Dankzij ontwerper Kho Liang Ie (1927-1975) raakte de Nederlandse vormgeving in de jaren vijftig zijn kleinburgerlijkheid kwijt. Het Stedelijk Museum wijdt een tentoonstelling aan hem.
Banken 662 van Artifort (1968), al ruim vijftig jaar in gebruik in een woning in Amsterdam, en bewegwijzering voor Schiphol i.s.m. Studio Benno Wissing en Interdesign (1967), collectie Stedelijk Museum Amsterdam.
Het is een foto waar ik met een mengeling van bewondering en afgunst naar kan kijken. Het gaat om een zwart-witkiekje uit 1970, gemaakt tijdens een designcongres in de RAI in Amsterdam. Twee van mijn designhelden zitten op de foto gebroederlijk naast elkaar. Rechts, met schouderlang haar en een coltrui, de Italiaanse alleskunner Ettore Sottsass, de belangrijkste naoorlogse ontwerper. Naast hem, met een sigaartje in de hand, zit Kho Liang Ie, de invloedrijkste naoorlogse Nederlandse ontwerper.
Schuin achter deze twee kopstukken zit mijn vader, Harry Ribbens, toen nog in het bezit van indrukwekkende bakkebaarden en donkerblond haar. Als directeur van het Centrum voor Industriële Vormgeving, een expositieruimte in Amsterdam, had hij met beide door mij zo bewonderde ontwerpers van doen gehad. Met Kho Liang Ie werkte mijn vader zelfs jarenlang samen. Zo raakten ze bevriend; de ontwerper met de Chinees-Indonesische wortels – Kho was zijn achternaam, Ie zijn voornaam, Liang de aanduiding voor zijn generatie in zijn familie – kwam regelmatig bij ons thuis over de vloer. Een man met, in mijn herinnering, altijd een glimlach op de lippen.
Kho Liang Ie (links) naast Ettore Sottsass op het congres Design en Management in Amsterdam in 1970 met Harry Ribbens rechtsachter Sottsass.
Kho Liang Ie, die op Nieuwjaarsdag 1975 op 47-jarige leeftijd aan kanker overleed, was net als zijn vriend Sottsass een veelzijdig talent. Dat de Nederlandse vormgeving vanaf eind jaren vijftig de kleinburgerlijkheid van de wederopbouwjaren afschudde, is voor een niet onbelangrijk deel aan hem te danken. Kho, een sociaal vaardige man met een groot internationaal netwerk, ontwierp tijdloze meubels en lampen die decennia na dato deels nog (of weer) in productie zijn, zoals de K46 uit 1957, een elegante vloerlamp voor het Rotterdamse verlichtingsmerk Atelier Artiforte, en de C683, een ingetogen bank uit 1968 voor Artifort. Kho was ook een fenomenaal interieurontwerper en drukte als ontwerper van het aankomst- en vertrekgebouw van luchthaven Schiphol zijn stempel op een van de grootste naoorlogse bouwprojecten in Nederland.
Omdat hij zo jong overleed, en omdat, ondanks het voortdurend succes van een aantal ontwerpen, veel van zijn werk alleen nog op foto’s bestaat, geniet Kho niet de roem die hij verdient. Met een overzichtstentoonstelling en een boekpublicatie wil het Stedelijk Museum Amsterdam dat veranderen.
Kho Liang Ie werd op 5 augustus 1927 geboren in Magelang, een kleine Javaanse stad in het toenmalige Nederlands-Indië. Hij behoorde tot een familie van Chinese komaf die al generaties in het land woonde. In de zomer van 1949 stapte hij in de haven van Jakarta op een boot richting Amsterdam. Tijdens de Indonesische Onafhankelijksoorlog waren Chinese Indonesiërs op grote schaal slachtoffer geworden van mishandeling, diefstal en zelfs moord. Net als vele andere jonge Indonesiërs van Chinese afkomst wilde Kho in het land van de voormalige kolonisator – de Republiek Indonesië was vier jaar daarvoor uitgeroepen – zijn door de oorlog opgelopen leerachterstand inhalen.
Zijn plan voor een studie medicijnen liet hij snel los. Een jaar na zijn aankomst in Amsterdam begon Kho aan een opleiding ‘binnenhuiskunst’ aan het Instituut voor Kunstnijverheid, tegenwoordig de Gerrit Rietveld Academie. Hij kreeg er les van vormgevers die zich voor de oorlog hadden opgehouden in kringen van het avantgardistische Bauhaus, de Duitse opleiding van het modernisme en functionalisme. Al tijdens zijn studie oogstte Kho lof voor zijn eerste ontwerpen, zoals een ingenieus geconstrueerd hangend drankenkastje. Zijn afstudeeropdracht voor de inrichting van een paar vertrekken in een jeugdherberg werd uitgevoerd.
Affiche met ontwerp voor lettertype (begin jaren 70).
Kort na zijn afstuderen in 1954 trad Kho in dienst als voorlichter en adviseur bij Stichting Goed Wonen, die in het eigen tijdschrift Goed Wonen zijn drankkastje had laten zien. De meeste Nederlanders zaten destijds nog op zware, vooroorlogse meubelen in donkere interieurs. Tegen die ‘stijlloosheid’ streed de stichting met modelwoningen, tentoonstellingen, keurmerken en dat tijdschrift. Volgens de organisatie was wonen iets dat je kon leren. Op bevoogdende wijze propageerde het de functionalistische Bauhaus-opvattingen: „Een eiken rookstoel is fout; rotanmeubels zijn goed. Bloemetjesbehang en zware gordijnen zijn fout; witte muren en frisse tinten zijn goed!”
Kho was minder dogmatisch van aard, en hield niet zo vast aan de Duitse principes van eenvoud en minimalisme en geometrische en lineaire vormen uitgevoerd in goedkope, massa-geproduceerde materialen. Bij het inrichten van Goed Wonen-interieurs introduceerde hij ongebruikelijke elementen als „stemming maken in de woning” en „dramatiseren met licht”, zoals hij het in een artikel in het tijdschrift noemde. Dat laatste deed hij door in een stalen U-profiel een tl-buis aan te brengen en het licht via plafonds en wanden te reflecteren. Met touwtjes kon hij de hoogte van de lamp bepalen, en daarmee de intensiteit van de reflectie. ‘Stemming maken’ deed hij vaak met kleine ingrepen, zoals een vaas met takken, of een welgekozen kunstwerk.
Wat een voortreffelijk interieurinrichter Kho al op zijn 28ste was, demonstreerde hij in 1956 bij een prijsvraag voor het interieur van een eenkamerwoning in een flat voor alleenstaande werkende vrouwen in Hilversum. Zijn prijswinnende ontwerp bevatte veel elementen die in latere ontwerpen zouden terugkeren. Met verschillende soorten linoleum vloerbedekking had Kho de zit-slaaphoek van de eethoek en de keuken gemarkeerd. Deze functieopdeling gaf een rustiger beeld en maakte de flat optisch groter. Kho gebruikte voor de inrichting meubels die toen in Nederland nog nauwelijks bekend waren: bijvoorbeeld een Japanse papieren bol-lamp van Akari en een draadstoel van Harry Bertoia, ontwerpen die zeventig jaar later nog altijd populair zijn. En terwijl andere inzenders hun ontwerp verlevendigden met decoratieve objecten, deed Kho dat met gewone huiselijke voorwerpen: een boek op tafel, een fruitschaal. „De mensen zorgen zelf voor de kleurtjes in het interieur”, was een van zijn axioma’s.
Model-interieur van een woning voor een werkende vrouw (1956).
Door comfort en esthetiek te verbinden met technologische efficiëntie zou Kho gedurende zijn loopbaan steeds opnieuw duidelijk maken waar binnenhuisarchitectuur wat hem betreft om ging. „Een gebouw wordt gemaakt voor mensen die zich hierin met hun stemmingen en gevoelens prettig kunnen voelen”, zei hij in 1975 in het boekje Cultureel Centrum Plein 1960 Amstelveen, dat twee dagen na zijn dood verscheen.
Zijn internationale oriëntatie, toen bepaald niet vanzelfsprekend, hielpen hem daarbij. Kho’s meubel- en interieurontwerpen hadden de eenvoud en puurheid van de Nederlandse traditie (denk aan Gerrit Rietveld), maar vertoonden ook verwantschap met de luchtigheid en subtiliteit van Italiaanse en Deense ontwerpen en de esthetiek en verfijning van Charles en Ray Eames, het Amerikaanse echtpaar dat met meubels als de befaamde Lounge Chair de hoekige Bauhausstijl met meer organische vormen verzachtte. De lamp K46 heeft een Aziatische uitstraling.
Kho verliet Goed Wonen al snel en ging vanaf 1956 samenwerken met grafisch ontwerper Wim Crouwel. Samen ontwierpen zij een paar jaar lang museale tentoonstellingen en stands voor grote bedrijven. Deze presentaties trokken de aandacht door hun eenvoud, betrekkelijke leegte en de vaak verstilde poëtische sfeer. De zwart-witfoto’s van deze stands voor de Bijenkorf, Auping en Linoleum maken zeventig jaar na dato nog altijd indruk. De interieurs zijn ruim en licht van opzet, subtiel gestyled en voorbeeldig uitgelicht. De wanden, vloeren en plafonds zijn gemaakt van bijzondere en nieuwe materialen en de getoonde meubels – van hemzelf, maar ook van anderen – staan nog altijd in menig modern interieur.
Met zijn charisma wist Kho meubelbedrijven ervan te overtuigen hem voor veel meer in te schakelen dan alleen het ontwerp van beursstands of meubelen. Echt spraakmakend werd zijn samenwerking met Artifort. Het toen nog in Maastricht gevestigde bedrijf trok Kho in 1959 aan als ‘esthetisch adviseur’, een rol die hij tot zijn dood zou vervullen.
Artifort maakte gedegen, klassieke meubelen. Dat veranderde met de komst van Kho. De ontwerper kreeg de supervisie over alle uiterlijke verschijningsvormen van het bedrijf. Dus niet alleen de collectie, maar ook het beeldmerk, de brochures en de presentaties op beurzen, showrooms en tentoonstellingen. Ook was hij betrokken bij productiewijzen, stoffenkeuzes en de introductie van giftshops met Artifort-producten. In feite pioneerde Kho als artdirector met wat nu corporate identity heet.
Zitmeubel voor Schiphol met prullenbak en asbakken (1965-1966) en Terrastoel 505 zonder en 515 met armleuningen i.s.m Jan Ruigrok (1960).
Al snel maakte Artifort naam als een toonaangevend merk dat boven op de tijdgeest zat. Kho haalde de Fransman Pierre Paulin en de Engelsman Geoffrey Harcourt binnen, ontwerpers met een heel ander handschrift dan het zijne, om zo verscheidenheid in de collectie te realiseren. Veel sculpturale meubels die Paulin en Harcourt voor Artifort ontwierpen zijn net als de meer sobere banken en tafels van Kho uitgegroeid tot designklassiekers.
De metamorfose en het succes van Artifort werkten stimulerend voor de Nederlandse industrie én de overheid. Het bestaansrecht van een industrieel ontwerper die design als een allesomvattend concept opvatte, was aangetoond. Met overheidssteun werd in 1961 besloten tot de oprichting van het Centrum voor Industriële Vormgeving, een designplatform in de Beurs van Berlage in Amsterdam dat met tentoonstellingen ‘goede vormgeving van industriële producten in Nederland’ moest bevorderen, zowel bij de consument als bij de industrie. Gerrit Rietveld werd ingeschakeld voor de architectonische verbouwing van het beursgebouw, Kho voor de inrichting van het interieur.
Reliëftegels voor Mosa i.s.m Ger van Vliet en Kees Luesen (1963-1964), collectie Stedelijk Museum Amsterdam.
Mijn vader leidde het centrum dus vanaf 1963. En ook nadat het centrum eind jaren zestig dichtging omdat de subsidie werd ingetrokken, bleef hij met Kho samenwerken, nu als manager bij CAR, de meubelfabrikant uit Katwijk die Kho toen net had binnengehaald als adviseur.
Vanaf begin jaren zestig kreeg Kho steeds grotere interieuropdrachten. Hij ontwierp de eerste kantoortuinen voor bedrijven, maar voerde ook opdrachten uit in de publieke sfeer, bijvoorbeeld de inrichting van het provinciehuis in Assen. Zijn handschrift werd geleidelijk losser, met meer ronde vormen en vrijere beeldtaal. Door hem ontworpen drukwerk en ontwerpschetsen uit die jaren ademen de geest van flowerpower en popart, met veel bloemen en kleur.
In 1962 kreeg Kho de opdracht van zijn leven: het interieur van de aankomst- en vertrekhal van de nieuwe luchthaven Schiphol, een monsterklus van 300.000 kubieke meter (het volume van zo’n duizend rijtjeshuizen). Het door hem opgerichte bureau zou tot in de jaren tachtig, na Kho’s dood dus, bij uitbreidingen van de luchthaven betrokken blijven. Helaas moeten we het nu vooral met foto’s doen, want het door Kho ontworpen interieur voor Schiphol is goeddeels vervangen.
Zelfs kleine interieurelementen ontwierp Kho met gevoel voor verfijning. In de catalogus bij de Stedelijk Museum-tentoonstelling staat een foto van een toiletgroep waarvan de manden voor de papieren handdoekjes door hem werden getekend. Ook de prullenbakken, asbakken en kapstokken, de constructies voor vitrines, wanden, daken en vloeren, de reliëftegels op muren, de banken waarop reizigers op hun vlucht konden wachten, de buitengewoon heldere bewegwijzering, ja zelfs de lettersoort op de brievenkastjes voor vliegtuigbemanningsleden werden door Kho bedacht, net als het idee om hedendaagse kunst een prominente plek op de luchthaven te geven.
Voordat hij aan het Schiphol-interieur begon, had Kho een aantal studiereizen gemaakt. Dat was zijn methode om het gedrag te achterhalen van de mensen voor wie hij moest ontwerpen. Op Chicago O’Hare, Orly in Parijs en Stockholm Arlanda Airport was het hem opgevallen hoe nerveus reizigers zich door de volle terminals verplaatsten.
Kho, begin jaren 70.
Met diverse oplossingen probeerde Kho passagiers op Schiphol op hun gemak te stellen, bijvoorbeeld door het gebruik van warm, rustgevend eikenhout voor balustrades. De vertrekhal, de meest hectische plek van de luchthaven, hield hij vrij van alles wat afleidde van het reizen, zoals winkels, kiosken of reclames. De groen-en-gele bewegwijzering liet hij boven de looppaden plaatsen, waardoor de reizigers zonder hun hoofd te hoeven draaien de goede kant op konden wandelen. Die reiziger kon ook in een rechte lijn, zonder drempels, van de voorrijstrook of parkeerplaats naar de incheckbalie en de gate wandelen. En direct na de paspoortcontrole plaatste Kho een trap van twee treden. Die subtiele afdaling na het meest stressvolle moment van de reis zou kalmerend werken.
De krant Het Vrije Volk noemde Schiphol „een monsterbedrijf van beton, glas en aluminium dat zijn luchtreizigers opzuigt en uitspuwt”. Maar in buitenlandse media oogstte Kho lof. Het Engelse vaktijdschrift Design noemde Schiphol „de meest bevredigende luchthaven van Europa”. Ettore Sottsass, de Italiaanse ontwerper die eind jaren negentig het interieur van een deel van de Milanese luchthaven Malpensa zou ontwerpen, schreef in 1971: „Ik ben al op veel luchthavens geweest, maar toen ik op een dag op de luchthaven van Amsterdam aankwam, was alles heel stil en voelde ik me heel goed. Het was niet zomaar een terminal, maar een ‘plek’ (…) Mijn vriend Kho Liang Ie was niet vergeten hoe hij een bijna heilige ruimte moest creëren. Niet zozeer omdat de plek heilig is, maar omdat de vertrekkende reiziger het heilige object is.”
Kho Liang Ie – Mid-Century Modernist, 14 mei t/m 18 oktober, Stedelijk Museum Amsterdam. Stedelijk.nl
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden