Home

Met het alleen opzichtig benoemen ben je nog niet oprecht, stelt P.F. Thomése. Je kunt het alleen zíjn

Er bestaat een alternatief voor ironie en het heet: oprechtheid. P.F. Thomése las er David Foster Wallace en Gustave Flaubert op na en concludeert: wie oprecht wil zijn, kan het niet meer worden.

‘Oprechtheid’ is trendy. Of misschien kan ik beter zeggen: het nieuwe criterium. Als schrijver overtuig je pas door vóór alles ‘het eerlijke verhaal’ te vertellen, het over ‘echte’ en ‘urgente’ kwesties te hebben en je niet te verschuilen achter vorm, virtuositeit en, God verhoede, ironie.

Zeg het gewoon, spreek je uit. Als schrijver ben je sowieso belangrijker dan het werk dat je maakt. Je bent wat je schrijft, is tegenwoordig: je schrijft wie je bent. Laat het zien. Show it, tell it! De Franse succesboy Édouard Louis vindt het zelfs onze plicht om activistisch te zijn, zoals hij beweert in zijn aan iemand gedicteerde (!) essaybundel Que faire de la littérature?

Over de auteur
P.F. Thomése is schrijver van een groot oeuvre waarin hij de ironie niet schuwt. Zijn ­recentste roman is Black-out.

‘Wat te doen met de literatuur?’ Nou, daar weet meneer zelf het antwoord wel op. Gewoon van dat vraagteken een uitroepteken maken en de lezer confronteren met de waarheid, de werkelijkheid en de echtheid van de situatie. Zelf doet hij dat, zo dicteert hij geduldig, in elk boek opnieuw. Voilà.

Het is me duidelijk dat de tijd dat we ‘de werkelijkheid’ bij voorkeur tussen aanhalingstekens schreven, zoals Nabokov ons als jonge naïevelingen ooit leerde, in een oude doos vol afgedankte boeken op zolder ligt te verstoffen.

Literaire oprechtheidstrend

Ik kan me niet meer herinneren wanneer het precies is begonnen, maar als verstokte lezer ben ik geneigd David Foster Wallace de schuld te geven van de huidige literaire oprechtsheidstrend, en dan specifiek zijn essay ‘E unibus pluram – Television and U.S. Fiction’ (1993), dat ik leerde kennen in de essaybundel A Supposedly Fun Thing I’ll Never Do Again – Essays and Arguments uit 1997.

Wallace’ analyse van de Amerikaanse (media)cultuur is een analyse van een beklemming. De ironisering van de (massa)communicatie heeft niet alleen ‘de werkelijkheid’, in het algemeen maar ook onze omgangsvormen in het bijzonder tussen aanhalingstekens geplaatst. De reclame, de soapseries, de grote Hollywoodfilms (Quentin Tarantino is zijn bête noir), de zichzelf op de hak nemende ik-romans, de sophisticated omgangstaal op de campus: overal om hem heen werd de dubbele bodem ingebouwd. En het is de leegte van die dubbele bodem waar hij het zo benauwd van krijgt.

Het moet in die tijd zijn geweest dat mensen het vingergebaar voor aanhalingstekens gingen gebruiken, dat vleesgeworden ironieteken. David Foster Wallace pleegde in 2008 zelfmoord, dus de totale digitale spraakverwarring heeft hij nog geeneens meegemaakt, kun je nagaan.

De ironisering waarvan Wallace last heeft, is dat continue commentaar op wat je doet en wat je zegt, hoe je bent en hoe je wilt zijn et cetera, et cetera ad infinitum. Het is de last van een topzwaar zelfbewustzijn, een geobsedeerd, zeg maar gerust narcistisch brein dat zichzelf geen moment uit het oog verliest.

Het Ik wordt zo een cipier die het Zelf permanent bewaakt. Tegenwoordig bestaan daar hele penitentiaire instellingen voor, ze hebben digitale namen als Instagram, Facebook, TikTok, LinkedIn, Snapchat, Bluesky, X, maar ook in Wallace’ tijd was het al benauwd genoeg in die kruipruimte tussen Ik en Mijzelf.

Machteloze stem

In zijn essay citeert hij de Amerikaanse auteur Lewis Hyde (1945), die aan ironie een ‘negatieve functie’ toekent: ‘Irony has only emergency use. Carried over time it is the voice of the trapped who have become to enjoy the cage.’ Een machteloze stem dus, veilig vanuit je eigen gevangenis, waar je door je eigen tralies bent afgeschermd van de boze buitenwereld. Vervang ‘tralies’ door ‘scherm’, eventueel aangevuld met ‘tweede scherm’, en je hebt de hedendaagse menselijke conditie.

Daar wil Wallace uit losbreken, ontsnappen aan dat eeuwige commentaar op commentaar op commentaar. Wie dezer dagen Eindeloos vertier, Robbert-Jan Henkes’ vertaling van het chef-d’oeuvre Infinite Jest op zijn salontafel heeft liggen, het misschien al heeft ingekeken en dan ongetwijfeld de meer dan honderd pagina’s met voetnoten heeft opgemerkt, voelt aan z’n water dat het ontsnappen aan zo’n ongebreideld hyperbewustzijn voor deze vormbewuste virtuoos een onmenselijke opgave moet zijn geweest.

Gelukkig maar, zeg ik als lezer van zijn werk. Je moet er niet aan denken dat het hem werkelijk zou zijn gelukt om in totaal ironieloze ongecompliceerdheid alleen nog maar ‘oprechte’ boeken te schrijven.

Zijn oproep vat ik daarom op als een verlangen om te breken met een alsof-cultuur die hem verstikt. Eenzelfde oprechtsheidsverlangen wordt ook door Lewis Hyde beleden. In het essay waaruit Wallace citeert, ‘Alcohol and Poetry – John Berryman and the Booze Talking’ uit 1979, formuleert Hyde het als volgt: ‘Ironie is totaal nutteloos wanneer het erop aankomt iets op te bouwen dat als vervanging kan dienen van de hypocrisie waar het op afgeeft.’

Iets opbouwen, iets constructiefs ondernemen, bijdragen aan een betere wereld in plaats van haar alleen maar belachelijk te maken. (Wie wil het niet, zou ik zeggen… Alleen, hoe doe je het? Welke vorm kies je ervoor? Of is de oprechte intentie genoeg? Enfin.)

In zijn slotpleidooi komt Wallace, vol twijfel, met allerlei slagen om de arm, tot een potloodschets van de literatuur van de toekomst. Die zal geschreven moeten worden door jonge auteurs die, anders dan hij, nog onbedorven zijn. (Wallace was zelf pas 28 toen hij dit schreef!) Zijn hoop is gevestigd op ‘een stelletje rare anti-rebellen die met kinderlijke overmoed eenduidige principes aanhangen en in de praktijk brengen’. Die ‘gewone ouderwetse onmodieuze menselijke problemen en emoties in het Amerikaanse leven met eerbied en overtuiging behandelen’. En ‘een afkeer hebben van zelfbewustheid en hippe verveeldheid’.

Ironisch genoeg geeft hij ze weinig kans, deze door hem gedroomde onhippe romans vol gewone, ouderwetse menselijke problemen en emoties die met eerbied en overtuiging worden behandeld. Hun brutale braafheid zal worden weggehoond, vreest hij: ‘Te oprecht.’ Hij voorziet ‘beschuldigingen van sentimentaliteit, melodrama. Van goedgelovigheid, van weekhartigheid. Van bereidwilligheid om je te laten piepelen door een gemeenschap van toekijkers en gluurders die blikken en spot meer vrezen dan een gevangenschap zonder rechten.’

Ach, ach, arme oprechte schrijvertjes, wat zullen jullie het zwaar krijgen.

‘Who knows’, mompelt hij er ook nog eens achteraan. Tja, wie weet.

Enerzijds, anderzijds

Ik heb dit defensieve geklaag altijd teleurstellend gevonden. Aan de ene kant gelooft Wallace in iets waar hij aan de andere kant niet in kan geloven. Enerzijds, anderzijds. Nou, dan weet je het al. Die beloofde oprechte literatuur is kennelijk toch iets moeilijker waar te maken dan je in je onschuld zou denken. Ik krijg de indruk dat er onmenselijk veel moed nodig is om geheel ironievrij het ‘eerlijke verhaal’ te durven vertellen. Tjonge jonge, al die hoon van de schamperaars en uitlachers aan de zijlijn, het zou verboden moeten worden. Moed om oprecht te zijn… echt, is dat serieus bedoeld? Krijgen de uitlachers zo gemakkelijk greep op je? Is de waarheid je zo weinig waard?

Deze tegenstrijdige, telkens terugtrappende beweging doet me in de verte denken aan de destijds enigszins geruchtmakende bekering van Willem Jan Otten tot rooms-katholiek. Het geruchtmakende werd vooral veroorzaakt door Otten zelf, die als kersverse bekeerling niet zijn zegeningen telde en op zijn blote katholieke knieën de Heer bedankte, maar een felle anti-atheïstische tirade begon tegen echte en vermeende schamperaars en uitlachers uit zijn eigen schrijversgilde. (Voor de liefhebber: Het wonder van de losse olifanten – Een rede tegen de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie.)

Iemand heeft de genade van het geloof gevonden, je verwacht klaroengeschal en vroom koorgezang, maar wat je krijgt zijn schimpscheuten aan het adres van degenen die nog niet door God worden bijgelicht in hun domme, zelfbedachte duisternis. Alsof dat nieuw verworven geloof pas echt geloofwaardig kan zijn wanneer de hele intellectuele goegemeente te vuur en te zwaard op de deemoedige knieën is gedwongen.

Bij Otten had het ermee te maken dat zijn geloof gebaseerd was op een gevoel en niet op een dogma, en hij het nieuwe gevoel kennelijk nog niet helemaal durfde te vertrouwen. Maar hij wist wél zeker waar hij tegen was, tegen de grachtengordel van geloofsverachters. Bij Wallace hoor je achter dat gretige en haast wellustige afkraken van machteloze en laffe ironische vrijblijvendheid evenzeer de twijfel venijnig knagen. Je bent wel helemaal tegen, Wallace, maar ben je eigenlijk wel helemaal vóór?

Geloofsverlangen

Zijn oprechtheidsverlangen zie ik daarom als een geloofsverlangen. Hij wil verlost worden van zichzelf: transcenderen en transformeren. Het probleem bij oprechtheid, geloof en verlossing is dat het een passieve toestand is. Je kunt het niet nastreven, het moet je overkomen. De genade heet dat. Het vereist geen ambitie, maar ontvankelijkheid, dus het opgeven van verzet door argumentatie en tegenspraak. En dat is geen sinecure voor een bewustzijn dat maar denkt en denkt en denkt, en daar weliswaar gek van wordt maar er ook niet mee kan ophouden.

In Eindeloos vertier, die bijbel van het escapisme, wordt geen verlossing geboden. Er is hoogstens verzet (onder andere door de A.F.R., Les Assassins des Fauteuils Rollents alias de Wheelchair Assassins), dat in de praktijk nergens toe leidt. En er is pijn, psychische pijn. ‘Everything is part of the problem, and there’s no solution. It’s a hell for one’, schrijft hij in een passage over het soort klinische depressie dat hem twaalf jaar later, in 2008, fataal zou worden.

Om het leven te kunnen verdragen hebben de talrijke personages grosso modo drie mogelijkheden: verdoving, vertier en vernietiging. En misschien moet ik er nog een noemen: grenzeloze ambitie. Zeer toepasselijk bij een roman die zelf het toppunt van literaire ambitie genoemd mag worden. De zelfopgelegde discipline om jezelf te blijven overtreffen is immers ook een manier om te ontsnappen aan degene die je bent, of liever: was. In de roman leidt deze dwangmatige zelfverwezenlijking overigens niet zelden tot depressie, drugsverslaving en zelfmoord.

In bovenstaande typeringen lijkt Eindeloos vertier warempel bijna overzichtelijk, maar in werkelijkheid is het een maalstroom van taal waarin je wordt meegesleurd, kopje-onder gaat en weer bovenkomt, maar nergens meer een kant of wal bereikt om kalmpjes op adem te kunnen komen. Je zit vast in dit uitdijend bewustzijn, in dit van alle ankers losgeslagen vocabulaire. Er is, pun intended, geen ontsnappen aan.

Je komt er ook niet uit, want er is geen einde. Het is een schopenhaueriaans perpetuum mobile van vertier en verveling, van pijn en verdoving, waaruit het verlangen spreekt om net als Ismaël in Moby-Dick aan dit alles te ontkomen om het te kunnen vertellen, het als overlevende te kunnen navertellen, in een taal die, net als die van Melville, niet te stoppen is.

Afzweren van ironie

Het genoemde essay ‘E unibus pluram’ is geschreven in 1993, dus net voordat Wallace begon te werken aan zijn onvoorstelbare tour de force, die in 1996 als een bom zou inslaan. Het is meer dan een literair program een wanhoopskreet geweest, die afzwering van ironie aan de vooravond van Eindeloos vertier, zeker die slotzinnen, waarin hij streeft naar ontsnapping aan het escapisme en smeekt om eenvoud en oprechtheid.

Red mij, zeggen die zinnen, en als ik al verloren ben, red dan de literatuur, laat haar verhalen van een betere wereld, een wereld waarin Eindeloos vertier niet het ultieme boek is, aangezien de bewoners van een betere wereld niet dolgedraaid zullen worden in de hectiek van hun zelfverkozen gekte, waar alles naar betekenis taalt maar waar alleen heel omslachtig een leegte wordt uitgedrukt.

Met al zijn brille en genie, zijn seismografische begrip van de apocalyptische zelfmoordmissie van de Amerikaanse maatschappij, heeft dat boek, een once in a lifetime waarvan elke schrijver mag dromen, hem niet kunnen bevrijden. Als het hem al niet is gelukt met Infinite Jest, welk meesterwerk zal ons dán moeten terugleiden naar de felbegeerde eenvoud der dingen? Mijn excuses voor de ironie.

In zijn oprechtheidsverlangen betoont Wallace zich een ouderwetse romanticus van ware biedermeierallure, al spreken geleerdere lezers dan ik geloof ik liever over post-postmodernisme, wat me een nogal gecompliceerde term lijkt voor het eenduidige verlangen naar directe, ondubbelzinnige zeggingskracht.

Is het dan echt onmogelijk om oprecht te zijn, meneer Thomése?

Wel, kind, we zullen zien.

Laat hoogtepunt

Een van de fraaiste voorbeelden van oprechtsheidsverlangen vind ik het verhaal ‘Un coeur simple’ (‘Een simpele ziel’ ) van Gustave Flaubert, dat hij schreef in 1877, een laat hoogtepunt in zijn oeuvre, een paar jaar voor zijn dood.

Het is het verhaal van de ongetrouwde dienstbode Félicité die haar liefde, geloof en vertrouwen stelt in een opgezette papegaai genaamd Loulou, en aan het eind van haar eenvoudige leven sterft alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. De auteur Flaubert, die zich in zijn torenhoge ambitie verstrikte en verloor in hooggestemde literaire projecten, beschouwt de vanzelfsprekende aanvaarding van dit anonieme bestaan met verwondering, bewondering én enige ironie, want bij zo veel overrompelende eenvoud weet men niet goed wat men moet zeggen.

De ‘simpele ziel’ Félicité vindt de zin van het leven in het leven dat haar overkomt, niet in het nastreven van een ander, aanlokkelijker bestaan. Ze staat tussen de dingen die gebeuren. Zij is zelf als het ware ook een ding dat gebeurt.

Flaubert en Wallace daarentegen staan, zoals het in het schrijverschap nu eenmaal werkt, tegenover de dingen die gebeuren. Ze staan zelfs tegenover zichzelf. Ze bevinden zich dus steeds buiten de gebeurtenissen, en blijven toeschouwer en commentator van hun eigen bestaan en dat van anderen.

En precies in die afstand tussen de gebeurtenissen die je leven vormen en je commentaar erop, ontwikkelt zich onvermijdelijk de door Wallace zo gehate ironisering.

Félicité zal zich geen moment bekommeren om oprechtheid of om wat voor kwalificaties dan ook. Haar Zelf hoeft niet te worden opgepoetst tot het glimt alsof het zó uit de winkel komt. Ze doet wat ze doet, en het komt niet in haar op om dat te benoemen. Er is geen afstand tussen haar en de wereld. Geen Zelf dat zich daar steeds tussen wurmt. Alles is er elk moment. Dat is de genade die haar ten deel is gevallen. Maar wie piekert hoe hij een beter mens, ja een oprecht mens kan worden, zal die naïeve staat van zijn nooit en te nimmer bereiken. Wie oprecht wil zijn, kan het niet meer worden.

Dit zou ik, met een verwijzing naar het hierboven beschreven geloofsgetreuzel van Willem Jan Otten, de Otten-paradox willen noemen. Iets zo graag willen dat het juist daardoor op afstand blijft.

Eeuwige ondergeschikte

De ‘simpele ziel’ Félicité vraagt niets. Ze schikt zich in haar lot. De zin van alles wat haar overkomt vindt ze in het christelijke geloof dat haar leert dat alles Gods wil is, en dus is zoals het hoort te zijn. Als dienstmaagd is ze een eeuwige ondergeschikte, die haar opdracht braaf en zonder morren uitvoert. Ze dient haar mevrouw ‘vol toewijding, met de aanhankelijkheid van een hond’. Ze staat klaar voor anderen, niet alleen voor madame Aubain en haar kinderen Paul en Virginie, maar ook voor haar verweesde neefje Victor. Uit goedhartigheid helpt ze voorts zo’n beetje iedereen die nooddruftig is. Ongezien, dat spreekt. Voor zichzelf vraagt ze niets.

Pas tegen het einde van haar leven heeft ze iets voor zichzelf: een door haar mevrouw afgedankte groene papegaai, die ze zinnetjes leert die de geadopteerde huiskamervogel alleen reproduceert als er niemand bij is. Loulou noemt ze het beest. Ze ontwikkelt ook een persoonlijke interpretatie van de Heilige Drievuldigheid, waarbij ze de Heilige Geest niet voorstelt als duif, maar als papegaai. Dat is volgens haar veel logischer, aangezien haar Loulou kan praten en een stomme duif niet.

Zo spreekt de Heilige Geest elke dag tot haar en tot haar alleen. Hij zegt dingen als: ‘Wees gegroet, Maria!’, en (met de stem van mevrouw): ‘Félicité! Opendoen! Opendoen!’ Als Loulou op een dag dood in d’r kooi ligt, is ze ontroostbaar. Op advies van mevrouw Aubain laat ze hem opzetten. En als ze zelf sterft, is het laatste wat ze voor ogen heeft een hemel met daarin een gigantische papegaai.

Had Wallace een dergelijke eenvoud des geestes in gedachten toen hij schreef dat zijn nieuwe oprechtheidsstrijders ‘de gaap’ moesten riskeren, ‘de rollende ogen, het minzame glimlachje, de por in de ribben, het geparodieer van begaafde ironici, het tjee, wat banaal!’? En dan hebben we het niet eens over de verwijten van sentimentaliteit en goedgelovigheid.

Wonderschoon verhaal

De pathetiek van Wallace lijkt over de top als je je ‘Een simpele ziel’ voor de geest haalt. Daar heeft Flaubert volgens mij niets hoeven riskeren. Hij heeft gewoon een wonderschoon verhaal geschreven dat tot op de dag van vandaag wordt gelezen, geliefd en bewonderd.

Flaubert heeft dan ook het woord ‘oprechtheid’ niet nodig gehad om zichzelf en zijn verhaal te rechtvaardigen. Waar hij zich om bekommerde, was om de vorm en de compositie en de stijl. Hij maakte zich druk om alle mogelijke details die hij opvoerde, zoals bijvoorbeeld die papegaai, die hij zelf opgezet in zijn werkkamer had staan om hem beter te kunnen leren kennen.

Of dit oprecht is, zou ik niet weten. Who knows, zou Wallace zeggen. Het getuigt in elk geval van zorgvuldigheid en nieuwsgierigheid. Voor Flaubert was het schrijven een kunst en een ambacht, een manier van leven ook. Het was iets wat hij met de grootst mogelijke toewijding, en ja, opoffering wilde doen. In die zin heeft hij wel wat weg van zijn creatie Félicité, die evenmin het hovaardige woord ‘oprechtheid’ gauw in de mond zou nemen.

Hovaardig, ja, dat is het juiste woord voor die gratuite kwalificatie. Oprechtheidsverklaringen omtrent literaire werken roepen bij mij het angstbeeld op van idealistische boeken die over voorbeeldige levens gaan, geschreven door auteurs die geen onvertogen woord gebruiken en zich nooit eens te buiten gaan aan dingen die niet goed zijn voor de mensen, auteurs die in hun zelfverklaarde morele hoogstaandheid een norm hanteren waaraan alles wordt afgemeten en waaraan zij zelf natuurlijk glansrijk voldoen.

Het maakt mij, ik weet ’t even niet anders te zeggen, oprecht kwaad. Maar, zeg ik er ironisch bij, ik kan er ook om lachen. Sowieso bied ik bij voorbaat mijn verontschuldigingen aan. En laten wij ondertussen, de zogenaamd oprechten en de zogenaamd ironischen, in eensgezinde tweedracht verder werken aan ons Zelf, om het te verbeteren en te vervolmaken tot het glimt alsof het zó uit de winkel komt.

Het Zelf, onze hoogsteigen, persoonlijke papegaai.

David Foster Wallace: A Supposedly Fun Thing I’ll Never Do Again– Essays and Arguments. Abacus; 368 pagina’s; € 19,99.

Édouard Louis: Que faire de la littérature? Méditations et manifeste. Flammarion; 304 pagina’s; € 29,99.

Gustave Flaubert: Drie vertellingen. Uit het Frans vertaald door Hans van Pinxteren. L.J. Veen Klassiek; 152 pagina’s; € 19,90.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next