Karlijn Roex | socioloog Hoe moeten overheid en politie omgaan met mensen die de samenleving ‘verward’ vindt? Hierover debatteert de Tweede Kamer donderdag. In elk geval niet met repressief beleid, zegt Karlijn Roex, socioloog en ervaringsdeskundige. „De samenleving eist dat ik ‘normaal’ ben. Maar wat is normaal? Dat ben ik vaak niet.”
Karlijn Roex, socioloog.
Karlijn Roex is een verward persoon. Zo staat het althans in de systemen. Meermaals zijn agenten op haar afgekomen omdat ze, volgens omstanders, in de war over straat liep; een zogeheten E33-melding. Eén keer namen de agenten haar mee en werd ze in een cel gezet.
Roex (36) is ook socioloog. Ze studeerde in Utrecht en Oxford en promoveerde magna cum laude aan het prestigieuze Max Planck Instituut in Keulen op de relatie tussen werkloosheid en zelfdoding. Ze schreef het boek In verwarde staat (2019), een kritiek op het gangbare beleid om ‘verward gedrag’ aan te pakken, dat te veel gericht zou zijn op repressie en te weinig oog zou hebben voor de veiligheid van verwarde personen zelf. Nu onderzoekt ze het gemeentebeleid voor overlast en jongerenproblematiek. Een dag per week geeft ze trainingen en advies: hoe moet je als lokale of landelijke overheid of als politie omgaan met mensen die de samenleving ‘verward’ vindt?
Die vraag staat ook centraal in een Tweede Kamerdebat deze donderdag. Daar schuiven liefst vijf bewindspersonen bij aan: behalve de minister van Justitie en Veiligheid, onder meer de ministers van Volkshuisvesting en Binnenlandse Zaken. Het toont de complexiteit van het dossier ‘verwardheid’. Dat gaat om veiligheid, maar ook om wonen, om repressie, om zorg. En soms om alles tegelijk.
Een serie incidenten maakte pijnlijk duidelijk dat de ggz en politie zich geen raad weten met ernstig verwarde personen. Afgelopen weekend schreef NRC nog over de psychotische veelpleger Edwin V, die telkens weer op straat of in de gevangenis belandde, terwijl hij eigenlijk zorg nodig had. Vorige week pleegde hij in zijn cel suïcide.
Het nieuwe kabinet werkt aan een wet die het mogelijk moet maken verwarde personen sneller gedwongen op te nemen. Burgemeesters moeten sneller ‘bemoeizorg’ kunnen toepassen, ook op mensen die dat zelf niet willen. In Amsterdam kunnen inwoners inmiddels via een ‘centraal meldpunt’ mensen met verward gedrag aangeven. Rotterdam wil een speciale opvang voor die groep openen.
De cijfers lijken de urgentie van nieuwe maatregelen te onderstrepen. Vorig jaar registreerde de politie 168.960 meldingen van ‘verward gedrag’, een record en 12 procent meer dan een jaar eerder. En bijna vier keer zoveel als in 2011, toen meldingen van verward gedrag voor het eerst werden vastgelegd als ‘E33‘.
Alleen de term: ‘verward’. Daar gaat het eigenlijk al mis, zegt Roex in een café in Utrecht. ‘Onbegrepen’ dan, zoals ook wel wordt gebruikt door hulpverleners? Ook een „jeukterm”, zegt ze, „maar beleidsmakers snappen wat je ermee bedoelt”. „Het is vooruitgang ten opzichte van ‘verward gedrag’, omdat het beschrijvender en neutraler is. Het doet niet meer de aanname dat iemand ráár is, want dat weet je helemaal niet. ‘Onbegrepen’ constateert gewoon dat je iemands gedrag even niet begrijpt.” Waarom dan toch een jeukterm? „Omdat alleen het label veranderd is, niet het onderliggende discours.”
Dat discours, schrijft Roex in In verwarde staat, is er een van een „politiek van normaliteit”, waarbij alles wat afwijkt onderdrukt wordt met een „repressie-arsenaal” (zoals dwangzorg). De oorzaken van verward gedrag worden intussen genegeerd – toenemende bestaansonzekerheid in een samenleving die sneller en stressvoller wordt, waardoor sommige mensen in psychische problemen komen, bijvoorbeeld. Er heerst „morele paniek” rondom verward gedrag en „de abnormale wordt als zondebok gebruikt”, waar zo’n samenleving naar kan wijzen en zeggen: die gaat onze wijk onveilig maken.
Roex is er zelf dus een. Toen ze negentien was, pas aangekomen in Utrecht, raakte ze op een dag haar huissleutel kwijt, juist toen de veeleisendheid van haar nieuwe leven haar begon te overweldigen. Ze schreeuwde – letterlijk – om hulp, maar in plaats daarvan belde iemand de politie. Die sloot haar op.
Sindsdien staat Roex geregistreerd als ‘verward persoon’. In de jaren daarna werd de politie nog een stuk of vijf keer gebeld, omdat Roex in het openbaar een paniekaanval had en mensen haar gedrag verward vonden. „Ik behoor tot de groep waarvan de vrijheid te boek staat als een serieuze bedreiging van de openbare orde en veiligheid”, schrijft ze in haar boek.
Wat dat betekent? Nou, dat agenten schrikken als Roex aanklopt om aangifte te doen. „Ook dan komt die registratie naar boven.” Terwijl, benadrukt Roex, het sowieso niet makkelijk is om in een samenleving te leven waar je steeds overprikkeld bent. „De samenleving eist dat ik ‘normaal’ ben. Maar wat is normaal? Dat ben ik vaak niet.”
Als Roex overprikkeld raakt en een ‘crisis’ heeft, kan ze gaan schreeuwen of huilen. „Dat vinden mensen soms bedreigend, maar ik zal nooit zeggen dat ik iemand iets aan zal doen.” Bovendien weet ze in zo’n situatie vaak heel goed wat er moet gebeuren. Taxi naar huis, „dat is prikkelarm”, hup, een warme douche en dan een kop thee. „Dan gaat het meestal weer prima en word ik rustig.” Eigenlijk, zegt Roex, is ze op zo’n moment best in control. „Maar als iemand de politie belt, verlies ik die regie. Dan moet ik mee in het stappenplan van de agenten, terwijl ik gewoon een kop thee nodig had. En dan kunnen de agenten nog zo aardig zijn, maar het voelt heel onveilig. Daarom stel ik de vraag: we hebben het in het ‘verwarde personen-debat’ vaak over overlast en onveiligheid: maar over wiens overlast en onveiligheid gaat het dan?”
Ze noemt voorbeelden die ze door de jaren heen hoorde. Over een vrouw die doorhad dat ze een psychose had en zich vastklampte aan een lantaarnpaal, „haar laatste beetje realiteit”. De buren dachten dat ze ontspoorde, belden de politie. „Die vrouw had een plan om te ontcrisissen, alleen kreeg ze de kans niet omdat er binnen no time agenten stonden die eisten dat ze de lantaarnpaal losliet. Dáárvan raakte ze in paniek.” Ander voorbeeld: een vrouw die huilde omdat de gedachten in haar hoofd „letterlijk pijn deden” – ook zij had een psychose. „En toen zei de agent: stop eens met huilen.”
Ze wil maar zeggen: niet elke E33-melding is een verwarde vent met een mes. Volgens onderzoek is er een groep van zo’n 1.500 mensen die gevaarlijk kunnen zijn. Een veel groter deel, zegt Roex, zijn dus mensen die zélf vaak goed doorhebben wat er gebeurt en hoe ze er weer uitkomen. Toch gaat het maatschappelijke debat over verwarde personen vooral over die man met het mes, zegt Roex, en is het beleid erop gericht te voorkomen dat die man slachtoffers maakt.
„Het is een spectrum, van een depressieve patiënt tot een demente oude vrouw tot inderdaad die man met een mes. Ze worden op één hoop gegooid, in de media en de Tweede Kamer gaat het over ‘tikkende tijdbommen’. Voor de demente oude vrouw is nog wel medelijden, maar de psychotische bovenbuurman vinden we meteen eng.”
„De kans dat je door je eigen partner vermoord wordt, is vele malen groter dan door een psychotische buurman. Dat aantal is echt best laag.”
„De kans dat iemand met een psychose gewelddadig wordt, is slechts een paar procent hoger vergeleken met de rest van de bevolking. Maar ik vraag me altijd af waarom we niet evenveel naar andere, grotere voorspellers kijken. Jong en man zijn is een grotere voorspeller voor geweld. Ik pleit er niet voor om alle jonge mannen op te sluiten, maar er zit wel een dubbele standaard.”
„Ik denk dat we afwijkend te snel als onveilig zien. We zijn niet meer gewend om met onduidelijkheid om te gaan. We willen dat alles voorspelbaar is. Als ik ‘hallo’ zeg en iemand zegt geen ‘hallo’ terug, dan voelen we meteen ongemak. Dat wordt gevoed doordat we onduidelijkheid en ambivalentie als veiligheidscrises hebben geframed.”
Het is heel gemakkelijk, denkt Roex, om ná incidenten te zeggen: we hadden het anders moeten doen, we hadden moeten ingrijpen. Maar het eerlijke verhaal is volgens haar: in een samenleving met heel veel mensen, kun je nooit alles voor zijn. „Nu is elk incident een bewijs dat er te weinig gebeurt, maar klopt dat wel?” Soms wel: Corné H. bijvoorbeeld, die in een café in Ede mensen gijzelde omdat hij, zei hij later, hulp nodig had maar niet kreeg.
Maar dat is precies haar punt: hij wílde hulp, gaf er toestemming voor. „Dat vind ik ontzettend belangrijk. Als iemand met een mes loopt te zwaaien, ja, dan mag je dwang toepassen. In alles daarvóór is dwang in mijn ogen een ongeoorloofde beperking van iemands vrijheid.”
Hulpverleners zullen redeneren dat iemand van straat plukken van wie ze inschatten dat-ie gevaarlijk kan worden, voorkomt dat het misgaat. Maar hoe weet je dat? „Dan moet iemand dus constant bewijzen dat hij in de toekomst niets schadelijks gaat doen. Dat zouden we bij ‘normalen’ ook niet accepteren. Om straks vrij naar huis te kunnen gaan, wil ik niet hoeven bewijzen dat ik niks gevaarlijks ga doen.”
De angst voor afwijking van de norm zit deels in onze aard, zegt Roex. „Maar we moeten leren omgaan met verschillen.” In trainingen leert ze politieagenten zich meer te verplaatsen in de ‘verwarde’ persoon. Het helpt als ze empathischer zijn of, zoals een agent haar na een training zei, „met een opener houding op de melding af gaan”.
Uiteindelijk zijn mensen met onbegrepen gedrag geen zaak voor de politie, vindt Roex. „Agenten hoeven eigenlijk niets met mensen die geen strafbaar gedrag vertonen. In een empathische samenleving zijn het anderen die daar iets mee moeten.” Dus heeft de schreeuwende man een mes? Tuurlijk, bel de politie, daar hebben we het strafrecht voor, zegt ze. Maar vaker is het volgens Roex niet nodig om 112 te bellen en het voor de ‘verwarde’ persoon logische handelen te verstoren door agenten op hem of haar los te laten. Om direct te denken: die schreeuwende man of vrouw moet wel een tikkende tijdbom zijn die een keer, misschien nu wel, ontploft. Soms, zegt Roex, heeft iemand gewoon een luisterend oor of een kop thee nodig. En soms is niets doen het beste.