Cynan Jones In zes mysterieuze verhalen beschrijft hij de subtiele wendingen die zich voltrekken in de hoofden van mensen die in dialoog zijn met de natuur.
Strakke alinea’s van een paar weloverwogen zinnen, veel witregels, de mens, vaak een man, doet zijn intrede en de natuur schrikt op. Cynan Jones is zo’n schrijver die je meteen, aan de eerste bladzijde, kunt herkennen. Zo begint het eerste verhaal in zijn nieuwe verhalenbundel Deining direct met deze confrontatie: „Toen de gedaante van de twee mannen verscheen, vlogen de vogels op, vreemd genoeg lichtgevend door de maan die nacht, van het ondiepe water waar de rivier bij de zee uitkwam.” In de bundel plaatst Jones zijn personages opnieuw in onherbergzame landschappen, tegenover dieren en de elementen. Er komt een man langs die in de sneeuw een beer opspoort die de vallei terroriseert, er komt een vader langs die een wedstrijd met eenden manipuleert om er eindelijk te zijn voor zijn zoon, er is een schoonzoon die helpt op een boerderij als de bevalling van een koe vreselijk misgaat. De Jonesiaanse vertelwijze is rauw, geconcentreerd en authentiek, zonder dat het een trucje wordt.
Cynan Jones: Deining. (Pulse) Vert. Manon Smits. Koppernik, 192 blz. €23,50
Jones’ oeuvre beslaat vijf korte romans, waaronder Inham (2016) en De lange droogte (2018) en de kleine verhalenbundel 3 sprookjes (2019). Er tekent zich kenmerkende receptuur af: de structuur met een verhoudingsgewijs lange aanloop, een indringend emotioneel hoogtepunt, een flinterdun stukje afwikkeling – soms blijven we zelfs achter in de climax. De personages zijn getroebleerd en stug van aard, Jones zet ze met een zelfverzekerde zuinigheid neer: veel achtergrond krijgen we niet, vaak zelfs geen naam. Het personage bevindt zich in een landschap, moet daar iets overwinnen (een helling beklimmen, een boom kappen, een beer afschieten) en wordt dan geconfronteerd met de elementen (storm, sneeuw, hitte). Hou het klein, lijkt Jones’ schrijfopvatting te zijn: een glimp, een moment in een leven, te midden van een weids landschap, is in een paar treffende details al groot genoeg. En dat is wat er gebeurt: de werelden die Jones’ optrekt voelen groots, overweldigend zelfs.
Deining omvat zes verhalen. In het eerste, getiteld ‘Slechtvalk’, lezen we hoe twee mannen zich op een nachtelijk strand begeven en zich opmaken – bootje opblazen, touwen aan boord, wetsuit aan – om even verderop valkenkuikens te roven, die een fortuin waard zijn. Het hoofdpersonage is de man die daartoe een klif zal beklimmen. Voor het zover is, ziet de man de klif in de verte, en lijkt hij in een schaduw een jongen te herkennen van vroeger. Hun relatie wordt in een paar zinnen duidelijk: „Zijn fluim die daar hing, uitgestrekt, de rooie kop van dat joch. Het primitieve gerommel van riemen op het dak van de schoolbus terwijl hij de rugzak uit het dakraam hield. Hoe die hoog door de lucht was weggezweefd.” Veelzeggend is de bezwering even later: „Het was niet mijn schuld. Het was niet mijn schuld wat er met die jongen gebeurde. Ik was niet de enige. Die jongen heeft dat zichzelf aangedaan.” Een oude schuld steekt de kop op.
De natuur legt bloot dat iets pijnlijks moet worden overwonnen, doorvoeld, verwerkt. Er is zoveel meer dan wat er in de tekst wordt aangereikt: de kernachtige zinnen met het wit ertussen laten ruimte voor eigen invulling. De handelingen worden nooit als spectaculair neergezet, eerder bestaan ze uit een praktische voorbereiding voor een klus die geklaard moet worden. In de verhalen wordt met een subtiele spanning toegewerkt naar de vraag: wint de mens of de natuur? Maar daarnaast ontvouwt zich het meest intrigerende lijntje: de ontwikkeling van de innerlijke wereld van het personage, waar een associatieve, gefragmenteerde waaier aan gedachten opengaat. Het is een contrast dat heel goed werkt. De natuur wint bijna altijd, maar ondertussen is er in het individu ook iets verschoven.
In het titelverhaal ‘Deining’ speelt een oude boerderij een rol, die geteisterd wordt door noodweer. Vader, moeder en dochter wachten tot de storm overtrekt en houden daarbij nerveus de dennenboom in de gaten die gevaarlijk dicht bij de elektriciteitskabels staat en steeds verder overhelt. „Hij heeft absoluut bewogen”, merkt de vrouw op. De man besluit in het noodweer naar buiten te gaan om een tak af te zagen: „Het is één tak. Met dit weer komt er niemand om het te regelen”. Terwijl de storm woedt en het water langzaam het huis in sijpelt, zijn er onheilspellende momenten van verstilling: het speelgoed staat verstard, de dochter ligt te slapen, een ineengedoken wesp houdt zich opgekruld aan het touw vast dat de man gebruikt om in de boom te klimmen. Het gevoel van kwetsbaarheid is indringend en lijkt bovendien iets belangrijks voor de man om te beseffen: „Hij moest aan de wesp denken. Die kreeg hij maar niet uit zijn hoofd. Het vreemde gevoel dat ervan uit was gegaan, zo roerloos, in de geselende storm.” Hoewel de boom uiteindelijk wel degelijk met behulp van werklieden wordt omgezaagd, is de dreiging dan nog niet weg. De natuur heeft altijd de overhand.
Jones beschrijft in heldere, afgemeten zinnen de subtiele wendingen in de hoofden van mensen, die tot stand komen in een dialoog met de natuur. De verschuivingen lijken van fundamentele aard: hoewel we kleine momenten, soms enkele uren, soms een paar dagen, beschreven krijgen, gaat het altijd om beslissende momenten. De verhalen lenen zich stuk voor stuk goed voor een uitgebreide analyse; ze zijn gelaagd en mysterieus. Na het lezen ervan heb je het gevoel dat je daadwerkelijk iets hebt meegemaakt. Hoewel Jones ons nauwelijks écht dicht bij een personage laat komen, we kijken altijd van een afstandje toe, en er evenveel gezwegen wordt als gezegd, voelt het intiem en belangrijk om precies op dát moment en op die plaats, even met ze op te trekken. Zoals de titel zo mooi vat, gaat het om een lichte beweging, een kleine opschudding, die met een vergrootglas bekeken mateloos kan fascineren.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews