Interview | Carla Simón In het autobiografische ‘Romería’ gebruikt Carla Simón haar eigen verleden om te laten zien hoe Franco’s dictatoriale regime in Spanje nog steeds doorwerkt.
Llúcia Garcia speelt in 'Romería' zowel de achttienjarige Marina als haar moeder in flashbacks.
Romería. Regie: Carla Simón. Met: Llúcia Garcia, Mitch Martín, Tristán Ulloa. Lengte: 114 minuten.
Te zien in de bioscoop.
Elke geschiedenis kent zijn verloren generaties, en de Spaanse filmregisseur Carla Simón (1986) is de dochter van de verloren generatie van de jaren tachtig. De fascistische dictator Francisco Franco – aan de macht van 1939 tot 1975 – was overleden, zijn hooggeplaatste aanhangers weggepromoveerd, de rest werd met de amnestiewet van 1977 vergeven. En met de amnestie kwam de amnesie. Het zou nog tot 2007 duren voordat in Spanje een wet werd aangenomen die de rechten regelde van de nabestaanden van de doden en andere slachtoffers van het regime.
„Er was veel zwijgen. Dat beginnen we nu pas te doorbreken”, vertelde Simón eerder dit jaar op het filmfestival van Rotterdam, waar haar derde speelfilm Romería z’n Nederlandse première beleefde. Haar semi-autobiografische film volgt de achttienjarige Marina die vanuit Catalonië reist naar Galicië, waar haar ouders elkaar hebben leren kennen en waar haar vader vandaan komt. Simóns ouders raakten in de jaren tachtig verslaafd aan heroïne en raakten via gedeelde naalden besmet met hiv. Toen Simón zes was, waren haar ouders beiden overleden aan de gevolgen van aids. „De zoektocht naar haar biologische vader die Marina onderneemt, heb ik zelf ook achter de rug.”
Regisseur Carla Simón in augustus 2025.
„Mijn film is een amalgaam van allerlei gebeurtenissen”, zegt Simón. „Mijn grootouders van vaderskant ontmoette ik toen ik zeventien was in Barcelona. Daarna maakte ik de reis van de ene naar de andere kant van Spanje, van het warme water van de Middellandse Zee naar de koude golven van de Atlantische Oceaan. Pas toen ik in Vigo aankwam, een havenstadje schuin onder Santiago de Compostella, en het huis en het landschap zag waarin mijn vader is opgegroeid, vielen alle puzzelstukjes op hun plaats.”
Je zou de drie films die ze tot nu toe maakte haar filmische biografie kunnen noemen. Summer 1993 (2017) baseerde ze op de weinige jeugdfoto’s die ze had. Alcarràs (2022) bleef in die kinderjaren: na de dood van de patriarch dreigt de perzikenboomgaard van een familie verkocht te worden aan een windmolenpark. De film kiest geen partij, maar laat de pijn van de veranderingen zien voor de hele familie. En zo de pijn die meekomt met een veranderend Spanje.
Maar pas in Romería is Simóns blik echt ontwaakt: „Je zou kunnen zeggen dat in Summer 1993 het zaadje voor Romería is geplant. Ik kreeg de brieven in handen die mijn moeder naar huis had gestuurd in de tijd dat ze met mijn vader in Vigo leefde, maar realiseerde me ook dat ik mijn ouders nooit meer helemaal zou kunnen leren kennen. Via de film heb ik die herinneringen alsnog gecreëerd. Omdat in mijn vaders familie een grote zwijgcultuur heerste kwam ik er tijdens het maken van de film achter dat hij ook een soort allegorie werd voor de Spaanse geschiedenis. Na de dood van Franco zocht een hele generatie naar vergetelheid.”
Met de brieven van haar moeder als basis schreef Simón een gelaagd scenario. In het heden van het verhaal gaat Marina op zoek naar antwoorden over de vader die ze nooit heeft gekend. Via de brieven, Marina’s eigen dagboekaantekeningen, en de camera die ze overal mee naartoe neemt, ontstaan weer andere perspectieven. En Simón laat ook het verleden van haar ouders tot leven komen door de actrice die Marina speelt ook haar moeder te laten spelen: „Op die manier kunnen heden en verleden ook in elkaar overlopen, en blijft toch duidelijk dat het allemaal een voorstelling van Marina is. Ze leeft zich in haar moeder in, en krijgt zo op een bepaalde manier ook vrede met de geschiedenis die ze nooit helemaal zal leren kennen.”
Als aankomende filmmaker neemt Marina (Llúcia Garcia) overal haar camera mee naartoe.
Simóns ouders ontmoetten elkaar in Vigo, in de jaren tachtig een paradijs voor jeugdcultuur, waar feesten waren en jonge mensen uit heel Spanje naartoe trokken. Niet in de minste plaats omdat de grillige Atlantische kust, van oudsher een geliefd oord voor smokkelaars, de plek was waar drugs aan land kwamen en de heroïne-epidemie begon. Niemand wist hoe verslavend het was. „Mijn ouders waren beiden gebruikers, en aids was nog onbekend. Nadat mijn vader ziek was geworden werd hij verpleegd in een afgesloten kamer in zijn ouderlijk huis, zonder ramen, zo groot waren de schaamte en de onwetendheid. Tegelijkertijd is het mijn moeder wel gelukt om af te kicken toen ze zwanger van mij was. Zij werd pas later ziek. Men zegt dat ik door haar antistoffen beschermd was tegen hiv, maar dat ik met een verslavings-gen ben geboren. Ik ben best nieuwsgierig naar hun ervaringen, maar ben op mijn hoede voor drugs. Door de film ben ik toch in hun hoofd gekropen.”
„De drugsfilm was in die periode een heel populair genre in de Spaanse film”, zegt Simón. „Maar dan ook vaak als politieke metafoor voor het Franquisme, voor onderdrukking en corruptie.” Tijdens haar onderzoek kwam ze een aantal films op het spoor, de zogenaamde ‘cine quinqui’, die eind jaren zeventig, begin jaren tachtig verhalen van outsiders, outcasts, delinquenten (vandaar de naam) en drugsverslaafden koppelde aan sociale en religieuze kritiek.
Het was een manier om al vroeg op de heroïne-epidemie te reflecteren: „Een cultfilm als Arrebato (1979) gaat over een horrorfilmmaker die verslaafd is aan de heroïne en waarin allerlei filmische experimenten worden gebruikt om de drugservaring te verbeelden. Maar ik heb niet alleen de negatieve kanten van het drugsgebruik willen laten zien. Ik heb ze noch willen veroordelen, noch willen romantiseren. De generatie van mijn ouders was ook jong en rebels en op zoek naar vrijheid. De drugs brachten een nieuwe dictatuur.”