Het paasfeest is niet zomaar de herdenking van Jezus’ wederopstanding. Verwacht eerder een bonte stamppot van tradities, gewoonten en rituelen, waarvan sommige duizenden jaren teruggaan. Wat we vieren als we Pasen vieren, in zes ingrediënten.
Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, gespecialiseerd in klimaat en microleven.
Een holte in het gesteente van wat eens een oude steengroeve was. Eromheen een kapel, die op zijn beurt weer onderdeel is van een grote basiliek, de Heilig Grafkerk in Jeruzalem. Dat is, volgens de overlevering, de plek waar de historische Jezus werd neergelegd na zijn dood.
Dat zou zomaar nog eens echt waar kunnen zijn ook, constateert publicist en oudheidkundige Jona Lendering in een bespreking van het archeologische bewijs. ‘Het is plausibel dat de Grafbasiliek op ruwweg de juiste plek staat’, constateert hij. Bovendien werden de holten destijds inderdaad gebruikt voor het achterlaten van doden, blijkt uit de archeologie, en verrees de Grafkerk vanaf begin 4de eeuw op een plek die daarvoor ook al omgeven was met mystiek. De Romeinse keizer Hadrianus had er in de 2de eeuw een Venustempel laten bouwen, wellicht om een belangrijk vroeg-christelijk bedevaartsoord te verstoren.
Wat er bij die holte – áls het Jezus’ graf is – met Pasen gebeurde? Volgens evangelist Matteüs begon de aarde te beven en daalde een engel af uit de hemel die de steen voor het graf opzijrolde. Volgens Marcus was de steen al weg toen Maria Magdalena met een andere Maria langskwam om Jezus te balsemen. Ze troffen een ‘in het wit geklede jongeman’ in het graf, de Maria’s schrokken zich kapot. Bij Lukas en Johannes waren er zelfs twéé in het wit geklede jongemannen.
Lastig te beoordelen hoe dat nu zit, constateert Lendering desgevraagd: ‘Omdat een verrijzenis uit de dood in strijd is met de natuurwetten, kan de historicus er niets mee.’ Veel nieuwtestamentici nemen aan dat het verhaal van Marcus het authentiekst is, voordat Lukas en Johannes jongemannen toevoegden, en Matteüs het verhaal inkleurde met nog meer hemels gooi- en smijtwerk.
Maar ook het oudste evangelie, dat van Marcus, werd pas rond 65 na Christus op schrift gesteld, nemen oudheidkundigen aan. En, opvallend: bij oudere Bijbelboeken is er helemaal geen sprake van een weggerolde steen of een leeg graf. Jezus is ‘gestorven en opgestaan’, zo staat simpelweg in de brieven van Paulus aan de Thessalonicenzen, rond het jaar 50. Dat is Bijbelse symbolische taal voor: na de dood herrijzen als hemels wezen.
‘Het idee dat martelaren onmiddellijk opstonden in een hemel, moet de mal zijn geweest waarin Jezus’ volgelingen hun opvattingen vormden’, denkt Lendering dan ook. Geen gerol met stenen of letterlijk opstaan en weglopen dus, maar een spirituele opstanding. Een betekenis die uiteindelijk uitgroeide tot een soort houdini-act: tadaaa, de wonderlijke ontsnapping uit het graf.
Wanneer is het eigenlijk Pasen? Het antwoord op die vraag luidt, leest u even goed: op de eerste zondag na de eerste volle maan na de lente-equinox, waarop dag en nacht ruwweg even lang zijn – in de praktijk afgerond op 21 maart. De eerste paasdag varieert daarom tussen 22 maart op zijn vroegst en 25 april op zijn laatst, vertelt historisch sterrenkundige Rob van Gent (Universiteit Utrecht) desgevraagd.
De reden daarachter ligt verankerd in de christelijke traditie. Volgens het Nieuwe Testament was Jezus’ wederopstanding na het joodse paasfeest, oftewel de herdenking van de uittocht uit Egypte. Die uittocht was bij volle maan, vandaar de eerste volle maan na de lente-equinox. Maar omdat de wederopstanding van Jezus volgens het Nieuwe Testament toch echt op een zondag plaatsvond, legde keizer Constantijn in het jaar 325 op het Concilie van Nicea vast dat we voor christelijk Pasen moeten wachten tot de eerstvolgende zondag. Zodoende is Pasen een kwestie van afvinken: eerst moet het 21 maart worden, dan volle maan, dan zondag.
Om het nog ingewikkelder te maken, ging paus Gregorius in 1582 over tot een kalenderhervorming. ‘Die was nodig omdat de kalender steeds verder uit de pas bleek te lopen met de seizoenen’, vertelt Van Gent. De aarde doet er namelijk niet 365 dagen over om rond de zon te draaien, maar 365 dagen en 5 uur en 48 minuten. Om de langzaam gegroeide afwijking recht te trekken, schrapte Gregorius eenmalig tien dagen in oktober en paste hij de telling van de schrikkeljaren aan.
Orthodoxe christenen besloten niet mee te doen aan al die nieuwerwetse modes en hun Pasen op de oude manier te berekenen. Het gevolg: in onder meer Rusland valt Pasen soms opeens op een andere datum dan bij ons. Vorig jaar vielen westers en oosters Pasen op dezelfde dag. Maar dit jaar scheelt het tien dagen: in het oosten is het pas op 12 april Pasen.
Heel langzaam verschuift het oosterse paasfeest zodoende verder naar de toekomst, met een tempo van één dag per eeuw. ‘In het jaar 2698 is het voor het laatst dat westers en oosters Pasen samenvallen’, vertelt Van Gent. En jawel, ooit zullen Pasen en Pinksteren dus echt op één dag vallen. Losjes berekend: ergens rond de 66ste eeuw zal orthodox Pasen ons Pinksteren inhalen op de kalender.
Veelgehoord verhaal: toen het paasfeest zich over Europa verspreidde, fuseerde het in de Angelsaksische en Duitstalige wereld met de aanbidding van een ‘heidense’ godin van de dageraad genaamd Eostre. Vandaar dat Pasen in de Angelsaksische wereld en in Duitsland die opvallend afwijkende naam heeft, ‘Easter’, respectievelijk ‘Ostern’.
Dat gaat terug op een Britse monnik genaamd Bede, die rond het jaar 752 opschreef hoe de tijdrekening werkt. In zijn eigen regio, schreef hij, kenden de Saksen een maand Eosturmonath, ‘vernoemd naar een godin van hen genaamd Eostre, ter ere van wie in die maand feesten werden gevierd’.
Zaak opgelost? Toch niet. In een nieuw verschenen boek over Pasen gooit de Britse archeoloog Richard Sermon een knuppel in het hoenderhok. Misschien was Eostre, die verder volslagen onbekend is in de mythologie, helemaal geen belangrijke godin – als ze überhaupt heeft bestaan. ‘Het lijkt me vrij implausibel dat de naam van een plaatselijke godin door de kerk is geaccepteerd als aanduiding voor haar belangrijkste festiviteit’, aldus Sermon, per e-mail vanuit Engeland.
Hij wijst erop dat ‘Eosturmonath’ in het oud-Engels gewoon ‘oostenmaand’ betekent. Een verwijzing naar het feit dat de zonsopgang tijdens de lente-equinox precies in het oosten opkomt. ‘Dat is, zo zou ik betogen, de meest waarschijnlijke verklaring voor zowel de timing als de etymologie van Eostermonath’, aldus Sermon. Geen godin dus, maar letterlijk: ‘easter’ als verwijzing naar het oosten.
Ook bij de Duitstalige verwijzing naar ‘Oster’ is er wellicht geen Germaanse god in het spel, denkt Sermon, inmiddels een autoriteit op paasgebied. De naam ‘Oster’ kwam pas zo’n duizend jaar later in zwang en kan best eens zijn meegekomen met Britse priesters, denkt hij.
Dat Pasen in veel oude culturen ook al een bijzondere dag was, bestrijdt Sermon overigens niet. Het markeert immers het begin van de lente, moeten ook boerenvolkeren van die tijd hebben geweten. ‘Het symboliseert het moment waarop het licht over het duister triomfeert en het leven over de dood’, stelt Sermon vast. ‘Dat was in veel culturen een belangrijk moment.’
Ieder traditioneel feest z’n wonderwezen, maar dat van Pasen is erg opmerkelijk: die grote haas, liefst met op zijn buik een mandje met felgekleurde eieren. Het ‘herinnert eraan dat de feestdagen zeer oude wortels hebben buiten de christelijke traditie’, schrijft docent religiestudies Brent Landau van de Universiteit van Texas, op het academische groepsblog The Conversation.
Dat klopt, stelt Sermon, auteur van een boek over de geschiedenis van het paasfeest. ‘De paashaas – Osterhase – lijkt te zijn ontstaan als lokale traditie in Zuidwest-Duitsland, waar algemeen werd aangenomen dat hazen eieren legden in plaats van levendgeboren jongen te baren’, legt Sermon uit. Later, in de 17de eeuw, ging men ertoe over om ‘Ostereier’ in de tuin te verstoppen voor de kinderen. Alsof de paashaas die had gelegd. Zoeken maar!
Dat rijmde weer met de diepverankerde religieuze betekenissen die mensen al duizenden jaren leggen in het ei, dat wonderlijke object waarin het leven zelf besloten ligt. ‘Eieren staan bekend als zeer oude religieuze symbolen en komen voor in vrijwel alle religies ter wereld’, aldus Sermon. Zo ook in het vroege christendom. ‘Het kan worden verklaard als een christelijke metafoor voor de opstanding van Jezus op paaszondag, de dag waarop na de lange vastenperiode eindelijk weer eieren gegeten mochten worden’, aldus Sermon. ‘Interessant is dat eieren een verplicht onderdeel vormen van de Joodse sedermaaltijd, aan het begin van pesach, rond dezelfde tijd van het jaar.’
Zo raakten ze nauw met elkaar verbonden: haas, eieren, Pasen. ‘Gedurende de 19de eeuw leidden paaskaarten en -cadeaus ertoe dat de paashaas populair werd in heel Europa’, schetst Sermon. ‘Duitse immigranten exporteerden de gewoonte vervolgens naar Groot-Brittannië en Amerika, waar die zich ontwikkelde tot de paashaas.’ Soms werd de grote, ruige paashaas daarbij een pluizig konijn, aaibaarder voor kinderen.
Grappig weetje: Amerikaanse kerkleiders wilden zowel Pasen als Kerstmis aanvankelijk zelfs niet erkennen als feestdag, met al die troebele, heidense symbolen en gebruiken eromheen. Al had dat er ook mee te maken dat het volk zich in zijn vreugde om de hergeboorte van Jezus nogal liederlijk gedroeg, met openbare dronkenschap, wilde feesten en gevechten.
Oude boerentraditie: valt er iets bijzonders te vieren, maak dan een vreugdevuur. Plezier gegarandeerd, en van heinde en verre is te zien: dáár is dat feestje. Zo ging het al sinds mensenheugenis, blijkt uit de historische onderzoeken. En nu, in een tijd van stikstofnormen, schadeverzekeringen, brandvoorschriften en milieuvergunningen, ligt de traditie onder druk.
Toch? Alweer is er een belangrijke nuance, vertelt cultureel antropoloog Irene Stengs (VU Amsterdam, Meertens Instituut). ‘Rond 1900 is deze traditie vrijwel geheel verdwenen geweest. Mensen trokken naar de steden, verloren hun interesse. En de vuurtjes die er nog waren, waren heel klein. ‘Zo groot als een klein stoeltje’, volgens een van de verslagen uit die tijd’, vertelt ze.
De hedendaagse paasvuren – hoog, hoger, hoogst! – kwamen pas later weer in zwang. En ze werden doelbewust aangemoedigd, vertelt Stengs, als nostalgische terugval op de gemeenschapszin van het boerenleven, en gewoon uit commercieel belang, om het toerisme te stimuleren. Zo organiseerde de VVV in de jaren zestig een competitie tussen buurtschappen ‘om een zo groot mogelijk paasvuur te bouwen’.
Zo gaat dat vaak, schrijft de Britse historicus Eric Hobsbawm in zijn klassieke werk De uitvinding van traditie (2012). Veel tradities líjken oud, maar zijn in werkelijkheid pas de laatste eeuwen of decennia opgekalefaterd, vaak door oudere gewoonten bij elkaar op te tellen. De pop van Judas of de duivel die soms boven op de paasbult prijkt, is daarvan ook zo’n voorbeeld.
‘Aan het eind van het carnaval wordt soms ook een pop verbrand, en met oud en nieuw gebeurde het ook weleens’, vertelt Stengs. Denk aan de reuzengeit van stro die in december op een plein in de Zweedse stad Gälve staat, waarna burgers proberen hem in brand te steken. ‘Rituelen zoals paasvuren bestaan uit allerlei steeds terugkerende thema’s, die mensen aan elkaar haken’, zegt Stengs.
En dan, op tweede paasdag: naar de meubelwinkel natuurlijk! Maar hoe is dat eigenlijk zo gekomen? En waarom meubels?
Vanouds was de paasmaandag al een bijzondere dag, de frisse start na de opstanding van Jezus. Dit was de eerste dag van het nieuwe licht: een dag voor processies, doopceremonies, kerkwandelingen of andere rituelen. Zo spreekt men in onder meer Polen en Hongarije van ‘natte maandag’: een verwijzing naar een plaatselijk gebruik waarbij mannen de vrouwen feestelijk natgooien, als verwijzing naar de doop.
Op de dag van de vernieuwing materiële inkopen doen, viel ook al vroeg in die waaier van paasgebruiken. Zo verwijst de uitdrukking ‘op zijn paasbest’ naar het katholieke gebruik om met Pasen nieuw aangeschafte kleding aan te trekken. Al in 1673 zorgde het dorp Sluis voor enige ophef, door op paasmaandag de winkels te openen. En sinds 1882 was er in Gorinchem een goedlopende paasmarkt op maandag, zo documenteert gemeenteambtenaar en amateurhistoricus Anneke Bode op haar geschiedenisweblog. Die trok duizenden bezoekers van heinde en verre, al waren er ook ongeregeldheden met ‘lummels en kwa-jongens’, citeert Bode.
Na de oorlog speelde de commercie verder in op het feest van vernieuwing, met ‘paasshows’ vol aanbiedingen, zo blijkt uit een eigen speurtocht door de krantenarchieven. Daar duiken ook de eerste meubelzaken op, blijkt uit een advertentie uit 1957, de vroegste die we vonden. Een meubelzaak op de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam adverteerde toen met paasaanbiedingen, zoals een ‘exclusieve salonkast’ voor 575 gulden.
Hoewel winkels door de Winkelsluitingswetten van 1930 en 1951 eigenlijk op tweede paasdag gesloten moesten zijn, werd de handel op paasmaandag hier en daar gedoogd. In Amsterdam adverteerde meubelfirma Artimo om naar de winkel te komen, ‘waar U een meubelwereld kunt zien, zoals U nog niet kent’. Enorm was ook de paasshow van de firma Van Reeuwijk in Rotterdam, met honderden toonkamers. ‘Een unicum in Europa’, volgens een advertentie uit 1958.
Zo kregen, met de toenemende welvaart, de meubelzaken steeds meer de overhand – paasbeste kleding of schoenen kocht men buiten Pasen om ook wel. Toen het begin jaren tachtig uiteindelijk tot een confrontatie kwam met de autoriteiten, waren het dan ook de interieurwinkels die de hoofdrol speelden.
In Beverwijk hadden acht grote interieurwinkels de handen ineengeslagen voor een driedaagse paasshow, op een ‘zogenaamde meubelboulevard’, zo schreef de Volkskrant. Het ministerie van Economische Zaken probeerde het te verbieden – en ontketende prompt een rel. Zo openden zes Rotterdamse meubelzaken demonstratief ook hun deuren op de paasmaandag; dan maar een boete. Het liep met een sisser af, in het voordeel van de winkels.
Zo kwam het feest van de vernieuwing meer en meer in het teken te staan van: een nieuw bankstel. Denkt u daar eens aan, mocht u deze maandag door de drukte sjokken.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant