft net het „standpunt” over het vonnis gelezen op de website van het Waterschap. Van Ewijk: „Het Waterschap geeft aan zich niet te herkennen in het beeld dat wordt geschetst, maar in het vonnis citeert de rechtbank uit de correspondentie van het Waterschap. Dat is niet meer dan het vaststellen van de feiten.”
Het Waterschap schrijft ook dat de vrouw een kort geding begon omdat partijen er niet uit kwamen. Daarmee lijkt het Waterschap volledig voorbij te gaan aan de kern van deze zaak: eigenrichting. Van Ewijk: „De vrouw startte noodgedwongen een kort geding om eigenrichting te voorkomen. Eigenrichting is verboden en kan zelfs strafbaar zijn, bijvoorbeeld bij het beschadigen van eigendommen.”
Het verbod is er niet voor niets. Burgers mogen onderling niet voor eigen rechter gaan spelen en een overheid mag dat evenmin in een privaatrechtelijke verhouding als deze. Van Ewijk: „Dat had het Waterschap als overheidsinstelling moeten weten, en zeker zijn advocaat.”
Wel vindt Van Ewijk dat de rechtbank zich over de verjaringskwestie had kunnen buigen, wat het Waterschap ook had verzocht in de procedure. „Daar koos de rechtbank niet voor en ik geef het Waterschap wel gelijk als het zegt dat de rechter daar niet op ingegaan is.”
In deze zaak blijft het conflict over de verjaring dus onopgelost. Over het algemeen geldt dat verjaring zich kan voordoen als iemand een stuk grond onafgebroken in bezit heeft gehad en dat voor de buitenwereld zichtbaar was, bijvoorbeeld door er een hek omheen te plaatsen. De termijn is tien jaar als iemand te goeder trouw handelde en twintig jaar als de goede trouw ontbreekt.
Zelfs als het Waterschap gelijk zou hebben in het conflict over de verjaring, is eigenrichting uit den boze. Een flinke dwangsom moet dat nu voorkomen. Van Ewijk: „Vroeger dacht je er als advocaat niet eens aan de rechter om een dwangsom te vragen als je tegen de overheid procedeerde; die zou een uitspraak wel naleven.”
Recente voorbeelden laten zien dat deze praktijk veranderd is. Zo legde de gemeente Vlaardingen laatst een uitspraak naast zich neer over de opvang van Oekraïners. Van Ewijk: „We leven blijkbaar in een tijd waarin zo’n dwangsom soms wel nodig is.”
Uitspraak: Rechtbank Oost-Brabant, 10 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1572
Deze rubriek belicht wekelijks rechterlijke uitspraken met economische gevolgen voor mensen of bedrijven
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen