Home

Tv-maker Nicolaas Veul bemoeide zich met de democratie en opende een hotline in Hongarije. Die stroomde rap vol: ‘Het is nu of nooit’

Documentairemaker Nicolaas Veul maakte in aanloop naar de Hongaarse verkiezingen een driedelige serie over het land van Orbán. Hij wil het grotere verhaal tonen. ‘De democratie is van ons allemaal. Als iemand daar lak aan heeft, moet je je daarover uitspreken.’

is correspondent Centraal- en Oost-Europa van de Volkskrant. Hij woont in Warschau.

Bied Hongaren een luisterend oor en dit is wat ze te zeggen hebben:

Zolang ik me kan herinneren is Orbán hier de baas. Ik denk vaak aan het verlaten van het land, net als al mijn vrienden. Maar ik wil hier wonen, het is mijn thuis.

Hongarije is een puinhoop. De gezondheidszorg, het onderwijssysteem, de democratie, de wijdverspreide corruptie.

Onze toekomst en die van onze kinderen is gestolen.

Ik wil wanhopig verandering en ik wil hier niet oud worden.

Op tientallen plekken tikken vingers op toetsenborden, ze glijden over telefoonschermen. Documentairemaker Nicolaas Veul zit op dat moment in de auto in Hongarije. Zijn telefoon begint te trillen. En blijft trillen.

Het is halverwege januari, hij is met een ploeg van omroep VPRO onderweg voor de driedelige serie Hotline Hongarije. Ze openden een hotline en vroegen Hongaren om verhalen over hun land te delen, via telefoon, WhatsApp of hun website. ‘De volgende ochtend kreeg ik telefoon van de VPRO: via de site waren zeshonderd reacties binnengekomen.’ In totaal deelden bijna duizend mensen hun verhaal.

Veul wilde ‘de stem van de Hongaar horen’. Hij kreeg een koorzang van noodkreten. ‘Het werd een soort klaagmuur’, zegt hij vanuit de studio in Hilversum, waar hij met de redactie dag in dag uit aan het monteren is. Voor de hotline hadden ze enkele onafhankelijke Hongaarse media aangeschreven met het verzoek het bericht te verspreiden. Dat het zo’n vlucht zou nemen, had hij niet verwacht.

Het grotere verhaal

Veul maakt sinds 2012 documentaires voor de VPRO: dat jaar trok hij naar Kyiv voor de eerste Oekraïense gaypride die tijdens het Europees Kampioenschap voetbal plaatsvond. Samen met collega Tim den Besten maakte hij series over onderwijs, geestelijke gezondheidszorg en achterstandswijken, waarvoor het tweetal honderd dagen stage liep bij een school, de GGzE en als maatschappelijk werker.

Nu dus Hongarije. De directe aanleiding zijn de verkiezingen op 12 april: de serie verschijnt de week ervoor. Veul, die ook columnist is voor Vrij Nederland, schrijft met regelmaat over de extreemrechtse wind die wereldwijd waait en over, bijvoorbeeld, de impact op de lhbti-gemeenschap – dat raakt Veul als homoseksuele man persoonlijk. Maar deze documentaire is niet puur persoonlijk: hij wil het grotere verhaal tonen.

Waar kan dat beter dan in Hongarije, dichtbij maar gevoelsmatig ver weg, ‘voor de één een conservatief walhalla, voor de ander een dystopie? Hongarije is een spiegel’, zegt Veul. Wat heeft hij in de spiegel gezien? ‘De normalisering van racisme en homohaat, het verval van de democratische waarden. Bij ons bezigen Forum voor Democratie en Wilders dezelfde taal. In Hongarije loopt rechts tien stappen op ons vooruit. Wat doet dat met een maatschappij?’

Daarvan is hij geschrokken. Het begint al bij aankomst in Hongarije, waar de verkiezingscampagne in volle gang is. De straten hangen vol billboards van de regering van Viktor Orbán en diens partij Fidesz, met propagandaboodschappen over Zelensky, de oorlog in Oekraïne en de oppositie. Er is geen ontkomen aan. Maar de reacties van Hongaren op de hotline toonden pas echt de ‘wurggreep’ van Orbán, zegt Veul.

Genoeg

Wat hem verbaasde, was de ongrijpbaarheid van de repressie. ‘Met Orbáns internationale reputatie denk je dat Hongarije een openlijke dictatuur is. Maar het is anders: de onderdrukking is heel slinks. Mensen censureren zichzelf.’ De hotline, waar Hongaren ook anoniem hun verhaal konden doen, bood een uitkomst. Anderen lieten hun contactgegevens achter.

Een spraakbericht van Péter. ‘Hoe is het leven in Hongarije? (...) Iemand kan al voor het schrijven van dit korte stukje zijn baan verliezen, en zolang Orbán of Fidesz aan de macht is, kan diegene geen andere baan in de publieke sector krijgen.’ Als er in april niets verandert, ‘zullen we hetzelfde lot ondergaan als Belarus’.

Oppositieleider Péter Magyar en zijn partij Tisza zijn deze verkiezingen de uitdager van Orbán. Voor het eerst in zestien jaar vallen de peilingen ongunstig uit voor Fidesz. Ze zouden kunnen verliezen. De komeetachtige opkomst van conservatief Magyar, afkomstig uit de gelederen van Fidesz zelf, heeft het land al twee jaar in de greep. Hij slaagt erin een bonte verzameling Hongaren te verenigen, met één gemene deler: het is genoeg geweest.

Want zestien jaar is lang. Daarom vinden sommigen de 250 tekens die ter beschikking staan op de website van de VPRO te kort, klagen ze. Anderen hebben hieraan precies genoeg.

Als ik in één woord zou moeten omschrijven wat Viktor Orbán in Hongarije heeft bereikt, hoe we ons voelen, dan zou dat zijn: angst. Iedereen is bang: degenen die zijn leugens geloven, omdat ze dat doen, en degenen die de waarheid kennen, omdat ze machteloos zijn.

De reacties bleven desondanks binnenstromen.

Ontroerd

Zelf kom ik al vijf jaar in Hongarije als correspondent Centraal-Europa. Verrast was ik niet door de verhalen die de VPRO op de hotline ontving. Wel diep ontroerd. Het deed me denken aan mijn eigen gesprekken met Hongaren en de verstikkende deken die over het land hangt. Soms vraag ik me af: hoe moet je dit uitleggen aan Nederlanders?

Een scholiere die op een bijeenkomst van oppositieleider Péter Magyar afkomt en niet met haar naam in de krant wil. Ze wilde namelijk naar een goede universiteit in Boedapest die, zoals de meeste universiteiten, is ondergebracht bij een stichting tjokvol Fidesz-loyalisten; ze was bang afgewezen te worden omdat ze bij een oppositiebijeenkomst was.

Een concert van een Hongaarse artiest in de Melkweg. Een jonge concertbezoeker die kritiek had op Orbán, vroeg me om haar achternaam uit de krant te laten: haar vader werkt bij een staatsbedrijf. De arm van Orbán reikt tot hartje Amsterdam. Of de caissière in het dorp Felcsút, die zenuwachtig werd van ons gesprek en behoedzaam op de beveiligingscamera wees: ze kan beter niet te lang gezien worden met deze opzichtige buitenlandse journalist.

Het is anekdotisch totdat het niet meer anekdotisch is.

De Hongaarse overheid is een hond die veel blaft en soms bijt. Je weet alleen nooit wanneer en wie. Die onzekerheid is het doel.

Daarom werd ik des te meer getroffen door de grote hoeveelheid reacties en hun openhartigheid. Waarom geven Hongaren zich eigenlijk bloot aan een sympathieke maar, laten we wel wezen, wildvreemde televisiemaker uit Nederland die met zijn hotline door het land trekt? Volkskrant Magazine kreeg van de VPRO inzage in de reacties van de hotline, sprak met de makers en interviewde meerdere Hongaren die de hotline hadden gecontacteerd.

Vrije denker

‘Ik ben grafisch ontwerper. In 1989 ontwierp ik affiches die de omwenteling in het politieke systeem aankondigden. Al snel raakte ik teleurgesteld in de politieke partijen. Sindsdien ontwerp ik politieke affiches voor de oppositie. Mijn vrouw, die diplomate is, werd vier jaar geleden vanwege mijn anti-Russische affiches teruggeroepen en ontslagen.’

Péter Pócs is niet bang aangelegd. Hij is ‘een kritische en vrije denker’, zegt de 75-jarige posterontwerper. ‘Daar heb ik wel veel problemen mee gehad.’ Hij was van jongs af aan een vrije geest, kunstenaar in een familie van predikanten, ingenieurs en leerkrachten. Vroeger lag hij vanwege zijn werk overhoop met de communistische autoriteiten. In het berghok naast zijn atelier in Boedapest zit zijn hele leven. Pócs’ hand gaat langs de planken. ‘Vijftig jaar aan posters.’

Op de vooravond van de regimewisseling in 1989 maakte hij een van zijn beroemdste werken: een dichtgeklapte muizenval. In de slagbeugel zit een vlezige rode ster gevangen, het symbool van het communisme. De rode ster was overigens van echt vlees. ‘Daarna hebben we er soep van gemaakt.’ Door de jaren heen richtte zijn kritiek zich steeds meer op Fidesz en Orbán, sinds 2022 maakt hij ook posters over de Russische oorlog tegen Oekraïne.

‘De posters zijn wat ik denk en wat ik voel. En dat is waarom we – hij gebaart naar zijn vrouw Judit Galambos (53) – zijn waar we nu zijn.’ Ze werkte ruim twintig jaar voor het ministerie van Buitenlandse Zaken als diplomaat, onder meer in Kenia en Denemarken. In mei 2022 zouden ze naar Helsinki gaan. Galambos was daar al, na zes dagen werd ze teruggeroepen naar Boedapest.

‘Niemand begreep waarom, ook mijn collega’s daar niet’, zegt ze. Later kreeg ze via via te horen dat het vanwege Pócs’ posters op Facebook was. Rond die tijd maakte hij werk waarin hij Poetin bekritiseerde, ‘die ik altijd al heb beschouwd als een oorlogsmisdadiger en een gangster’.

Terug in Boedapest moest ze op een nieuwe functie solliciteren binnen de overheid. Daar staat in principe een periode van zes maanden voor, maar dit is niet bij wet vastgelegd. Galambos kreeg drie dagen. ‘In zo’n korte tijd kon ik nergens terecht – en dat was dus het einde van een twintigjarige carrière.’

‘Ze hebben mijn vrouw gestraft voor mijn werk’, zegt Pócs. Op tafel liggen zijn catalogi. Een tentoonstelling in Hongarije heeft hij al jaren niet gehad. Drie decennia na de val van het communisme is hij opnieuw ‘niet compatibel met het systeem’. Vrienden van vroeger kijken de andere kant op als ze hem op straat tegenkomen.

Achter Rusland

Hij begrijpt niet hoe Hongarije zich in deze oorlog achter Rusland kan scharen. ‘We hebben 1956 meegemaakt’, zegt Pócs, verwijzend naar de revolutie dat jaar, die door de Sovjet-Unie in bloed werd gesmoord. Hongaren als hij gaan ‘met het schaamrood op de kaken’ door het leven. Zijn gezondheid lijdt eronder. ‘Niet omdat ik oud ben, maar omdat mijn bloeddruk van 130 naar 170 gaat als ik het nieuws lees.’ Hij is woedend, hulpeloos en ja, toch ook angstig.

1956 speelt een significante rol in Pócs’ werk, collages en assemblages vol met symboliek, historische verwijzingen en kwinkslagen. ‘Ik herinner me de tanks.’ Hij was 6 jaar. ‘Ze schoten op gebouwen, de ramen waar het licht brandde.’ Hij herinnert zich de dode mijnwerkers; ze waren in opstand gekomen in zijn toenmalige woonplaats Komló, ‘hun lijken opgestapeld als broodjes’.

Maar er zijn andere vormen van onderdrukking dan bloedvergieten. ‘Stille moord’, noemt Pócs dat. ‘Wanneer ze het leven van mensen onmogelijk maken.’ En dat is wat we nu zien.

Wat is het verschil tussen God en Viktor Orbán? God wil niet Viktor Orbán zijn.

Ik heb het slechte gevoel weer in een partijstaat te leven.

Het is verstikkend om in een land te leven waar corruptie heerst.

Ik ben dr. Adrienn Pusztai-Csató, voormalig burgemeester van Szentistván. Al meer dan tien jaar doet de heersende politieke macht er alles aan om ons het zwijgen op te leggen.

‘Dank jullie wel’, zegt Adrienn Pusztai-Csató (52). ‘Voor deze uitlaatklep.’ Ze schreef om haar verhaal de grens over te krijgen. Ze gaat zitten in het advocatenkantoor waar ze werkt in hartje Boedapest, en vertelt.

In 2014 ging ze de lokale politiek in en stelde zich verkiesbaar als burgemeester. Ze versloeg als onafhankelijke kandidaat de Fidesz-burgemeester met twee derde van de stemmen. Dat was niet de bedoeling. ‘Ik werd volledig buitengesloten.’ Ze werd niet uitgenodigd voor bijeenkomsten van alle burgemeesters in de provincie of bedrijfsopeningen, kreeg geen antwoord op vragen, haar gemeente werd overgeslagen bij publieke aanbestedingen.

Het tekent de machtsverhoudingen op het Hongaarse platteland. Ongeveer de helft van de zetels in het parlement zijn directe afgevaardigden van de kiesdistricten in het land, binnen zo’n district bevinden zich meerdere dorpen en stadjes. In de praktijk is die parlementariër een oliemannetje van Fidesz, de schakel tussen de macht in Boedapest en de burgemeesters. Die in haar kiesdistrict was tegen haar, zegt Pusztai-Csató. En dat gaat ook om geld.

Ze geeft een voorbeeld: een bedrijf ging langs bij gemeenten in het kiesdistrict, ze waren al vergevorderd in de gesprekken over hun vestiging in Szentistván. Op het laatste moment ging het niet door. Gaten in de weg werden niet gerepareerd. En ga zo maar door. ‘Het was een collectieve straf voor het dorp omdat ze geen burgemeester van Fidesz hadden gekozen.’

Oppositie

De problemen begonnen pas echt toen ze zich aansloot bij een nieuwe oppositiepartij. ‘Toen gingen de handschoenen uit.’ Een partijloze burgemeester was tot daaraan toe, denkt Pusztai-Csató, maar dat een nieuwe oppositiebeweging voet aan de grond zou krijgen, was onacceptabel. ‘Ze zien het land als hun persoonlijk eigendom.’

Uiteindelijk trad de gemeenteraad op één lid na af – volgens haar ‘onder druk van boven’ – wat automatisch leidt tot tussentijdse verkiezingen. Fidesz voerde een lastercampagne met flyers en posters over hoe Pusztai-Csató het dorp de afgrond in had gestort. Ze verloor.

Met haar verkiezingsnederlaag was de kous niet af. De gemeente, nu onder een opvolger van Fidesz, spande rechtszaken aan wegens onregelmatigheden in de gemeentebegroting. De belastingdienst kwam ook achter haar aan. Gedurende de zaak besloot de rechter ook nog eens dat ze zich aan een psychiatrisch onderzoek moest onderwerpen.

Ze moest als voorbeeld dienen, zegt ze. Dat lijkt gelukt. Voor een reconstructie van nieuwssite Index uit 2019 (een jaar later werd het medium overgenomen door een Fidesz-bondgenoot, bijna de gehele redactie stapte op) gaan burgemeesters in de omgeving de journalisten uit de weg, ‘omdat ze niet het lot van Pusztai-Csató willen ondergaan’.

Toen ze op zoek ging naar een nieuwe baan, ‘durfde niemand in de omgeving me aan te nemen’. Ze verhuisde naar Boedapest, anderhalf uur rijden westelijker, om haar beroep uit te blijven oefenen. Pusztai-Csató werd later vrijgesproken. Haar leven krijgt ze niet meer terug. ‘Ik wil nooit meer burgemeester worden.’

‘Ik vraag me vaak af of ik niet had moeten emigreren. Maar mijn beroep is de wet, het is toegesneden op Hongarije. Dit is mijn lot.’ Ze draagt een kokárda: het driekleurige lintje dat Hongaren opspelden voor nationale feestdagen, zoals de 15de maart die voor de deur staat. Het patriottische symbool werd lang geclaimd door Orbán en de zijnen, nu veroveren Magyar en zijn aanhangers het terug.

Ze houdt het even vast en krijgt tranen in haar ogen. ‘Ik voel me na al die jaren een vreemde in mijn eigen land. Maar het is mijn vaderland.’ Ze herpakt zich. ‘Wel heb ik altijd de solidariteit en het vertrouwen gevoeld van veel mensen om mij heen.’

Dat vertrouwen is overigens zeldzaam, voegt ze toe. Hongarije is een land geworden waar mensen op hun hoede en wantrouwig zijn. Ze denkt ook een eenvoudige verklaring te hebben dat haar landgenoten zich blootgeven aan een Nederlandse hotline. ‘Omdat jullie buitenstaanders zijn. Een Hongaarse hotline zou niemand vertrouwen. Iedereen zou denken dat Fidesz er stiekem achter zit.’

De grootste misdaad van de regering-Orbán is dat zij Hongarije in tweeën heeft gescheurd. Dit is onvergeeflijk.

Vanwege Orbán moet ik me in het buitenland schamen dat ik Hongaar ben.

Het is jammer dat Hongaren wereldwijd worden beoordeeld op basis van hun regering. Veel westerse burgers hebben geen idee hoe het is om in een dictatuur te leven terwijl er op papier sprake is van een democratie.

Let wel, er zijn genoeg Hongaren die Orbán steunen. Ondanks de nu kwakkelende economie is een deel van zijn beleid nog immens populair: staatssteun voor het kopen van het huis, belastingkorting voor moeders, het subsidiëren van energiekosten.

Ook heeft Fidesz in zestien jaar tijd verregaande controle over de media gekregen en het kiesstelsel aangepast, zodat ongeveer de helft van de stemmen resulteert in een twee derde meerderheid in het parlement. Het zijn evengoed miljoenen stemmen.

Ook zij weten de hotline te vinden. Hier nemen de reacties een interessante wending.

Ik wilde je even waarschuwen dat dit is gedeeld in de pro-Fidesz-Facebookgroepen.

Deze gesloten groepen zijn de zogenoemde Digitale Burgerkringen, opgezet voor de verkiezingscampagne om Fidesz-stemmers online met elkaar in contact te brengen. En verdomd, weldra stromen de steunbetuigingen voor de premier binnen.

‘Viktor Orbán is de beste Europese leider. En jij bent een clown.’

‘Hup Viktor Orbán en Fidesz!’

‘Waar bemoei je je mee? ‘

Ja Nicolaas, waar bemoei je je eigenlijk mee? Veul: ‘We zijn daar natuurlijk niet naartoe gegaan met een opgeheven vingertje van ‘O o o, dit is allemaal slecht’. We laten ook de mensen aan het woord die juist in het ideologische kamp van Orbán zitten.’ Maar uiteindelijk gaat het Hongaarse verhaal ook Nederlanders aan, daarvan is hij overtuigd. ‘Mensen die we tegenkwamen, zeiden: let maar op als de rechtspopulisten aan de macht komen. Bij ons kun je zien hoe het heeft uitgepakt.’

‘Ik verberg niet dat ik me zorgen maak, maar ga er met een open blik naartoe. Daarom hebben we die hotline geopend, om te horen wat mensen te zeggen hebben. Op basis van de reacties kun je je eigen conclusies trekken. Ik vind wel dat je het beestje bij de naam moet noemen: er is corruptie, er is homofobie, dat is bewezen. De democratie is van ons allemaal. Als iemand daar lak aan heeft, moet je je daarover uitspreken.’

Minder gekift

Tussen de steunbetuigingen aan Fidesz zitten ook serieuze bijdragen, niet enkel strijdkreten aangevuurd door bovengenoemde facebookgroepen.

Ik behoor tot de middenklasse. Eigen huis, auto, meerdere vakanties per jaar. Ons tweede kind is op komst, we zijn gelukkig en staan er financieel ook beter voor.

Aldus Olivér Szabó (42). Hij zit in een café in Komárom, een klein stadje aan de Donau. Hij las over de hotline op de website van HVG, een onafhankelijk weekblad. ‘Als je nieuwsgierig bent naar Hongarije, is het misschien ook goed om de andere kant van het verhaal te horen.’

Hongarije is vaak negatief in het nieuws, constateert Szabó. ‘Zelf zou ik graag minder gekift met de EU zien, maar we moeten wel voor onszelf opkomen.’ Hij bekijkt graag de positieve kanten van zestien jaar Orbán. Ondanks de groeiende frustratie onder een deel van de Hongaarse bevolking kunnen tevreden kiezers als hij voor Orbán de doorslag geven.

‘De kwaliteit van leven is niet slecht. Al mijn vrienden hebben een huis of appartement kunnen kopen, sommigen met hulp van de regering – ook als ze Fidesz niet steunen. Toen ik 20 was, had ik niets. We waren blij als we naar het Balatonmeer op vakantie konden. Jongeren hebben nu meer mogelijkheden.’

Szabó is hotelreceptionist en gids voor toeristen die dit mooie gebied weten te vinden. Hij is trots op zijn streek en omschrijft zich als een ‘lokale patriot’. Voor ondernemers en mensen met meerdere banen is het belastingstelsel gunstig, vindt hij.

Zijn vrouw en hij verwachten hun tweede kind. ‘Je kunt als moeder trouwens alles doen in Hongarije. Het is echt niet waar dat je een soort ‘broedmachine’ bent. Ze heeft haar eigen bedrijf als coach en dat steun ik honderd procent.’

Hongarije heeft ‘andere waarden’ dan West-Europa. Die ziet hij terug in het programma van Fidesz, een partij die ‘families en mensen die in hun streek geworteld zijn veel te bieden heeft’. Hij steunt de regering nog steeds. Szabó is juist bang voor verandering. ‘Het zijn wereldwijd turbulente tijden. Ik denk niet dat het verstandig is om ook nog eens van regering te veranderen.’

Ik steun Péter Magyar, ik denk dat op dit moment de enige kans voor verandering is. De propaganda is zo groot in ons land, het beheerst de mensen. Als dat niet verandert, is Hongarije een verloren land.

Ik haat het regime van Orbán, maar ik mag Péter Magyar ook niet. Toch ga ik zeker op hem stemmen, want ik wil dat Orbán verdwijnt.

Magyar kanaliseert zelfs de onvrede van mensen die weinig van hem moeten hebben. En hij oogst niet enkel steun onder traditionele oppositiekiezers, maar ook onder teleurgestelde Fidesz-stemmers.

‘Ik ben een voormalige Fidesz- en Orbán-fan, al sinds mijn jeugd. Ik ben geboren in 1986. Ik heb een levensverhaal dat is geschapen door Hongaarse historische familietragedies en trauma’s, waardoor onze hele familie Orbán en Fidesz steunde. Nu is dit veranderd.’

Gábor Koterle is freelance consultant in de duurzaamheidssector en schreef naar de hotline omdat hij vindt dat ‘West-Europa een beperkt beeld van ons land heeft. Mensen in het Westen beseffen vaak niet hoe sterk ons handelen wordt beïnvloed door onze geschiedenis. Mijn eigen familie is daar een voorbeeld van. Mijn moeder is geboren in Transkarpatië, tegenwoordig deel van Oekraïne.’

In 1920 werd Hongarije als verliezer van de Eerste Wereldoorlog opgedeeld: het land verloor twee derde van zijn grondgebied en ook miljoenen mensen aan omringende landen. Het is nog altijd een nationaal trauma, zegt Koterle. Binnen zijn familie is nationale trots daarom altijd belangrijk geweest. ‘Het gaat om traditie. Het is belangrijk voor ons dat we Hongaren zijn.’

In de jaren zestig emigreerde zijn moeder vanuit de Sovjet-Unie naar Hongarije. ‘Maar toen ze daar eenmaal aankwam, zeiden mensen tegen haar: jij bent geen echte Hongaar.’ Waar Orbán succesvol in is geweest, zegt Koterle, is dat hij oog had voor deze mensen. Hij stond voor zulke Hongaren, voor patriottische en protestantse waarden.

Daarom raakte Koterle op jonge leeftijd betrokken bij de partij. Tussen 2002 en 2010 zat Fidesz in de oppositie en organiseerde zich in die jaren op het platteland. ‘Het was een hechte gemeenschap, iedereen kende elkaar.’

Fidesz heeft zijn waarden verloochend, zegt Koterle nu. Hij noemt verschillende schandalen van afgelopen jaren, waaronder twee grote kindermisbruikschandalen die schokgolven door het land stuurden en bijdroegen aan de opkomst van Magyar – ze waren toegedekt door de regering. Ook heeft de regering gefaald in de coronaperiode, vindt hij, en is de inflatie nu te hoog.

Voor Koterle is het ‘een dilemma’. ‘We zijn een zogenaamd familievriendelijk land, en dan doen ze dit met kinderen.’ Hij ziet ‘moreel verval’ bij de partij. Om inmiddels te concluderen: niet hij, Gábor, is veranderd; Fidesz is veranderd. In een partij die hij niet meer kan steunen.

Veel Hongaren hebben net als hij genoeg gehad, daarvan is hij overtuigd. ‘Onze samenleving is als een vulkaan: we zijn passief en rustig, tot de uitbarsting.’

Als Hongarije een vulkaan is, dan is de hotline een seismograaf die uitslaat. Als de hotline eind januari sluit, is het een kolkende verzameling van angst en woede – maar ook van hoop en moed.

Judit Galambos, de vrouw van posterdesigner Pócs, geeft toe dat ze vroeger dacht nooit met haar verhaal naar buiten te treden. Maar twee jaar terug verscheen Péter Magyar bij youtubekanaal Partizán, een van de belangrijkste onafhankelijke programma’s in het land. In dat interview brak hij met de partij en hing de vuile was buiten over de corruptie en propaganda. Het lanceerde zijn carrière als oppositiebelofte.

Galambos zag dat en dacht: ‘Als hij niet bang is, waarom zou ik dat dan zijn? Hij brak door de muur van angst heen.’ Ze besefte: de enige manier om je te verzetten is door de angst achter je te laten. ‘Sindsdien voel ik me vrij en ben ik zoveel gelukkiger.’

Wat niet wil zeggen dat ze zich geen zorgen maken. Echtgenoot Pócs heeft ‘nachtmerries over wat er kan gebeuren’. Als Orbán blijft, bedoelt hij. ‘We maken een plan. Dan moeten we emigreren.’ Als hij het bezoek uitlaat, toont Pócs de campagneposter van Tisza die het echtpaar deze ochtend aan het tuinhek heeft gehangen. ‘Most vagy soha staat erop: ‘Nu of nooit.’

Hotline Hongarije (VPRO) is vanaf woensdag 8 april te streamen op NPO Start en is op donderdag 9 april om 21.20 uur te zien op NPO3.

Dit is een artikel uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next