In sommige landen betalen consumenten door de oorlog tegen Iran bijna het dubbele voor een liter benzine. Ook diesel is veel duurder geworden – al is een daling van de prijzen in zicht.
is onderzoeksjournalist van de Volkskrant.
Gemiddeld kostte een liter benzine eind december vorig jaar 1,17 dollar. Sinds 23 februari, de dag waarop de Verenigde Staten en Israël hun aanval op Iran begonnen, steeg de prijs snel, inmiddels tot 1,42 dollar. Diesel werd nog duurder. Kostte een liter diesel eind januari nog 1,19 dollar, inmiddels is dat gemiddeld 1,58 dollar.
Na het staakt-het-vuren tussen de Verenigde Staten en Iran op woensdag daalde de olieprijs weer tot onder de 100 dollar, een prijsniveau dat nog altijd veel hoger ligt dan voor het begin van de oorlog. Bij dit prijsniveau zullen brandstofprijzen gaan dalen, maar wereldwijd wel tientallen centen hoger blijven dan voorheen.
Aan de pomp zijn de verschillen per land voor consumenten op dit moment enorm. In Myanmar bijvoorbeeld is brandstof twee keer zo duur geworden. Een liter benzine kost daar nu 1,52 dollar. Vooral Aziatische landen zijn afhankelijk van olie en ook van diesel, die schepen vervoeren door de Straat van Hormuz.
Consumenten betalen nu het meest in Hongkong, waar een liter benzine 4,13 dollar kost. Nederland is een duur land in de wereldwijde rangschikking, met 2,70 dollar (zo’n 2,31 euro) per liter. De laagste prijzen aan de pomp worden volgens een analyse van Global Petrol Prices gerekend in Libië, Iran en Venezuela. Dat zijn landen die zelf olie winnen en/of exporteren. De prijsverschillen per land ontstaan vooral door belastingen als btw en accijns. Landen die weinig belastingen heffen, zien procentueel de prijzen sneller oplopen.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant