Home

Zie maar eens op een sport te gaan als je ouders weinig geld hebben. Deze stichting probeert die jongeren in beweging te krijgen

Jeugd Kinderen uit gezinnen met lagere inkomens sporten veel minder dan kinderen uit gezinnen met hogere inkomens. Gemeenten hebben moeite hen te bereiken. Stichting Boukie lukt het wel. „Ik was een beetje een herrie-achtig kind. Nu ik hier veel kom, ben ik veel rustiger in mijn hoofd.”

Jongeren uit Gorinchem spelen een potje basketbal bij Stichting Boukie. Uiterst links 'Mootje' (14) en uiterst rechts Kazim Kesken (19).

„OOOOOHHH!!” Drie veertienjarige jongens liggen bijna op de grond van het lachen: panna door de benen van de verslaggever. Het duurt niet lang voordat een van hen er eentje terugkrijgt. „Kunt u ook één tegen één? Ik moet mijn dribbels oefenen”, zegt ‘Mootje’ (14), die zojuist – inclusief geanimeerde demonstratie – verteld heeft over zijn voetbalpotje afgelopen week. „Toen deed ik zo, toen deed ik zo, en toen zette ik die voorzet! Meestal schiet ik zelf op doel, maar de trainer zegt dat ik vaker moet passen.”

Mootje was de afgelopen jaren lang niet altijd zo vrolijk. „Ik was een beetje een herrie-achtig kind, snapt u? Een beetje agressief en zo. Heel snel boos. Ik moest wat zachter worden. Nu ik hier veel kom, ben ik veel rustiger in mijn hoofd. Ik kan hier de hele tijd bewegen, rennen, voetballen. Als ik het écht nodig heb, kan ik zelfs losgaan op de bokszak.” Hij rent naar een van de zakken die langs de muur hangt toe; die krijgt het zwaar te verduren met vliegensvlugge stootjes en elleboogjes. „Ik kan nog wel sneller hoor! Kunt u ook pingpongen?”

‘Hier’ is bij buurtcentrum voor jongeren Stichting Boukie in Gorinchem. In de zaal waar Mootje (voluit Mohamed) en zijn vrienden aan het voetballen zijn, staan ook twee pingpongtafels en hangen bokszakken langs de muren. Achter het gebouw ligt een voetbal- en basketbalveld en in een klein stenen gebouwtje, vroeger een schuur, is een fitnessruimte gebouwd. De deur gaat net lang genoeg open om het puberzweet te ruiken; de drie aanwezige jongens hebben weinig tijd voor een praatje: de één heeft een halter boven z’n borst hangen, de ander stoot een gewicht de lucht in.

Geen lidmaatschap

Hoeveel en hoe vaak jongeren sporten en bewegen, is van veel factoren afhankelijk. Het gezinsinkomen, de gezinssituatie, culturele aspecten, afstand tot voorzieningen. Stichting Boukie probeert kinderen en jongeren te bereiken die vanwege uiteenlopende omstandigheden anders weinig sporten. „De meesten hier zijn geen lid van een vereniging”, zegt medeoprichter (en naamgever) Mohamed Boukrouche (39). Het buurtcentrum trekt volgens hem wekelijks zo’n driehonderd jongeren. Op vaste dagen staan er vrijwilligers bij de verschillende faciliteiten voor trainingen. De kosten van de stichting worden voornamelijk gedekt door gemeentelijke subsidies en andere fondsen.

Directeur Mohamed Boukrouche

Het Kenniscentrum voor Sport & Bewegen publiceert deze woensdag een publicatie die de ongelijkheid in sport- en beweeggedrag onder kinderen en jongeren laat zien. Uit de publicatie blijkt dat kinderen uit gezinnen met een laag inkomen veel minder sporten dan kinderen uit gezinnen met een hoog inkomen. In de lage inkomensgroep sport de helft van de kinderen (4 tot 11 jaar) wekelijks, tegenover bijna acht op de tien kinderen in de hoge inkomensgroep. Terwijl alle kinderen wél evenveel plezier beleven aan sport: ongeacht gezinsinkomen geven kinderen sport gemiddeld een cijfer van 8,4.

In de kinderleeftijd is er weinig verschil tussen jongens en meisjes, maar vanaf 12 jaar gaan meisjes uit gezinnen met een lager inkomen minder sporten: slechts vier op de tien sport dan nog, tegenover zes op de tien jongens. „Bijvoorbeeld omdat ze meer verantwoordelijkheden thuis krijgen of omdat ze zich minder thuis voelen bij een sport”, zegt Laura Butselaar, specialist Jeugd bij het kenniscentrum. Want ook het sportplezier neemt rond die leeftijd af.

Dat kan ook te maken hebben met cultuur, zegt Butselaar: „We weten dat meisjes met een bi-culturele achtergrond het minst sporten. De sportcultuur sluit lang niet altijd aan, omdat die bijvoorbeeld te competitief is ingericht met verplichte trainingen en wedstrijden of omdat er alleen mannelijke trainers zijn.”

Het is belangrijk dat er meer sportaanbod komt dat aansluit op de leefwereld van kinderen en jongeren die nu niet bereikt worden, zegt Butselaar. Maar dat is nog best lastig: initiatieven vanuit bijvoorbeeld de gemeente of sportaanbieder weten de juiste doelgroep, zoals meisjes met een migratieachtergrond, lang niet altijd te bereiken.

Culturele gevoeligheden

„Ga maar rondjes rennen allemaal!”, roept Yousra Boutarga (29) een twintigtal meisjes uit groep 6 en 7 toe. De één strikt nog even een veter of maakt de hoofddoek extra goed vast terwijl de ander al rondrent, om op te warmen voor de kickboksles. Als de les begint, vertrekken de verslaggever en medeoprichter van Stichting Boukie Azwien Khadjé (45): dit uur is de zaal alléén voor deze kids. De kinderen komen net uit school en zijn opgehaald door de stagiair.

Hoe lukt het Khadjé en Boukrouche om deze doelgroep wél te bereiken? „De gemeente vraagt ons weleens om advies”, zegt Khadjé. „Ze hadden een flyer gemaakt om meiden te motiveren om te komen sporten, maar ze kwamen niet. Wat hadden ze gedaan? Een mannelijke trainer voorop die flyer. Wij hebben expres twee vrouwelijke trainers.”

Je moet rekening houden met culturele gevoeligheden, zegt ook de 35-jarige Adnan Abdi. Hij is vrijwilliger bij het buurtcentrum. „Vooral als conciërge en als ervaringsdeskundige, want ik weet precies hoe het níet moet.” Bij strenge gesprekken met jongeren die „de verkeerde kant op dreigen te gaan”, is Abdi er altijd bij.

In zijn jeugd was er geen plek als deze, vertelt hij, „dus trapte ik rotzooi op straat”. Vooral tijdens de Ramadan, na de iftar. „Dat is een klassiek moment, want als je het vasten gebroken hebt krijg je heel veel energie. Wij gingen dat uitleven op straat. De jeugd van nu kan dat hier uitleven.” Om die reden organiseert de stichting samen met de gemeente en moskeeën ook de ‘Ramadan Cup’, een voetbaltoernooi dat elke avond begint na de iftar. „’s Avonds is het met de Ramadan leeg in Gorinchem, want iedereen is hier”, zegt Abdi.

Jongeren op het basketbalveld bij Stichting Boukie.

Gemeentes zetten steeds vaker ‘buurtsportcoaches’ in die kinderen in de wijk moeten activeren om te sporten. Het succes daarvan is wisselend, zegt Butselaar. „Ook die coaches lukt het lang niet altijd de kinderen te bereiken die het het best kunnen gebruiken. Als zo’n coach een buurt en de gezinnen goed kent, zien we veel betere resultaten. Daarom is samenwerking met andere professionals, zoals jongerenwerkers, zo belangrijk.” Dat geldt ook voor Boukrouche en Khadjé. „Als we je een tijdje niet hebben gezien, bellen we je broer of gaan we langs bij je ouders, om te kijken of alles goed gaat”, zegt Boukrouche.

Sociale vaardigheden

Vandaag nog, zegt hij, „appte ik hem: wat ben je aan het doen vandaag? Niets? Ga douchen en kom hierheen. Nu is hij hier.” ‘Hij’ is Kazim Keskin (19), inmiddels ook vrijwilliger bij Boukie. Op zijn vijftiende kwam hij hier voor het eerst, op aandringen van zijn zusje. „Die ging altijd maar naar Boukie toe, om te voetballen. Ga nou eens mee, zei ze, dus dat deed ik. Ik was toen te zwaar en sportte niet veel, en was heel verlegen. Maar hier is iedereen bezig met sport, dus ging ik ook af en toe meedoen. Nu ben ik veel kilo’s afgevallen en train ik zelfs voor de politieacademie.”

Hij is ook wat uit zijn schulp gekropen, meent Boukrouche. „Als ik op vakantie ben, helpt hij Azwien hier. De andere jongeren luisteren naar hem. In het begin durfde hij niet eens echt met ze te praten.” Keskin knikt driftig. „Door hier een beetje te chillen en te trainen heb ik meer sociale vaardigheden opgedaan.”

Zijn zusje Sudenaz Keskin (18) – ze komt toevallig net binnengelopen – heeft hier vooral aan haar voetbalvaardigheden kunnen werken. Boukrouche en Khadjé zagen het plezier én het talent bij haar. Ze wilde graag nog beter worden. „Dus zijn we destijds met haar naar een voetbalschool gegaan”, zegt Khadjé. „Dat konden we vanuit de stichting niet financieren, en hebben we toen zelf betaald. Als kinderen met zo’n vraag bij je komen en serieus zijn, proberen we altijd ‘ja’ te zeggen. Want we weten hoe moeilijk het is om de vraag überhaupt te stellen.”

Ze redde het uiteindelijk tot het zaalvoetbalteam van Jong Oranje. Ook andere buurtkinderen profiteren van zoiets: ze zette op verzoek van Khadjé en Boukrouche een eigen voetbalteam voor tienermeiden op.

Eigen sleutelpas

De jongeren zijn hier de baas, zegt Boukrouche, en dat verklaart waarom ze er zo graag komen. Vanaf 15 jaar kunnen ze via een app een eigen sleutelpas krijgen, waarmee ze ook in het weekend toegang hebben tot het terrein en de verschillende ruimtes binnen het gebouw.

De 14-jarige Mootje heeft nog niet zo’n sleutel, terwijl hij dolgraag ook in het weekend zou komen. „Boukie, ik heb een héél belangrijke vraag”, zegt hij tegen Boukrouche. Of hij alsjeblieft ook een sleutel mag? „Je hebt mijn nummer, toch?”, vraagt Boukrouche. „App mij als je naar binnen wil, dan doe ik de deur open. Als dat goed gaat, krijg je over een paar maandjes je eigen sleutel. Goed?” Mootje glundert. En dan rent hij weer weg. Zoef, terug naar de bal.

Sport

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next