Documentaire ‘Ghost Elephants’ volgt natuuronderzoeker Steve Boyles, die zijn leven wijdt aan de zoektocht naar een kudde ‘spookolifanten’ in Angola. Regisseur Werner Herzog maakt de kijker getuige van een hallucinante obsessie.
De Hongaarse jager Josef J. Fénykövi zit op een olifant die hij aan het Smithsonian Instituut doneerde nadat hij deze gedood had.
Ghost Elephants. Regie: Werner Herzog. Lengte: 99 minuten.
Te zien in de bioscoop en vanaf 5 juni op Disney+.
Ergens op de hoogvlakte van Angola, waar enkele grote rivieren zoals de Congo en de Zambezi ontspringen, leeft een kudde olifanten; het gebied is ontoegankelijk en onherbergzaam. Deze olifanten vormen de droom van de Zuid-Afrikaanse natuuronderzoeker Steve Boyes (1979), een man die gelooft in het onmogelijke.
Regisseur Werner Herzog (1942) opent zijn nieuwste natuurdocumentaire Ghost Elephants in het Smithsonian Museum of Natural History in Washington DC. In de centrale rotunda staat een opgezette olifant, het grootste landdier ter wereld dat juist vanwege zijn grootte werd neergeschoten door een Hongaarse jager op 13 november 1955. Deze jager schonk vol trots en niet gehinderd door enige schaamte het tonnen wegende dode dier aan het Amerikaanse museum. We krijgen zwart-witfoto’s van hem te zien, poserend met zijn geweer, lachend zittend op de gedode olifant.
Boyes – hoed op, fikse baard – cirkelt rond het opgezette dier. Al tien jaar is hij door deze mannelijke bush elephant bevangen en is hij ervan overtuigd dat er op 1.200 meter hoogte nazaten van hem leven, diep in de wildernis. Het is een kudde van mythische allure, zelden of nooit door iemand gezien, spookolifanten, ze leven in de verbeelding zoals de Verschrikkelijke Sneeuwman of Moby Dick. Boyes is als de grizzly man van de olifanten, maar dan in de geest.
Het eerste en enige beeld dat ooit van de ‘spookolifanten’ werd geschoten, door een van de spoorzoekers gemaakt met een mobiele telefoon.
Herzogs documentaire volgt Boyes in zijn olifantendroom. Niet alleen door de bush op ruige zoektocht, begonnen met fourwheels en tot slot ruim veertig kilometer te voet verder naar de plek waar de geheimzinnige olifanten verblijven – het is meer. Herzog zelf is direct betrokken, al komt hij niet in beeld. Met zijn fenomenale stem, diep en welluidend, geeft hij klank aan Boyes’ missie. Hij laat hem en de andere hoofdpersonen aan het woord, stelt vragen. De scènes in de dorpen van de drie Afrikaanse spoorzoekers, de master trackers, zijn imposant. De mannen geloven dat tijdens nachtenlange rituele dansen bij maanlicht en vuur de geest van de olifanten bezit van hen neemt. Dit drietal wijst Boyes de weg. Ze vinden het trekspoor van de dieren, zelfs een enkel grijs haartje op schofthoogte in de boomschors geldt als bewijs.
Herzog, zijn cameraploeg en componist Ernst Reijseger maken de kijker tot getuige van een hallucinerende obsessie. We zien olifanten gewichtloos onder water zweven als in een ballet. We zien ze weerkaatst in de waterspiegel van een rivier, alsof het schimmen zijn, de hersenspinsels van Boyes. Tot slot, plots, als niemand erop rekent, een grijze schim ver weg tussen de bladeren, niet meer dan dat. Het dier vlucht weg. Een pijl die master tracker Xui afvuurt om dna af te nemen kaatst af. Zal Boyes ooit zekerheid krijgen? Hij berust erin, vol wijsheid; in Herzogs woorden: „misschien moet de droom een droom blijven”.