Klassiek Dirigent Hartmut Haenchen (83) is dit voorjaar opvallend actief in Nederland. Met onder meer uitvoeringen van Bruckners Vijfde symfonie, Bachs Matthäus-Passion en deze week Tsjaikovski en Sjostakovitsj bij het Noord Nederlands Orkest. Een gesprek over rust die met de jaren komt en de noodzaak van bronnenonderzoek.
Helmut Haenchen.
De akoestiek van De Lawei in Drachten is zo kurkdroog dat in Bachs Matthäus-Passion elke gepijnigde uitroep doodslaat. Wel hoor je onder dirigent Hartmut Haenchen een Matthäus zoals je die niet eerder hoorde. Haenchens passie is prachtig, maar niet waar de pijn en de schuld van het lijdensverhaal de dramatische interpretatie moreel verbieden zomaar mooi te zijn. Hier zijn mensen die de kruisiging van Christus niet zullen verhinderen voor altijd uit het lood geslagen. Deze Matthäus gaat via de pijn van Christus’ lijdensweg en kruisiging over de pijn van nu, zegt Haenchen. „Daar wordt een man vermoord voor iets wat hij niet heeft gedaan. Hij heeft nooit gezegd: ‘Ik ben Gods zoon’. Hij zegt altijd des Menschen Sohn. Een hele maatschappij veroordeelt iemand dus voor wat hij niet gezegd heeft.” En die boodschap, zegt hij, kan deze tijd gebruiken.
Sinds 2022 is de Duitser Haenchen, die sinds 1995 ook de Nederlandse nationaliteit heeft, als vaste gastdirigent van het Noord Nederlands Orkest (NNO) weer een beetje terug in Nederland. Van 1986 tot 2002 was hij in Amsterdam chef-dirigent van het Nederlands Philharmonisch Orkest (NedPho) en het Nederlands Kamerorkest. Als muzikaal directeur van De Nederlandse Opera leidde hij het NedPho in een reeks memorabele operaproducties. Wagners Ring des Nibelungen in de regie van Pierre Audi werd er een klassieker.
Minder zichtbaar was in Nederland zijn affiniteit met oude muziek. Met zijn eigen Kammerorchester Carl Philipp Emanuel Bach nam Haenchen veel achttiende-eeuws repertoire op. Bach kwam met de paplepel. In zijn geboortestad Dresden zong hij al op zijn achtste in het Dresdner Kreuzchor de Matthäus-Passion. „Daarna zang gestudeerd, Jezus gezongen, aria’s gezongen. Johannes-Passion en de Hohe Messe gedaan, meer dan veertig cantates.” In Dresden, waar hij op zijn vijftiende begon met dirigeren, was hij zeven jaar cantor.
Helaas voor ‘reguliere’ dirigenten van Haitink tot Haenchen besteedden symfonieorkesten Bachs passies de afgelopen decennia liever uit aan barokdirigenten. Haenchen: „Ik heb in mijn NedPho-tijd dringend gevraagd of ik de Matthäus mocht dirigeren.” Niet dus; hij was geen specialist. Tragikomisch lot voor een van de grote deskundigen op het gebied van de achttiende-eeuwse muziek. Haenchen kan er nu om glimlachen.
Wat is hij goed geworden. In Groningen en ommelanden hoor je Haenchen met het Noord Nederlands Orkest nu laatromantische klassiekers uitvoeren met de kracht en innerlijke vrijheid van de grootmeester. Het is de rust die met de jaren komt, en die hij heeft moeten veroveren. Hoe hij in Also sprach Zarathustra van Richard Strauss in 2023 het NNO groots beheerst boven zichzelf liet uitstijgen, dat vergeet je niet. Evenmin gering was afgelopen maand zijn Vijfde symfonie van Bruckner bij het NedPho, volgend seizoen gevolgd door de Zesde.
Bruckner houdt Haenchen de laatste jaren intensief bezig. In Brussel dirigeerde hij een bijna complete symfonieëncyclus, cycli in Lille en Amsterdam zijn in aanbouw. Na zijn vertrek uit Amsterdam bloeide zijn internationale loopbaan. Als gastdirigent van Covent Garden tot de Scala en van Lissabon tot Stockholm dirigeerde hij operaproducties en concerten. Nu voert hij uitsluitend nog muziek uit die hem dierbaar is. Op 9, 10 en 11 april staat hij in Drachten, Utrecht en Groningen voor Sjostakovitsj’ Vijftiende symfonie en het Eerste pianoconcert van Tsjaikovski, met Anna Fedorova als soliste.
De muziek komt bijna uit de eerste hand. Haenchen heeft Sjostakovitsj twee keer ontmoet. Hij heeft in het toenmalige Leningrad de Vijftiende symfonie gehoord onder Jevgeni Mravinsky, ‘onaangename man’. Hij heeft als Mravinsky-student Sjostakovitsj zelf iets kunnen vragen over zijn Achtste symfonie, waarop Sjostakovitsj in uitstekend Duits bevrijdend geruststellend reageerde. Maakt u zich geen zorgen, komt heus goed!
Het roert me hem terug te zien. Dertig jaar geleden schreef ik een boekje over hem, Twijfel als wapen. Daarvoor voerden we lange gesprekken over dirigeren als ervaringskunst, opgroeien en leven in de DDR, muzikale authenticiteit, de geest van de muziek, de maatschappelijke noodzaak van kunst, over de pijn van een leven dat hij als morele last met zich meedroeg. Ik sprak iemand die als kind in 1953 in Dresden Russische tanks op demonstrerende DDR-burgers had zien inrijden. Die door de Stasi in de gaten werd gehouden. Die zijn baan in Schwerin kwijtraakte na zijn weigering van Sjostakovitsj’ Tweede symfonie alleen de koorfinale te dirigeren, lofzang op Lenin. Kunst gaat voor Haenchen ook over principes. Met meesterwerken marchandeer je niet. Zijn taak als dirigent was componisten recht te doen naar letter en geest, door roeien en ruiten.
Voor zijn leeftijd is Haenchen in uitstekende conditie, hooguit iets langzamer in zijn bewegingen en iets zachter van stem. De Matthäus-Passion dirigeert hij staand, soms leunend op een piepklein krukje. Natuurlijk doet hij minder, en hij merkt dat lange pauzes tussen twee engagementen hem beginnen op te breken. „Als ik maandenlang niet op de bok sta is het zwaar. Ik heb intussen wel geleerd economischer met energie en bewegingen om te gaan, maar het blijft zwaar werk.”
Hij moet selectiever worden, helemaal in de opera. „Wagners Parsifal zou ik nog aandurven, Salome van Strauss zeker. Wagners Meistersinger niet meer, Götterdämmerung misschien wel.” Soms lost het noodlot de dilemma’s op. „Tristan und Isolde zou ik bij de Met hebben gedaan. Toen kwam corona. Daarna zeiden ze in New York: misschien over vier jaar. Ik heb nee gezegd. Nu denk ik: jammer. Maar het mooie van mijn leeftijd is dat ik geen programma’s meer hoef te doen waar ik geen zin in heb. Het is niet zo dat ik helemaal geen nieuwe dingen doe, ik dirigeer nog steeds wereldpremières. Maar ik heb meer tijd nodig dan voorheen.” Het heeft met energie en zelfinzicht te maken. „Je wordt kritischer. Op het werk, maar ook op jezelf.”
Hartmut Haenchen.
Voor een deel van de muziekwereld is Haenchen een late ontdekking. Het tijdschrift Opernwelt riep hem in 2017 uit tot dirigent van het jaar. In Bayreuth dirigeerde hij 2016 en 2017 geweldige uitvoeringen van Wagners Parsifal – die van 2016 verscheen bij Deutsche Grammophon op dvd. Het was een Parsifal als een lange golf van stille pijn. Daar is een leven aan gewerkt, een leven mee geleefd. Wie een beetje graaft, vindt ook een uitzonderlijk gave, krachtige uitvoering van Beethovens Vijfde symfonie met het orkest van Stockholm, of een fiere cd-opname van Bruckners Achtste uit 2017 met het Koninklijk Orkest van Denemarken.
De rust van nu is het vertrouwen dat het hij het kan laten komen. Bij het NedPho van de beginjaren, zegt hij, moest hij politieagent zijn. Dat kon niet anders. Het orkest moest beter worden, basta. Hij hoeft er nu veel minder voor te vechten, glimlacht hij, de kramp is weg. Grand old man zijn heeft zijn voordelen. Hij herinnert zich de „verschrikkelijke ruzie” met het orkest waar hij op zijn 23ste zijn eerste Vijfde symfonie van Tsjaikovski dirigeerde. „Dat is het voordeel van maestro-zijn, je ervaart veel minder weerstand van het orkest. Dat gelooft je gewoon. Als beginnend dirigent kreeg je, zeker in Duitsland, niet die ruimte.”
Gebleven zijn de wil het goed te zeggen in de geest van de maker. „Ik heb oude opnames gehoord, ook van Bruckner, waarvan ik wilde dat ze niet bestonden.” Elke herneming is voor hem een nieuw gevecht met bronnen en naslagwerken, correspondentie, traktaten over uitvoeringspraktijk. Hij heeft net Bruckners brieven herlezen en vond er opnieuw geen prettig mens in, likkend naar boven en trappend naar onderen. „Het is ongelooflijk hoe hij omging met vrienden die alles voor hem gedaan hebben.”
En dan was er de confrontatie met Bruckners antisemitisme en zijn obsessieve fixatie op tellen en muzikale symmetrieën. Maar Haenchen vond ook de brief die Bruckner schreef aan dirigent Arthur Nikisch over een uitvoering van zijn Zevende symfonie in Leipzig. „Hij schreef: ‘Ik moet je dingen vertellen die niet in de partituur staan, over tempi.'” Zo’n uitspraak brengt Haenchen direct in hoogste staat van paraatheid, zegt hij, want je kunt eruit opmaken dat Bruckner ideeën had over de uitvoering van zijn muziek die je níet in een partituur vindt.
Met zijn onderzoekende houding heeft Haenchen in Berlijn, Wenen en Praag bibliotheken afgegraasd voordat digitalisering cruciaal materiaal online toegankelijk maakte. Voor de (instrumentale en vocale) versieringen in de muziek van J.S. Bach raadpleegde hij alle leerboeken van diens tijdgenoten, om zo tot enige statistische zekerheid te komen over hoe zij dachten dat het hoorde.
In de Matthäus kon hij, omdat het zijn eerste was, met een schone lei beginnen. Maar juist dan kan het een hel zijn om je weg te vinden. „Muziekwetenschap is een eindeloos territorium vol tegenstrijdige meningen.” Dus moet je ordenen. Maar dan nog: „Als ik naar de Matthäus kijk, heb ik vaak twijfels. Bach schrijft een triller, maar dan is er een parallelle stem waar geen triller staat. Krijgt die dan ook een triller of niet? We leven nu natuurlijk ook in een andere tijd. In Bachs tijd was muziekmaken deels improviseren. Wat op papier staat was een schema waarmee werd gewerkt. Al schreef Bach al wel veel uit. In de Berlijnse Staatsbibliotheek heb ik de originele stemmen van de Johannes-Passion ingezien. Daarin zag ik veel meer dan in de partituur van de Neue Bach-Ausgabe: versieringen, articulatie, bogen. Dat maakte me voor de honderdste keer duidelijk dat het handschrift van de partituur altijd het begin is, en niet het eindpunt.”
Wat een componist bij repetities van zijn werk in orkestpartijen aan instructies heeft genoteerd – of door de dirigent van dienst heeft laten opschrijven – blijkt vaak van groot belang. Van uitvoeringen van werken van Brahms door de Meininger Hofkapelle onder leiding van Fritz Steinbach is orkestmateriaal bewaard gebleven met instructies van Steinbach namens Brahms én instructies van Brahms zelf. Voor een Brahms zoals Brahms zich die voorstelde moet je die documenten ingezien hebben. Dat deed Haenchen dus ook. En in Bayreuth vond hij in de orkeststemmen van Wagners Parsifal aanduidingen over tempo en dynamiek die hem sterkten in zijn vermoedens over hoe de componist gewild had kunnen hebben. „Dat is het mooiste wat je kan gebeuren als dirigent. Dat je het goed gedaan hebt.”
Hartmut Haenchen dirigeert het Noord Nederlands Orkest op 9, 10 en 11 april en op 5, 6 en 7 november. Info: haenchen.net
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden