Guus Til, de gelegenheidsspits van kampioensploeg PSV, slaat de meeste interviewverzoeken af. Dat vindt de felle discussievoerder beter voor zijn gemoedstoestand. Extra interessant, dus, dat hij nu wél aanschuift en zijn vele overpeinzingen deelt over zijn spel en het afgelopen seizoen.
Guus Til maakt een elegante buiging voor de feestvierende PSV-aanhang. De gelegenheidsspits heeft op een zondagavond in november net zijn derde doelpunt gemaakt en mag de wedstrijdbal na de galavoorstelling tegen AZ mee naar huis nemen. Het is een van de betere wedstrijden van PSV dit seizoen, met Til in een glansrol.
Na afloop krijgt de aanvallende middenvelder volop vragen over zijn positie in de spits, een rol die hij bij absentie van drie echte spitsen met verve invult. Maar deze middag op De Herdgang, een paar weken voor het definitief binnenhalen van de landstitel, zegt Til hetzelfde als die avond in een volle perskamer in Alkmaar. ‘Mijn rol is dit seizoen niet heel veel veranderd.’
Ja, op papier stond Til het grootste gedeelte van het seizoen in de spits. Maar op het veld viel er mede door de bijna perfecte combinatie met Ismael Saibari veel moeilijker een etiket op zijn positie te plakken. Het duo was nooit een echte nummer 9 (spits) en 10 (aanvallende middenvelder), maar veel meer een 9,5. Als gevolg van het voortdurend wisselen van positie.
‘Toen Pepi, Pléa en Boadu geblesseerd raakten, zijn we zonder spits gaan spelen. Of juist met twee, het is maar net hoe je het bekijkt’, zegt Til, die zich ontpopte tot een van de sleutelfiguren van de kampioensploeg. Hij maakte 13 doelpunten, één minder dan clubtopscorer Saibari. ‘Types als Ismael en ik hebben genoeg power om als middenvelder in te zakken en vervolgens voor het doel te komen.’
Het is interessant om Til deze middag over voetbal te horen praten, met zijn soms eigengereide kijk op zaken. Hij schuift met zijn vuisten over tafel, alsof hij een college improviseert, om duidelijk te maken hoe Saibari en hij ten opzichte van elkaar bewegen. ‘Afhankelijk van de tegenstander zeg ik soms tegen Ismael: ‘Kom allebei aan de kant van de bal, dan trekken we het hele centrum open.’
Het is vrij uitzonderlijk dat Til zich 52 minuten lang laat ondervragen en niet bang is om zijn mening te geven. Hij geeft liever geen lange interviews meer, slaat vrijwel elk verzoek af. Hij maakte al vaker mee dat zijn quotes door knip-en-plaksites uit verband werden gerukt. Bovendien heeft iedereen tegenwoordig een mening over voetbal, maar ‘snappen heel veel mensen er niet veel van’.
Til kijkt graag naar een voetbalwedstrijd op tv, maar de voor- en nabeschouwing en praatprogramma’s slaat hij steevast over. ‘Dan hoor ik iemand iets zeggen en denk ik: wat lul je nou slap.’ Hij redeneert: als hij het niet meekrijgt, kan hij zich er ook niet aan ergeren. Hetzelfde geldt voor het geven van interviews. ‘Ik kan heel giftig worden in een discussie. Ik wil dat niet, blijf daar liever uit.’ En, met een lach: ‘Dat is beter voor mijn gemoedstoestand, haha.’
Til pakte afgelopen weekend zijn derde titel in vier jaar bij PSV. Sinds zijn komst was het – zeker aan het begin van elk seizoen – de vraag of hij een basisplaats zou veroveren. Maar telkens speelde de aanvallende middenvelder zich binnen in de ploeg. Wat heet: in de drie seizoenen onder Peter Bosz behoort Til tot de spelers die de meeste minuten maakten.
Het komt mede door zijn specifieke kwaliteiten. Hij heeft een fijnzinnig gevoel voor diepgang zonder bal, perfecte timing en onuitputtelijk loopvermogen. Die eigenschappen bezat hij al in de jeugdopleiding van AZ, al bestonden in Alkmaar lange tijd twijfels over de speler, die vanwege het ontwikkelingswerk van zijn vader werd geboren in Zambia en opgroeide in de Amsterdamse buurt de Bijlmer.
‘In de jeugdopleiding van AZ heb ik tot mijn 17de als verdedigende middenvelder of als links- of rechtshalf gespeeld. Ik moest de controle houden, maar rende vaak naar voren. Ik wilde liever scoren dan dat ik telkens de bal had. Daardoor belandde ik op de bank. Want als ik speelde, kregen we veel doelpunten tegen. Later ben ik als aanvallende middenvelder gaan spelen. Dat paste beter bij mij.’
Kun je dat trainen of moet het in je zitten, op het juiste moment diepgaan zonder bal?
‘Dat vind ik lastig. Je moet de ruimtes ook zien en wíllen aanvallen. Sommige spelers willen de ruimtes niet aanvallen, omdat daar niet hun kwaliteit ligt. Zij vragen de bal liever in de voeten. Als ik de ruimte zie, denk ik: ik ga rennen en als de bal daar komt, zien ze mij niet meer terug. Ik hoef de bal niet altijd te hebben. Maar als ik hem heb, wil ik hem op een gevaarlijke positie. Daar sta ik voor op het veld. Het is niet aan mij om de bal bij de verdedigers op te halen en het spel te verdelen. Dat doet Joey (Veerman, red.) al.’
Til is zich van zijn taak bewust. Het maakt hem een voorbeeldige teamspeler, die altijd aan het collectief denkt. ‘Ik sta niet op het veld met de gedachte: ik moet dit of dat doen om op te vallen. Het gaat mij erom de kans om te winnen zo groot mogelijk te maken. Als ik niet in scoringspositie kom, maar een ander wel drie keer, vind ik dat prima.’
In de galavoorstelling tegen AZ, vorig jaar november, valt Til wel op door drie keer te scoren. Vooral zijn tweede doelpunt is van grote schoonheid. Til sprint al diep voordat Mauro Junior de pass geeft. Op de lange weg naar het doel toe controleert hij de bal met zijn hoofd en tikt die met veel gevoel voorbij de instormende Wouter Goes, corrigeert nog even met de buitenkant van de voet en schiet dan met veel gevoel raak met de binnenkant van de wreef.
Het doelpunt verraadt pure klasse en is technisch volmaakt, maar steekt schril af tegen het beeld dat van de voetballer Til bestaat. Ook Bosz zegt die avond: ‘Mensen verwachten zo’n doelpunt niet van Guus, maar hij heeft een prima functionele techniek.’
Wat vind je van die eeuwige discussie over jou? De ene groep zegt: hij heeft specifieke kwaliteiten zonder bal die maar weinig andere spelers hebben. De andere groep zegt dat het aan de bal er weinig verfijnd uitziet en je tekortkomt.
‘Is dat een discussie, ja? Dat wist ik niet’, zegt Til nonchalant. ‘Dus wat moet ik ervan zeggen?’
Toch komt hij er tien minuten later zelf op terug. ‘Maar ik ben toch wel benieuwd, hè’, zegt Til ineens, terwijl hij net daarvoor iets heeft gezegd over de uitdagingen voor PSV in het nieuwe seizoen. ‘Jij zegt dat de algehele tendens is dat ik niet goed ben aan de bal. Maar over welk aspect heb je het dan?’
Het sentiment is: als het tempo omhoog gaat of de ruimtes kleiner worden, spelen Jerdy Schouten en Joey Veerman makkelijker positiespel en ziet het er bij Paul Wanner stilistisch mooier uit.
‘Dat is precies het punt dat ik net maakte. Waarom zou ik als nummer tien op de positie van Jerdy of Joey moeten komen? Het is niet mijn taak om het spel daar te verdelen. Dat doen zij al. Zo heeft iedere speler binnen het team zijn taak en vergroot je de kans om te winnen.
‘En waarom moet het er mooi uitzien? Ik vind mezelf geen mooie voetballer, ben best slungelig. Maar ik vind het onzin als mensen zeggen dat ik niet goed ben aan de bal.
‘Heb je Medvedev weleens zien tennissen? Het lijkt alsof hij een vliegenmepper in zijn hand heeft. Maar hij behoort wel tot de beste tennissers ter wereld en wint een grandslamtoernooi. Respect. Mijn punt is: het boeit niet.’
Til laat zich niet snel overtuigen, maar is tegelijk heel correct. Bij zijn ploeggenoten staat hij bekend als een sociale jongen, iemand die houdt van een geintje op zijn tijd. Maar hij is ook een denker. Of ‘een overpeinzer’, zoals zijn oud-trainer Marino Pusic hem eens noemde. ‘Op het veld kan het me soms onzeker maken’, zegt Til. ‘Bijvoorbeeld als het niet loopt en ik de oplossing niet zie.’
Hij weet dat een goed team ook opportunisten nodig heeft, spelers die doen in plaats van denken. Om zijn punt te onderstrepen, zegt hij: ‘Ik ben geen goede penaltynemer. Ik denk teveel na. Zo van: zal ik de bal links schieten of toch rechts? En wat zal de keeper denken?’
PSV besloot de selectie afgelopen zomer flink op te schudden. Een aantal bepalende spelers vertrok, daarvoor kwam een trits nieuwelingen in de plaats. Maar het duurde even voordat Bosz zijn ideale elftal had geformeerd. De puzzel viel pas echt in elkaar vanaf het moment dat Til noodgedwongen in de spits belandde, waarmee een dynamisch duo met Saibari werd geboren.
‘Ik zag al vrij vroeg in het seizoen: wij zijn als team stabieler dan vorig seizoen’, zegt Til, waarmee hij refereert aan de implosie na de winterstop die PSV vorig seizoen bijna de titel kostte. ‘Ik heb dit seizoen minder gemakzucht geproefd. De jongens die zijn gebleven, waren de jongens met iets minder pieken en dalen. Als je daar nieuwe jongens bij haalt die grilliger zijn, werkt dat beter dan andersom.’
Til behoort tot de leiders van de groep, met ook Ivan Perisic, Mauro, Veerman en aanvoerder Schouten. Zij staken als eerst de koppen bij elkaar als daar aanleiding toe was. ‘Zeker met Jerdy (Schouten, red.) kan ik verhitte discussies voeren. Hij is ook iemand die veel over voetbal nadenkt. Als we het oneens zijn, kunnen we echt verwijten naar elkaar maken. Zo van: hoe kan uitgerekend jij dat nou niet snappen?’
Voor Til is het seizoen geslaagd. Maar wie weet wacht in de zomer nog het WK. Ronald Koeman zei onlangs dat Til als aanvallende middenvelder in beeld is. De bondscoach kijkt naar wat de beste groep is en zoekt spelers die ook alles geven als ze minder spelen.
‘Het is mooi als de bondscoach je naam noemt’, zegt Til. ‘Maar als het zover komt, moet het niet lijken alsof ik als toerist mee ga. Ik wil mee omdat ik goed kan voetballen. Ik ga niet voor de gezelligheid op de bank zitten.’
Je geeft niet vaak een interview. Maar vind je het niet leuk om toch af en toe je visie op voetbal te delen?
‘Nee, totaal niet. Weet je wat het is: ik wil ook niet overkomen als een pedant mannetje, dat vind ik vervelend. Daarom heb ik zoiets van: anderen mogen over mij praten, ik laat het wel op het veld zien.’
En als je aanvoerder zou zijn en na elke wedstrijd meteen voor de camera moet komen?
‘Ik ben in het begin van mijn carrière aanvoerder geweest bij AZ, maar ik denk dat types zoals ik te uitgesproken zijn om aanvoerder te zijn. Dat is dweilen met de kraan open.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant