Als tiener voelde Jaap zich al meer aangetrokken tot jongens, toch duurde het nog jaren voor hij dat durfde toe te geven. Zijn leven had er heel anders uit kunnen zien. In deze serie spreekt Barbara van Beukering mensen die spijt hebben van een beslissing.
Barbara van Beukering is journalist. Voor Volkskrant magazine interviewt zij wekelijks mensen over spijt.
Jaap (47, tijdschriftredacteur): ‘Rond mijn 12de begon het gevoel te sluimeren dat ik homo was, maar dat stond ik absoluut niet toe. Ik zat net in de brugklas en zat niet lekker in mijn vel. In groep 8 van de basisschool had ik het erg naar mijn zin gehad, maar op de leerfabriek die de middelbare school is, vond ik geen aansluiting. Om met mijn onzekerheid om te gaan, gedroeg ik me net zoals de anderen en deed precies wat de mensen van mij verwachtten.
‘In de vierde vond ik een jongen uit mijn klas ontzettend knap, waardoor ik zeker wist dat ik op jongens viel. Maar ik besloot daar niks mee te doen. Hoewel mijn ouders supervrij waren, wilde ik niet uit de kast komen. Ik legde mezelf de norm op dat ik net als iedereen wilde zijn, en bouwde een muur om mezelf heen.
‘Na de middelbare school verhuisde ik naar Nijmegen, waar ik Nederlands ging studeren. Hoewel ik een heel nieuw leven begon en Nijmegen een progressieve stad is, bleef ik doorleven met mijn geheim. Heimelijk was ik wel verliefd op jongens, maar ik werd een acteur in mijn eigen leven. Ik ontwikkelde manieren om mijn gevoelens niet te laten blijken. Mijn vrienden gingen in hun studententijd helemaal los en spraken vrijuit over liefde, seks en relaties. Als ik met ze in een kroeg zat, durfde ik het woord homo niet eens uit te spreken. Liever bracht ik het gespreksonderwerp op voetbal. Er waren wel homokroegen in Nijmegen, maar daar ging ik niet naartoe, doodeng vond ik dat. De wereld lag voor me open, de stad lag voor me open, maar ik deed er niets mee.
‘Na mijn studie kon ik een tijdje geen werk vinden, en omdat ik ongelukkig was greep ik dat aan om een psycholoog te bezoeken. Zij begreep niet goed wat er met me aan de hand was en pas tijdens de derde sessie durfde ik het te zeggen. Van die onthulling pinkte zij een traantje weg.
‘Daar schrok ik erg van, door haar reactie werd ik weer extra in de kast geduwd. Als een professional al zo geraakt is, hoe zou mijn eigen moeder dan wel niet reageren? Hoe langer ik wachtte met het vertellen, hoe groter het in mijn hoofd werd. De muur die ik om mezelf heen had gebouwd, had inmiddels de proporties van de Berlijnse Muur aangenomen.
‘Op mijn 27ste kreeg ik een vaste baan, en ik vond dat het moment om uit de kast te komen. Als eerste vertelde ik het aan een vriendin met wie ik naar de film was geweest. Na het drinken van een paar Chouffes, ik was ontzettend zenuwachtig, kwam het hoge woord eruit: ‘Ik val op jongens.’ Het woord homo durfde ik nog steeds niet hardop te zeggen. Ze reageerde lief, het verbaasde haar vooral dat ik zo lang had gewacht met het te vertellen. Dat was ook de reactie van mijn moeder die ik het in de auto vertelde, in de bocht van de A1 naar de A50 bij Apeldoorn. Mijn moeder omhelsde me meteen. Het merkwaardige is dat het na je coming-out eigenlijk pas begint. Je moet je vanaf dat moment verhouden tot een maatschappij waarin je van de norm afwijkt.
‘Twee weken voor mij 30ste kreeg ik een relatie met de broer van een goede vriend. Ik kwam tot rust en was trots dat we een homostel waren met heterovrienden. Alles wat met de gaywereld te maken had, zoals bijvoorbeeld de Pride, hield ik op afstand. Ik wilde nog steeds voldoen aan de norm. Ik wilde niet die homo zijn die halfnaakt op een boot stond te dansen en zette me ferm af tegen de homoscene. Riep heel hard: ze moeten normaal doen! Ik was ook op mijn hoede om niet nichterig over te komen, probeerde mezelf altijd stoerder voor te doen. Ik vond de vrouwelijke homo’s overdreven, had er niks mee. Ze verpesten het voor ons, was mijn gedachte. We moeten geaccepteerd worden in de heterowereld en dat betekent normaal doen.
‘Een jaar geleden kreeg ik een burn-out. Ik was hoofdredacteur van een autoblad en in eerste instantie leek het met de hoge werkdruk te maken te hebben. Ik ben de afgelopen twintig jaar gegroeid van redacteur via redactiecoördinator naar hoofdredacteur. Uiteindelijk bleek dat niet de baan te zijn die bij me paste, dus ik deed een stap terug. Geen probleem. Het probleem, waar ik tijdens het thuiszitten achter kwam, was spijt.
‘Er huisde een groot verdriet in mij dat te maken had met het besef dat ik me al die jaren had afgezet tegen de gaywereld. Mijn vriend en ik zijn achttien jaar samen en al die tijd hadden we geen homo’s in onze vriendenkring. Geen enkele. Onze heterovrienden kregen op een gegeven moment allemaal kinderen, wat natuurlijk erg leuk voor ze was, maar het leidde toch tot een lichte verwijdering omdat hun belevingswereld een andere werd dan de onze.
‘Door twee mannen die ik vorig jaar leerde kennen via de sportschool is mijn blik op het leven veranderd. Eén van hen heeft modeacademie gedaan, ontwerpt zijn eigen kleding en het kan hem niks schelen wat de wereld van hem vindt. Hij trekt aan wat hij wil, doet wat hij wil. Zij zitten in de vriendengroep van homo’s die niet alleen samen naar feesten gaan, maar ook spelletjesavonden organiseren met elkaar. Als een familie van gelijkgestemden. Ik had me nooit gerealiseerd hoe waardevol dat is en dat heb ik mezelf al die jaren ontzegd. Als homo’s onder elkaar spreek je dezelfde taal. Deze twee vrienden hebben het verlangen om bij de homowereld te horen aangewakkerd en daarmee brokkelde mijn laatste stukje Berlijnse Muur af.
‘Mijn spijt voelt als een diep levensverdriet. Ik had de afgelopen twintig jaar zoveel lichtvoetiger kunnen doorbrengen, in plaats van me krampachtig vast te klampen aan het ideaalbeeld van de heteroachtige homo. Als ik op mijn 30ste had geïnvesteerd in homovriendschappen, had mijn leven er nu heel anders uitgezien. Spijt heeft ook te maken met zelfverwijt. Ik verwijt mezelf dat ik afstand schiep tussen mezelf en de homowereld, terwijl ik daar zelf onderdeel van ben. Ik schaam me er ook voor dat ik de gaywereld veroordeelde door zelf de ‘goede homo’ uit te hangen. Niemand dwong me daartoe, mijn ouders niet, mijn vriend niet. Zowel het late uit de kast komen, als me afzetten tegen de homowereld, heb ik puur en alleen aan mezelf te danken.
‘Ik wil een heel ander pad inslaan. Dolgraag zou ik bij een vriendengroep met homo’s horen, maar waar vind ik die? Ik ben vorig jaar in therapie geweest, het was heel concreet: waar kom je vandaan, waar sta je nu, en waar wil je naartoe? Op de vraag wat mijn doel was, heb ik aangegeven dat ik naar Milkshake wilde, een genderinclusief zomerfestival in Amsterdam. Inmiddels heb ik een kaartje weten te bemachtigen, dus het begin is er. Tegelijkertijd ben ik bang dat dit een heel broos proces is en dat ik toch weer keihard van de berg die ik beklim naar beneden donder. Ik heb dagen dat ik denk: het wordt niks meer, ik ben veel te oud en heb alle kansen laten liggen. Ik ben blij met mijn relatie, dat is het helemaal niet, ik heb spijt van de gemiste vriendschappen. Ik hoop dat het nog niet te laat is want ik wil niet meer terug naar wie ik was. De geest kan niet meer terug in de fles.’
Kampt u ook met gevoelens van spijt en wilt u daarover in deze rubriek praten, stuur dan een mailtje naar b.vanbeukering@gmail.com.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant