Het Christendom is terug. Van nooit weggeweest, natuurlijk, maar het beleeft nu een hip cultureel moment. Randstedelijke trendwatcher Doortje Smithuijsen vertelde in een EO-podcast dat ook zij „van de kerk houdt”. Zo gaat ze elk jaar naar de Matthäus Passion van Bach, die ze prachtig vindt want dat verhaal is „heel waar”.
Ze onderstreepte weer eens de unieke status van de Matthäus in Nederland. Die is voor iedereen, ja, júíst voor de ongelovige, een ritueel van bezinning. Vanwege de muziek, maar niet alleen. Ook, volgens NRC, door „universele thema’s als vriendschap, verraad, hoop en vergeving”. Ja, universeel? Sinds mijn zesde zing ik in Matthäus-uitvoeringen. En hij bevreemdt me elk jaar meer.
Ik doel niet eens op het ongemakkelijke antisemitisme, of de matige rijmelarij van dichter Picander, over wiens „hemeltergende tekstuele kolder” Martin van Amerongen al opmerkte dat het „als een godswonder moet worden beschouwd dat niet een hele schare luisteraars […] zich op Goede Vrijdag schaterlachend op de knieën slaat”. Nee, het gaat me om het kernidee van dit stuk.
Want waar gaat Bachs Matthäus over? Ja, lijden en liefde, maar dat zit in elk verhaal. Wat zegt Bach precíés over dat liefdevolle lijden? Het antwoord zit in de overdenkingen van de toeschouwers die Bach en Picander toevoegden in aria’s en koralen. Als kind snapte ik het Duits nauwelijks, maar inmiddels zie ik dat het lijden van Jezus opvallend vaak egocentrische, ‘wat-heb-ik-hier-zelf-aan’-reacties ontlokt.
Direct na Jezus’ dood uiten de toeschouwers geen verdriet, maar doen ze een verzoek: „Als ík sterf, wees er dan ook voor míj.” De bas die zingt dat hij Jezus’ kruis graag overneemt, doet dat uitdrukkelijk zodat Jezus hem helpt „als zijn eigen lijden te zwaar wordt”. Bachs Passie gaat over ordinaire handjeklap met God. Christus lijdt, om onze schuld af te lossen. Geweldig! „Hoewel mijn hart drijft in het bloed […] word ik toch blij van zijn testament,” concludeert de sopraan. „Zijn verdienstelijk lijden” is „bitter en toch zoet,” beaamt het koor. De sopraan roept de beenderen van Jezus voor de goede orde nog toe in het graf: „vor euer Leiden tausend Dank!” Wel zo beleefd.
Hoe werkt deze transactie? Het stuk interpreteert de kruisiging volgens de theorie van ‘verzoening door voldoening’. God was zo gekrenkt door onze zonden, dat Hij een enorm offer nodig had. Iemand moet pijn lijden, „omdat het de lieve God bevalt”.
In onze tijd dient een offer vaak een logisch doel. Wie goed wil kunnen kunstschaatsen, moet offers brengen: bloed, zweet en tranen. Maar die zijn het bijproduct van een mooie kür, niet een doel op zich. In de Matthäus werkt het offer anders. God wil bloed zien. Uit liefde voor de mensen kiest God zijn zoon als offerlam. Lief, maar ook… apart. God offert zijn zoon voor zichzelf. Terwijl, als Hij ons wil vergeven, waarom doet Hij dat niet gewoon? God volgt in de Matthäus dezelfde logica als de donateur van een sponsorloop – waarom moet iemand zich fysiek uitputten voordat jij geld geeft aan het goede doel? – maar dan oneindig veel sinisterder. Pas als een onschuldige sterft, is Hij niet boos meer.
Zo’n gewelddadig offerspektakel is, voor de ongelovige, absurd. Nu kan ook het absurde troost bieden. Maar daar is het Smithuijsen en consorten geloof ik niet om te doen.
Musicoloog Michael Marissen concludeerde al „dat een groot aantal muziekliefhebbers Bach, strikt genomen, niet waarderen vanwege de dingen waar het bij Bach, strikt genomen, om gaat”. Dus misschien zit het troostrijke van zijn Matthäus gewoon in de muziek, en ervaren concertbezoekers troost als ze het Duits matig verstaan en het tekstboekje halfslachtig doorbladeren.
Maar toch: is voor iemand die wel oplet zulk bloederig ‘verdienstelijk lijden’ niet walgelijk? Het is troostrijk als we lijden betekenis kunnen geven. Maar het is pervers als we daarmee andermans lijden rechtvaardigen. Daarom zijn veel mensen niet gediend van het woord ‘Holocaust’, dat ‘brandoffer’ betekent. Een offer impliceert een nuttig lijden, maar massamoord dient geen enkel doel. De logica van het mensenoffer hebben we toch uitgebannen?
Dit Matthäus-seizoen begon me iets te dagen. Ik erger me aan deze offer-logica, juist omdat ik hem herken. Transactioneel lijden is overal. Nemen we het offer van de Oekraïners niet even opgewekt in ontvangst, als politici hen roemen om hun heroïsch sterven voor ‘onze vrijheid’? Echt verdienstelijk lijden. En laten Europeanen de Palestijnen met hun leed niet de prijs betalen voor onze zonden, onze schuld voor de Shoah aflossen?
De aria Erbarme dich klinkt dit jaar als opdracht om eens eerlijk te reflecteren op onze mensenoffers. Wie vragen wij, nu, om voor ons verdienstelijk te lijden? Wiens pijn aanvaarden wij al te makkelijk? Verontrustende gedachten. Maar leed en bloed als prijs voor verzoening en genoegdoening, dat mag best bevraagd worden. En als we Bachs vertolking van een doodgemartelde onschuldige enkel bejubelen als universele feelgood, overgoten met een vaag, warm gevoel van ‘erbarmen’, dan, vrees ik, schlafen unsre Sünden ein.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden