En toen lag de vriendin die een afstapje niet gezien had ineens in het Dr. Sarphatihuis, een Amsterdams verpleeghuis. Beide enkels gebroken. Ze was vol goede moed om er het beste van te maken, ze schreef vanaf de eerste dag de namen van de verzorgenden en hun land van herkomst op: Kameroen, Eritrea, Suriname, Syrië, Oekraïne, een doodenkele kwam ergens uit Nederland. Veel van hen hadden de taal op latere leeftijd moeten leren, hadden levensverhalen waarin landen en grenzen, gevaar en ontheemding een rol speelden. Wat wij toch eigenlijk eenvoudige biografieën hebben, verzuchtte mijn vriendin. Tuurlijk is er wel eens wat gebeurd. Maar vergeleken bij Meriam, Aïda, Safiya, Senait of Delila hebben wij niet veel meegemaakt. Dus probeerde ze vanuit het kleine kamertje waarin ze lag toch nog wat te werken, at de doorgekookte groenten en vis met de andere Amsterdammers op de afdeling, kreeg aardigheid in de contacten met mensen die ze anders nooit tegenkomt.
Hoe geweldig zo’n huis eigenlijk is. De opgewekte hulpvaardigheid van vrijwilligers en personeel voor hulpbehoevenden van allerlei pluimage, de inzet, het bewonderenswaardige geduld.
We vroegen ons af wat er van zo’n huis zou overblijven als het arbeidsmigranten veel moeilijker gemaakt zou worden. Sommigen van degenen die daar al jarenlang werkten, hadden nog steeds geen verblijfsvergunning, door pech, door onhandigheid, doordat dingen niet waren zoals ze moesten zijn.
Het kabinet Jetten wil inzetten op arbeidsmigranten met veel opleiding. Dat lijkt niet op deze mensen te slaan of op de magazijnmedewerkers bij Albert Heijn, de vuilnismannen of de mensen in de bouw.
Op een bepaalde manier werd mijn vriendin gelukkig van het Sarphatihuis, juist doordat iedereen er een plek vond. Helaas moest ze er weg, elders zou ze betere fysiotherapie kunnen krijgen. In de revalidatiekliniek in Amsterdam Oud-West bleek zorg te betekenen: ‘zoek het zelf maar uit’. Het was er onbeschrijflijk vies, volle luiers naast de wc, voor de wc niet meer dan een gordijn, een raam afgeplakt met een vuilniszak, een nachtdienst die weigerde een washandje aan te reiken, een verpleegkundige die het niet nodig vond een dokter te raadplegen bij plotselinge hevige huiduitslag. Niemand werkte er met plezier, en er was dan ook een groot personeelstekort.
Ik voelde veel opstandigheid om haar situatie. Zoals ik me eerst verbeeldde dat ik me ook wel zou redden in zo’n huis, zo voelde ik nu dat het hier een ondraaglijke situatie betrof. Ze moest daar weg! Ze moest bij de zorgverzekeraar een klacht indienen!
Mijn vriendin voelde weliswaar sterker dan ik dat er ook achter dit huis wel goede bedoelingen zaten, ze dacht aan de verhalen van Meriam, Aïda, Safiya, Senait of Delila, aan de van hun eigen vloer opgeraapte oude mensen die geen idee meer hadden hoe wonen ook weer ging, aan de tramconducteur die zich schikte in zijn lot, maar ook zij wilde er zo snel mogelijk weg. Wat ook gelukt is.
Toch was het leerzaam op een bepaalde manier. Wat eerst een vrijblijvend, zij het enigszins zorgelijk gesprek geweest was over hoe een zorginstelling het moet redden zonder arbeidsmigranten, veranderde nu in een demonstratie van het antwoord. De aardige verzorgenden die van overal op de wereld hier hun best zijn komen doen, werkten niet in deze kliniek waar de arbeidsomstandigheden beroerd waren. En dus was er geen noemenswaardige zorg.
Een hulpbehoevende die de weg weet en zich financieel kan redden, kan ergens terecht waar het beter is. De rest moet proberen zich er met behulp van een fles desinfectiemiddel en een hoogopgeleide arbeidsmigrant doorheen te slaan.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen