De samenleving „wordt gevormd door ongelijkheid”, zegt Nelly Marosi. Welke barrières ervaren LHBTIQ+-personen die actief willen worden in de exacte wetenschappen?
Op de tekening splitst onder aan een hoge berg een rivier zich in twee stromen. Hun namen staan naast elke stroom gekrabbeld: geschiedenis en biologie. De eerste droogt al snel op. De biologiestroom groeit juist, slingert door het landschap, botst tegen boomstammen en stort over een waterval – tot het water plots bij een dam komt, waar nog maar een dun stroompje overblijft. Langzaam verbreedt dat stroompje weer en eindigt het bij een rood vraagteken.
De rivier is een river of life, die sociaal wetenschapper Nelly Marosi gebruikte om deelnemers voor te bereiden op interviews met haar. De visuele oefening verbeeldt hier de wetenschappelijke loopbaan van Goblin – een pseudoniem voor een 27-jarige queer bioloog uit Griekenland. Elke splitsing, elke kronkel en elk obstakel in de rivier staat voor een ervaring tijdens Goblins opleiding en schetst een academische wereld waarin hij zijn queer identiteit liever niet zichtbaar maakte – onder meer uit angst dat dit zijn beoordeling zou beïnvloeden.
De Griekse wetenschapper Nelly Marosi onderzocht tijdens haar promotie voor de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit van Athene welke barrières LHBTIQ+-personen ervaren in het STEM-onderwijs (science, technology, engineering and mathematics). Op basis van persoonlijke verhalen zoals die van Goblin en een literatuurstudie laat ze zien hoe onzichtbare normen over wie een ‘echte’ wetenschapper is nog altijd carrières in de wetenschap vormen.
„Het probleem in het STEM-onderwijs is dat veel gemarginaliseerde personen wel interesse hebben in wetenschap en er goed in zijn, maar er toch voor kiezen om geen carrière in dat veld na te streven”, zegt zij. Ze heeft het hier over mensen die om verschillende redenen niet in het heersende normensysteem passen, bijvoorbeeld omdat ze niet wit of heteroseksueel zijn, transgender zijn of een beperking hebben. „Velen ervaren uitsluiting en discriminatie. Ze worden professioneel minder serieus genomen, moeten zich aanpassen en vaak harder werken om geaccepteerd te worden.”
Marosi formuleert zorgvuldig en analytisch, maar haar betrokkenheid bij het onderwerp blijft steeds voelbaar. „Mijn motivatie voor dit onderzoek komt enerzijds voort uit het besef dat onze samenleving wordt gevormd door ongelijkheid”, zegt Marosi. Anderzijds is het onderwerp voor haar ook persoonlijk, omdat ze zelf tot de LHBTIQ+-gemeenschap behoort. „Als queer onderzoeker voel ik een ethische verantwoordelijkheid om de stemmen van queer personen te versterken en dit onderwerp zichtbaar te maken”, vertelt ze bevlogen. Tijdens haar eigen promotietraject was ze open over haar identiteit en ervoer ze binnen haar sociaal-wetenschappelijke onderzoeksgroep geen discriminatie.
Ze is vastberaden en voorzichtig optimistisch dat verandering mogelijk is, onder meer door haar promotieonderzoek. Daarin wilde ze de ongelijkheid zichtbaar maken en wetenschapsdocenten praktische handvatten bieden om hun lessen inclusiever te maken en zo uiteindelijk de wetenschappelijke wereld diverser te maken. Of, zoals zij het noemt, „om wetenschap te queeren”.
Haar onderzoek is juist in het STEM-onderwijs van groot belang, zegt Marosi, omdat discriminatie van queer personen hier sterker voorkomt dan in andere disciplines, zoals de sociale wetenschappen. De oorzaak ligt volgens haar in onzichtbare normen die door socialisatie diep verankerd raken.
Eén daarvan is het technical-social dualism. Technische kennis, die in STEM-velden gebruikt wordt, wordt geassocieerd met rationaliteit en objectiviteit – eigenschappen die cultureel aan mannelijkheid worden gekoppeld. Sociale competenties, zoals empathie en zorg, worden juist vaker verbonden met vrouwen en queer personen. Daardoor is de river of life van STEM-onderwijs breder en kent minder obstakels voor hetero, cis-mannen – dus mannen die als man geboren zijn en zich ook als man identificeren.
Daarnaast zegt ze dat de manier waarop wetenschap is opgebouwd, de ongelijkheid versterkt. „Dat zie je in de geschiedenis bijvoorbeeld in de langdurige behandeling van het mannelijke lichaam als norm in de geneeskunde, in rassentheorie of in de eugenetica.” Zij ziet wetenschap als sociaal gesitueerd. „Dat betekent dat de vragen die we in de wetenschap stellen, de categorieën die we gebruiken en de betekenis die we aan bevindingen geven, worden gevormd door de omstandigheden waarin wetenschap plaatsvindt.” Als die omstandigheden door ongelijkheid worden gekenmerkt, wordt dat ook zichtbaar in de wetenschap, benadrukt zei strijdbaar.
Dat er uitsluiting bestaat in STEM-onderwijs en hoe groot dat probleem is, was al eerder door andere onderzoekers in kaart gebracht. Marosi koos daarom bewust niet voor een representatieve studie, maar voor diepgaande interviews om inzicht te krijgen in de belevingswereld van de betrokken personen. Ze sprak drie queer wetenschappers in meerdere online sessies die tot wel elf uur duurden. „De interviews waren voor mij én voor de deelnemers heel aangrijpend”, zegt ze zichtbaar betrokken. Over het gesprek met Goblin vertelt Marosi alsof ze terugdenkt aan een gesprek met een vriend. „We spraken laat op de avond af. We dronken wat. We lachten en huilden samen. Hij vertelde veel kwetsbare verhalen – en ik deelde ook mijn eigen ervaringen.”
Door haar eigen positie als queer onderzoeker te delen, probeerde ze een veilige sfeer te creëren waarin deelnemers open durfden te spreken – een keuze die ze als onderdeel van haar onderzoeksmethode beschouwt. „Ik denk dat die band tussen onderzoeker en deelnemers de kwaliteit verbetert van de kennis die uit het onderzoek voortkomt”, zegt ze. Die band bleef niet beperkt tot de interviews. Met sommige deelnemers heeft ze nog steeds contact. Een van hen, Cassandra, stuurde zelfs een care package vanuit de Verenigde Staten toen Marosi tijdens haar promotie een burn-out kreeg.
Een zorgzame gemeenschap is essentieel voor veel queer mensen. „Cassandra had kleine werkers met schoppen naast haar rivier getekend. Toen ik haar daarnaar vroeg, zei ze dat die haar queer vrienden voorstellen die haar hebben gesteund”, vertelt Marosi.
Cassandra werd gedurende het grootste deel van haar leven gezien als een witte, cisgender heteroseksuele man. Dat privilege hielp haar, denkt ze zelf, om een promotieplek te krijgen. Toen ze aan het begin van haar promotie besloot te transitioneren, hield ze dat aanvankelijk verborgen voor haar werkomgeving.
„In mijn leven had ik een STEM-kant en een queer kant”, vertelt Cassandra in het interview met Marosi. „Bijna een jaar lang leidde ik een dubbelleven. Overdag deed ik mijn onderzoek als promovendus, ’s avonds kon ik Cassandra zijn.”
Nadat Cassandra op haar werk uitkwam als trans vrouw, merkte ze dat mensen haar anders behandelden dan toen ze als man werd gezien. Het gevaarlijke aan culturele normen is juist hun onzichtbaarheid, benadrukt Marosi. Discriminatie merk je niet altijd verbaal, maar bijvoorbeeld aan hoe iemand naar je kijkt of met je praat.
Vandaag werkt Cassandra als openlijk queer docent chemische technologie en deelt haar leven op sociale media. „Van een dubbelleven naar volledig jezelf kunnen zijn in het lab en in het klaslokaal – dat verschil was enorm. Ik zou niet terug willen gaan”, zegt ze tegen Marosi. „Daardoor besefte ik dat iedereen zichzelf moet kunnen zijn in het lab, in het klaslokaal en in zijn werk.”
Marosi benadrukt dat niet alle queer personen in alle landen en culturen dezelfde ervaringen hebben. Systemen van privilege en onderdrukking kunnen elkaar overlappen. Toch ziet ze haar bevindingen, samen met bestaand onderzoek, als aanwijzingen voor een structureel probleem in het STEM-onderwijs – een probleem waarvoor bewustwording alleen volgens haar niet genoeg is.
„We willen geen stoel aan de tafel”, zegt ze strijdbaar. De tafel gebruikt ze als beeld voor de heersende structuur in de wetenschap. „Een stoel aan die tafel zou assimilatie betekenen. Dat zou betekenen dat je je moet aanpassen aan bestaande normen om geaccepteerd te worden.” Wat zij wil, zegt ze, is de tafel omverwerpen. Ze spreekt met veel passie over collectieve herverbeelding, transformatie en ontwrichting, die moeten leiden tot STEM-onderwijs dat gebaseerd is op rechtvaardigheid, zorg en diversiteit.
Volgens Marosi begint die verandering bij het opleiden van toekomstige generaties. Daarom ontwikkelde ze samen met onder meer de drie geïnterviewde wetenschappers lesmateriaal en trainingsprogramma’s voor docenten. „Ik wilde niet alleen hun stemmen versterken”, vertelt Marosi. „Ik wilde dat zij zelf producenten van kennis werden – actoren van verandering.”
Zij werkt inmiddels weer in Griekenland, waar ze is opgegroeid. Daar probeert ze een nascholingsprogramma voor docenten in de praktijk te brengen. „Ik wil een veilige ruimte creëren waarin docenten zich ongemakkelijk durven te voelen over wat er gebeurt, ongemakkelijk met zichzelf”, zegt ze. „Waar ze hun eigen pedagogische keuzes en aannames kritisch leren bevragen.”
Ondanks dat het gebruikelijk is dat je aan een Griekse universiteit als onderzoeker geen salaris krijgt, blijft ze doorgaan. „Ik heb nog steeds al die energie omdat ik weet dat ik niet alleen ben”, zegt ze trots. „Er zijn meer mensen die dezelfde strijd voeren – niet omdat we als queer personen moeten overpresteren, maar omdat we dit werk doen met liefde en overtuiging.”
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin