KCO op reis Het Concertgebouworkest is de komende jaren rond Pasen in residentie in het Duitse Baden-Baden, ooit de zomerhoofdstad van Europa. Vorige week speelde het er Bach, Mahler en Bruckner. „Muziek is nooit af, dat is de schoonheid en de verschrikking ervan.”
Eerste violist Gemma Lee tijdens een repetitie van het KCO in Baden-Baden.
De bus met het Concertgebouworkest passeert een verkeersbord dat de toegang markeert tot het Duitse kuuroord Baden-Baden. Een stad „die maant tot reiniging”, schreef Gerhard Durlacher in de novelle Drenkeling, waarin hij de herinneringen aan zijn kindertijd hier optekende. De plek kent een bewogen geschiedenis. Halverwege de negentiende eeuw verbleven er in het seizoen zoveel staatshoofden en vorsten dat Baden-Baden de „zomerhoofdstad van Europa” ging heten, al gaven deze politieke kopstukken zich vooral over aan de geneugten van het leven: het casino, de opera en concerten. De hele dag speelde hier een orkest in het muziekpaviljoen.
De komende jaren mag het Concertgebouworkest als ‘huisensemble’ zijn stempel drukken op het Paasfestival in Baden-Baden. En dat doet het vier dagen lang onder meer met een staalkaart uit de eigen traditie: stukken en componisten die de hoeksteen vormen van zijn wereldfaam: Johann Sebastian Bachs Matthäus-Passion, Gustav Mahlers Vijfde symfonie en Anton Bruckners Achtste.
„Wij zijn de moeder aller Festspiele”, grijnst Benedikt Stampa, directeur van het Festspielhaus. Hij zegt het met enige ironie, want zo beroemd is het festival in zijn stad niet. Maar historisch gezien heeft hij een punt. In Baden-Baden besluit rond 1850 de rijke casinohouder Edouard Bénazet – in zijn jeugd student aan het Parijse conservatorium – zijn winsten in een zomerfestival te steken. Hij bombardeert de wispelturige Franse componist Hector Berlioz tot artistiek leider. Die kan zich geen betere broodheer wensen, schrijft hij in zijn Mémoires: „Bénazet bemoeit zich nergens mee”, schrijft Berlioz. „Hij betaalt alleen de rekeningen. ‘Doet u alles vooral royaal en in stijl’, zegt hij. ‘Ik geef u volledig de vrije hand.’ Driewerf hoera! Met muziek is dat de enige manier om iets verhevens en moois tot stand te brengen.”
De aanvoerder van de cellogroep, Gregor Horsch, staart uit het raam naar de natte straten van Baden-Baden die behoren tot het landschap van zijn jeugd. Over de Europastrasse heeft de bus zojuist het noorden van Sinzheim doorkruist, het dorp waar hij in zijn jeugd begin jaren zeventig cellolessen kreeg. „Baden-Baden”, mijmert hij, „liggend tussen het laaggebergte, gold van oudsher als paradijs, een plek waar leven en laten leven het credo was.”
Eerste klarinettist Carlos Ferreira van het KCO in Baden-Baden.
Het is de laatste maandag van maart, rond tweeën in de middag, vijf uur na vertrek uit Amsterdam. Het miezert in Baden-Baden. De hotelkamers blijken nog niet allemaal beschikbaar. Dus zetten de meeste musici hun koffers neer en gaan op zoek naar een restaurant, want over twee uur wacht een repetitie van Bachs Matthäus met het lokale kinderkoor, en aansluitend de uitvoering. Ze hebben het tussen ontbijt en nu moeten doen met een stroopwafel in het vliegtuig.
Later op het podium doemt voor hen een vier verdiepingen hoge muur van stoelen op. Baden-Baden, met zijn vijftigduizend inwoners, bouwde eind vorige eeuw de grootste concertzaal van Duitsland, een immense doos achter het destijds in onbruik en verval geraakte treinstation. Dit vroegere Hauptbahnhof werd de bron van de rijkdom hier. In zijn boek The Europeans: Three Lives and the Making of a Cosmopolitan Culture betoogt de Britse historicus Orlando Figes hoe dit provinciale kuuroord twee eeuwen geleden tot middelpunt van Europa uitgroeide door een nieuwe vorm van vervoer: de spoorwegen.
In de zaal spoort de 30-jarige dirigent Klaus Mäkelä – na zijn eerste „wonderful” – het Nederlands Kamerkoor aan om meer warmte in hun stemmen te leggen: „In het Concertgebouw is die kleur er bijna vanzelf, maar hier niet.” Het oratorium valt die avond in vruchtbare grond. De Matthäus blijkt voor veel bezoekers een ontdekking. „Hier, in het overwegend katholieke zuiden, bestaat geen grote passie-traditie”, zegt Dominik Winterling, algemeen directeur van het Concertgebouworkest. Hij groeide op in Beieren en werkte onder meer zo’n zeven jaar in het nabijgelegen Heidelberg.
Klaus Mäkelä dirigeert het Concertgebouworkest.
De volgende middag in de radiostudio van Südwestrundfunk zal de verbijstering diepe voren trekken in het gezicht van de interviewer wanneer Horsch en eerste violist Ursula Schoch hem vertellen hoe geliefd de Bach-passies in Nederland zijn. „Versta ik u wel goed?” stamelt hij. „Vierhonderd uitvoeringen! Per jaar?” Schoch maakt zijn ontreddering glimlachend nog wat groter. „Nee, alleen in en rond de veertig dagen van de lijdenstijd.”
Verbazing is er na de Matthäus ook bij organist Leo van Doeselaar, een begin-zeventiger die het werk in zijn lange loopbaan honderden keren speelde, vooral bij de Nederlandse Bachvereniging. „Vrijdag dirigeerde Mäkelä dit voor het eerst”, zegt hij. „En vandaag bij de derde uitvoering valt het me op hoeveel groei hij in die korte tijd heeft gemaakt.” Deze dagen zullen meerdere orkestleden hun toekomstige chef-dirigent (met ingang van volgend jaar september) bewieroken. „Bachs Matthäus heeft iets verslavends”, zegt Mäkelä zelf. „De noten reiken zo diep. Ik verlies elke keer mijn besef van tijd. Het oratorium duurt zo’n drie uur, maar die vliegen voorbij alsof het een Mozart-symfonie is.”
Alessandro Di Giacomo, tweede vioolPietro Bodini, hobo (orkest-academie)Pablo Díaz Díaz, klarinet (orkest-academie) en Marija Radovanovic, viool (orkest-academie) repeteren voorafgaand aan Bruckners ‘Achtste Symfonie’ in Festspielhaus Baden-Baden.
Joana Barbosa op fagot (orkest-academie) repeteert voorafgaand aan Bruckners ‘Achtste symfonie’.
Dinsdagochtend beginnen de musici aan de grote symfonieën van twee componisten die het fundament vormen onder de traditie van het Concertgebouworkest: Gustav Mahler en Anton Bruckner. Ze zitten met zijn allen opgepropt in de repetitieruimte op de vijfde verdieping. Een orkestbode deelt oordoppen uit. „Laat ons barmhartig zijn de morning after de Matthäus-Passion”, grijnst Mäkelä. Hij heft de rechterhand en trompettist Omar Tomasoni speelt de eerste eenzame maten van de begrafenismars waarmee Mahlers Vijfde symfonie opent.
In het grillige derde deel – een ‘Scherzo’ met volksmelodieën – benadrukt Mäkelä dat de musici verschillende op elkaar botsende karakters uitbeelden. „Graag korte, heldere noten, want we moeten hun stemmen kunnen onderscheiden.” Tweede violist Arndt Auhagen kijkt verontrust omhoog. Hij voelt nattigheid. Door de openstaande ramen waaien regendruppels naar binnen. Nadat ze gesloten zijn, laat hij van het trage ‘Adagietto’ niet meer klinken dan enkele maten. „Het gaat om de flow”, zegt hij. „The rest is history.”
De tweede helft van de drie uur besteedt Mäkelä aan het opfrissen van het spiergeheugen van de musici in Bruckners Achtste symfonie, waarmee het orkest – evenals met Mahler Vijf – eerder dit seizoen op tournee was. De meesten hebben daarna de middag vrij. Een zestal strijkers speelt Dvořák en Brahms.
Tijdens de residentie in de Oster Festspiele doet het orkest ook zeven kamermuziekoptredens, vooral in het Kurhaus, een plek waar menig beroemdheid – nu en in het verleden – fortuinen vergokte aan de speeltafels van het casino. De Russische schrijver Fjodor Dostojevski ging er financieel ten onder en verwerkte deze nederlagen hier en in de casino’s van Wiesbaden in zijn novelle De speler. Beide steden laat hij in het boek versmelten tot Roulettenburg. In een weiland op een helling, net buiten Baden-Baden, balanceert het standbeeld van Dostojevski op zijn lange tenen op een steen die de vorm heeft van een barstend ei.
Musici van het KCO voor het Kurhaus in Baden-Baden.
In de laatste Mahler-repetitie de volgende dag speelt de jonge Duitse assistent-dirigent Aurel Dawidiuk de oren van Mäkelä in de grote zaal. Tijdens het ‘Adagietto’ loopt hij naar voren. „Ik zie de strijkers vibrato spelen”, zegt hij, „alleen ik hoor het niet.” Er wordt geschaafd aan de laatste details. Mäkelä zingt voor, in dat herkenbare dirigentenlingo: „Jom-pa-pa-papapa. Ya-ta-toe-ta.”
Hij drukt musici op het hart „niet te mooi te kleuren. De karakters zijn zwart-wit. En hou het groovy. Onze instrumenten hebben meer kracht dan die uit zijn tijd. Mahler zou, denk ik, willen dat we het niet te zwaar maken.”
Tussen de middag zit Mäkelä in het dirigentenverblijf. De concertzaal van het Festspielhaus mag zich de grootste van Duitsland noemen, dit kamertje, nauwelijks twee passen breed en lang, heeft meer iets van een cel. Het deert hem niet. „Een mens – of musicus – moet zich niet verliezen in details”, zegt hij. „Op de reis door het leven blijft het van belang niet alleen de boom te zien maar ook het woud. Dat geheel vergeten we tegenwoordig wel eens.”
Lou-Anne Dutreix speelt wagner-tuba tijdens repetitie KCO in Baden-Baden.
Tijdens zijn repetities komt er zelden kritiek over Mäkelä’s lippen. Wat misgaat, benoemt hij niet. De dirigent geeft zonder omwegen aan hoe hij de muziek graag zou horen. „Dit orkest is een organisme”, zegt hij, „geen machine. Deze groep bezit een sterke eigen intuïtie en gevoeligheid. Die moet je niet dwingen. Ik wil ontdekken wat ze nodig hebben. Samen musiceren gaat om vertrouwen, met elkaar ademen. Pas dan kunnen we betoveren. Want alle kunst is illusie. Michelangelo’s marmeren beelden lijken te leven, ze kunnen voor mijn gevoel elk moment van hun voetstuk stappen. Wij willen in muziek diezelfde zinsbegoocheling bereiken.”
En getuige het slotapplaus die avond lukt dat. Staande ovaties – standaard in Nederland – vormen een zeldzaamheid in Duitse zalen. Maar het publiek weet nauwelijks van ophouden. Het ritmische geklap na afloop doet Festspielhaus-directeur Benedikt Stampa denken aan ‘Die Gelbe Wand’ van fanatieke voetbalsupporters op de Südtribune bij Borussia Dortmund. „Zo heb ik het nog niet eerder meegemaakt.”
Veel tijd om na te genieten krijgen de musici niet. De volgende morgen om tien uur staat de Achtste symfonie van Bruckner op de lessenaars. Mäkelä speelt de anderhalf uur durende mastodont helemaal door. Wanneer Perry Hoogendijk zijn tuba pakt, weerkaatst het lamplicht via de beker op de achterwand alsof een zonnestraal door het labyrint van gangen zijn weg naar de zaal gevonden heeft. „Deze Bruckner vraagt minder dan Mahler”, vindt de dirigent, „ik hoef ze eigenlijk alleen een pad te wijzen.”
Het bijna half uur durende ‘Adagio’ stroomt intussen uit de snaren van de strijkers, even onderbroken door de ijle houten dwarsfluit van Emily Beynon, die steeds donkerder kleurt, zodat ze de noten kan doorgeven aan de weemoedige hoorns. Een rechthoekig zwart raam weerspiegelt de vage silhouetten van orkest en dirigent, en de dromerige sfeer.
„Dit orkest blijft een dagelijkse leerschool”, ervaart Beynon al ruim dertig jaar. „Op tournee luisteren we naar elkaar met nieuwe oren. De akoestiek van het Concertgebouw is heerlijk voor het publiek, maar op het podium horen we elkaar slecht. Hier klinkt alles helder, worden we scherper met onszelf geconfronteerd. Muziek is nooit af”, filosofeert Beynon. „Dat vind ik de schoonheid en verschrikking ervan. Je beklimt een berg waarvan de top voor je uit blijft schuiven. Nooit verlaat je het podium met de gedachte: beter wordt het niet. Nou goed, zodra dat wel het geval is, kun je beter stoppen.”
De bezoekers van het Festspielhaus roepen Mäkelä die avond na de Bruckner zes keer terug. Zo’n half uur later praten drie van de vier strijkers uit het Alma Quartet – ontstaan in de boezem van het orkest – na in restaurant La Casserole Chez Agnès. „Na Bruckner wordt het tijd voor bier”, zegt altist Jeroen Woudstra. Het strijkkwartet blijft wat dagen langer voor een tweetal laatste Festspiel-concerten.
„Thuis zie je veel musici alleen bij repetities en concerten”, vertelt violist Marc Daniel van Biemen. „Dan val je soms ten prooi aan ergernis, omdat muzikale opvattingen verschillen. Een tournee brengt mensen dichter bij elkaar. Persoonlijk en muzikaal, omdat je plots merkt dat ze net zo stinkend hun best doen als jij.”
„Gisteren waren we uit eten met een collega die we niet goed kennen. Hij heeft wat persoonlijke problemen en daar spraken we plotseling over”, zegt Woudstra.
Van Biemen, quasi-sentimenteel: „We zijn één grote familie.”
Woudstra: „Nou moet je ook weer niet overdrijven.”
Dirigent Aurel Dawidiuk sluit zijn tweejarig assistentschap bij het Concertgebouworkest 10 en 12 april af met onder meer Tsjaikovski’s Vierde symfonie. www.concertgebouworkest.nl
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden