Adoptie Het Gerechtshof Amsterdam erkent dat er ernstige misstanden waren bij adopties uit Sri Lanka en dat de staat en de bemiddelingsorganisatie daarvan wisten. Toch handelden zij niet onrechtmatig en dus verliest geadopteerde Dilani Butink alsnog.
Dilani Butink en advocaat Lisa-Marie Komp tijdens de uitspraak van de rechtbank. De door Nederlandse ouders geadopteerde Butink heeft de staat voor de rechter gesleept over haar adoptie uit Sri Lanka.
Dilani Butink werd in 1992 als pasgeboren baby uit Sri Lanka geadopteerd. Inmiddels is ze 34, en haar biologische moeder heeft ze nog altijd niet gevonden. Haar adoptiepapieren kloppen niet, het ziekenhuisregister kent haar moeders naam niet, en het nummer van haar geboorteakte blijkt bij een andere geboorte te horen. „Ik zit hier als volwassene zonder enige duidelijkheid over wie ik ben en waar ik vandaan kom”, opende Butink in december 2025 haar betoog voor het Gerechtshof Amsterdam. Ze eiste dat de rechter zou vaststellen dat zowel de staat als bemiddelingsorganisatie Kind en Toekomst dermate onzorgvuldig hebben gehandeld dat zij daar juridisch verantwoordelijk voor zijn. Dinsdag oordeelde het hof echter dat noch de staat noch het bemiddelingsbureau onrechtmatig hebben gehandeld.
Het was de vierde keer dat een rechter zich over Butinks zaak boog, en elke keer was de uitkomst anders. In 2020 wees de rechtbank haar vorderingen af op grond van verjaring, maar in hoger beroep in 2022 stelde het Gerechtshof Den Haag haar alsnog in het gelijk. De staat had meer en beter toezicht moeten houden, en de stichting had niet klakkeloos mogen vertrouwen op de Sri Lankaanse papieren – zeker omdat er in die periode al genoeg signalen waren over misstanden bij adopties uit Sri Lanka. Na die overwinning ging de staat in cassatie, waarna de Hoge Raad in april 2024 het arrest vernietigde en besloot dat het opnieuw moest. En nu, bij het Gerechtshof Amsterdam, verliest Butink alsnog.
Haar zaak wordt door veel andere geadopteerden gevolgd. Butink was in 2018 de eerste geadopteerde in Nederland die de staat aansprakelijk stelde voor haar frauduleuze adoptie, waarmee ze een weg baande voor anderen in vergelijkbare situaties. Tussen 1973 en 1997 werden ruim drieduizend kinderen uit Sri Lanka naar Nederland geadopteerd. Die adoptiepraktijk was doordrenkt van commercie: lokale tussenpersonen werden per kind betaald, ongehuwde moeders met weinig financiële middelen waren kwetsbaar en corruptie was wijdverbreid, zo erkende ook de rechter in haar uitspraak deze dinsdag.
Ook de commissie-Joustra, die in 2021 onderzoek deed naar interlandelijke adoptie, beschreef in onverhulde termen wat in Sri Lanka speelde: kinderhandel, babyfarms (plekken waar vrouwen bevielen en hun kind moesten afstaan – al dan niet tegen hun wil, soms tegen een vergoeding), diefstal van kinderen, vervalsing van documenten. Een andere bemiddelingsorganisatie, Wereldkinderen, weigerde in die periode überhaupt te bemiddelen bij adopties uit Sri Lanka, zo staat te lezen in de uitspraak. In 1987 werd de tussenpersoon waarmee Stichting Kind en Toekomst tot dan toe samenwerkte, gearresteerd op verdenking van kinderhandel. En toch gingen de adopties door, ook die van Dilani Butink.
„Vaststaat dat zich ernstige misstanden hebben voorgedaan bij adopties uit Sri Lanka, en dat de staat en de bemiddelingsorganisatie daarvan wisten”, zei de voorzitter van het hof in een korte toelichting bij de uitspraak. „De manier waarop er toen is gehandeld is naar de huidige inzichten niet langer toegestaan en aanvaardbaar.” Maar de beoordeling gaat niet over wat nu kan en mag, het gaat erom of de staat en de stichting, met de kennis van toen, in 1992 onrechtmatig hebben gehandeld jegens Butink persoonlijk. Het hof oordeelt van niet.
Adopties uit Sri Lanka waren destijds toegestaan en maatschappelijk aanvaard, en de stichting mocht in principe vertrouwen op de Sri Lankaanse adoptiepapieren. Butinks verwijten, zoals dat de stichting de betrouwbaarheid van haar lokale tussenpersoon onvoldoende controleerde, te weinig deed om de procedure te verifiëren en te weinig gegevens verzamelde over Butinks achtergrond, houden volgens het hof geen stand. Het hof betoogde dat Butink dat onvoldoende hard kan maken, of dat de stichting afdoende verklaring had. Ook de staat heeft volgens het hof niet gefaald in zijn toezicht of regelgeving.
„Deze uitspraak is voor mij onnavolgbaar”, reageerde Butink na afloop. „Er wordt erkend dat er volop misstanden waren in de jaren dat ik geadopteerd werd en dat zowel staat als adoptiebemiddelaar daarvan wisten, en tóch zou er in mijn geval niet aantoonbaar onzorgvuldig gehandeld zijn.” Deze tegenstrijdigheid laat haar met meer vragen achter dan ze al had. „En dat waren er al zoveel.”
Haar advocaat Lisa-Marie Komp noemde de uitspraak formalistisch, ze mist een bredere context. „Naast Wereldkinderen, dat openlijk uitdroeg niet uit Sri Lanka te willen bemiddelen, concludeerden ook Nederlandse ambassades destijds dat sprake was van gelegaliseerde kinderhandel”, zei Komp. „Het hof erkent openlijk dat sprake was van ernstige misstanden, maar omdat de procedurele hoepels zijn genomen, wordt geconcludeerd dat er zorgvuldig is gehandeld. Hoe die twee dingen tegelijk waar kunnen zijn, wordt niet uitgelegd. Feit is dat er toen, ondanks alle signalen over misstanden, niemand in de hele keten zei: wat hier gebeurt kan niet.”
Advocaat Komp ziet een patroon, bij binnenlandse adoptie en bij andere interlandelijke adoptiezaken: het proces wordt iedere keer beoordeeld naar de maatstaven van de partijen die ervan profiteerden. „De hele adoptieketen, zowel in Sri Lanka als in Nederland, gaf legitimiteit aan het adoptiesysteem, terwijl de stem van degene om wie het ging – de biologische moeders en de kinderen – niet gehoord werd. Toen niet, en nu ook niet.”