Home

Waarom mannen steeds onzekerder worden en zich minderwaardig voelen

Feminisme heeft de manier waarop we naar mannelijkheid kijken flink door elkaar geschud. Waar mannelijkheid vroeger vooral werd neergezet als iets dat je moest bereiken – sterk, stoer, verantwoordelijk, kostwinner – is het in veel feministische benaderingen vooral een probleem geworden dat opgelost moet worden. In plaats van de vraag “hoe ontstaat mannelijkheid?” komt steeds vaker de vraag centraal te staan: “welke schade richt mannelijkheid aan, en voor wie?”

Binnen kritische feministische theorie wordt mannelijkheid gezien als iets cultureels, niet als iets natuurlijks. Dat betekent dat traditionele mannelijke rollen – dominant, emotioneel gesloten, beschermend, seksueel assertief – worden behandeld als een soort sociale constructies die vooral vrouwen en homoseksuele mannen benadelen. De nadruk ligt sterk op mannelijke privileges, op patriarchale structuren en op de hiërarchie tussen mannen onderling, met de witte heteroman helemaal bovenaan. In dat kader worden mannen vaak beschreven als bron van problemen: geweld, seksisme, homofobie, machtsmisbruik op de werkvloer, en allerlei subtielere vormen van ongelijkheid.

In onderzoek dat expliciet vanuit zo’n kritisch-feministische bril vertrekt, zie je dan ook vooral mannen terug als dader, veroorzaker of obstakel. Er wordt ingezoomd op mannelijke managers die vrouwen anders beoordelen dan vrouwelijke collega’s dat doen, op informele mannenculturen – de bekende “locker room talk” – die gelinkt worden aan agressieve of vrouwonvriendelijke houdingen, en op groepen als incels die hun frustratie afreageren op vrouwen. Wat in dat soort tijdschriften vrijwel ontbreekt, is aandacht voor de problemen die mannen zelf ervaren, of voor positieve ontwikkelingen in mannelijkheid. Mannen worden minder gezien als mensen met eigen kwetsbaarheden, en meer als dragers van een schadelijk systeem.

Parallel daaraan is er een steeds sterker cultureel verhaal ontstaan dat mannen “zachter” en “vrouwelijker” zouden moeten worden: meer praten over gevoelens, minder competitief zijn, minder stoer doen, minder seksueel direct zijn, meer zorgen, meer luisteren. Op zich is daar niets mis mee als het gaat om het openen van keuzeruimte: mannen die wíllen afwijken van het klassieke plaatje, moeten daar de ruimte voor krijgen. De spanning ontstaat wanneer die zachtere, meer “vrouwelijke” manier van zijn niet wordt gepresenteerd als een optie, maar als de nieuwe norm waar “goede mannen” aan moeten voldoen – vaak expliciet of impliciet onder verwijzing naar feministische idealen.

Dat opleggen van een ander soort mannelijkheid heeft ook schaduwkanten. Een eerste nadeel is dat er simpelweg een nieuw soort druk voor in de plaats komt. Waar mannen vroeger te horen kregen dat ze vooral stoer, hard en onaangedaan moesten zijn, krijgen ze nu vanuit sommige feministische hoeken te horen dat ze vooral zacht, kwetsbaar, emotioneel open en voortdurend zelfkritisch moeten zijn. De boodschap verandert, maar het onderliggende mechanisme blijft hetzelfde: er is een “juiste” manier om man te zijn, en wie daar niet in past, ligt onder vuur. De vrijheid om gewoon een mix te zijn van harde en zachte kanten raakt daarmee ondergesneeuwd. Net als de vrijheid om de mannelijke hormonen hun gang te laten gaan, zoals vrouwen hun vrouwelijke hormonen mogen omarmen.

Een tweede nadeel is dat veel mannen het gevoel kunnen krijgen dat hun meer traditionele eigenschappen per definitie verdacht zijn. Ambitie, competitiedrang, behoefte aan leiding nemen, fysieke kracht of zelfs gewoon plezier hebben in “typisch mannelijke” dingen zoals risicovolle sporten of stevige humor, worden dan al snel gelezen als tekenen van toxische mannelijkheid. Dat kan ertoe leiden dat mannen zich gaan inhouden, zich schuldig voelen over wie ze zijn, of continu op eieren lopen in sociale en romantische situaties. In plaats van zelfvertrouwen ontstaat er onzekerheid en zelfcensuur.

Daarbovenop komt dat mannen die zich niet makkelijk aanpassen aan deze nieuwe, zachtere norm – bijvoorbeeld omdat ze uit een andere cultuur komen, een ander karakter hebben, of gewoon niet zo verbaal en emotioneel ingesteld zijn – sneller worden weggezet als “achterlijk”, “gevaarlijk” of “nog niet opgevoed”. Hun eigen problemen, zoals depressie, eenzaamheid, prestatiedruk of discriminatie, verdwijnen dan uit beeld. In sommige feministisch georiënteerde onderzoeken worden die problemen nauwelijks genoemd, omdat de focus zo sterk ligt op wat mannen anderen aandoen, niet op wat mannen zelf meemaken.

Een ander nadeel is dat relaties er ingewikkelder op kunnen worden. Als mannen het gevoel hebben dat ze zich steeds vrouwelijker moeten gedragen om acceptabel te zijn – gevoeliger, minder seksueel direct, minder uitgesproken – kan dat botsen met wat sommige vrouwen juist aantrekkelijk vinden: duidelijkheid, initiatief, ruggengraat, een bepaalde vorm van stoerheid. Wanneer mannen dat inhouden uit angst om als “seksist” of “toxisch” te worden gezien, ontstaan er misverstanden, frustraties en soms ook een soort grijze, spanningsarme dynamiek waarin niemand echt zegt of doet wat hij of zij wil. De druk om “de perfecte, gedekoloniseerde, hyperbewuste man” te zijn kan romantische en seksuele spontaniteit behoorlijk verstikken.

Daarnaast kan de eenzijdige nadruk op het “afbreken” van mannelijkheid een soort identiteitsvacuüm creëren. Als je mannen voortdurend vertelt wat ze níét meer moeten zijn – niet dominant, niet te seksueel, niet te assertief, niet te competitief – maar nauwelijks een positief, stevig alternatief biedt dat meer is dan “wees gewoon niet problematisch”, dan blijft er weinig over om je aan vast te houden. Dat maakt sommige mannen vatbaar voor tegenbewegingen: influencers en communities die juist heel hard roepen dat feminisme alles kapotmaakt en dat mannen weer “echte mannen” moeten worden. De polarisatie wordt zo alleen maar groter.

Tenslotte is er nog een praktisch nadeel: wanneer feministische kaders in wetenschap en media vooral filteren op verhalen waarin mannen als probleem verschijnen, krijg je een scheef beeld van de werkelijkheid. Onderzoek dat laat zien dat mannelijkheid óók verandert in positieve zin – minder homofobie, minder geweld, meer emotionele openheid, hechtere vriendschappen tussen mannen – krijgt minder aandacht in de streng kritisch-feministische hoek. Dat houdt het stereotype beeld in stand van “de man” als structurele dader, terwijl de werkelijkheid veel diverser en genuanceerder is. Mannen die wél proberen om een gezondere vorm van mannelijkheid te leven, zien zichzelf dan nauwelijks terug, wat de motivatie om te veranderen ook weer kan ondermijnen.

Feminisme heeft belangrijke misstanden zichtbaar gemaakt en terecht kritiek geleverd op schadelijke vormen van mannelijkheid. Maar zodra daar bovenop de impliciete eis komt dat mannen zich vrouwelijker móéten gedragen om moreel door de keuring te komen, schuift het probleem alleen maar op. Dan ruil je de oude keurslijven in voor nieuwe: minder spierballen, meer zachte kussentjes, maar nog steeds een keurslijf. De uitdaging ligt niet in het vervangen van “de stoere man” door “de zachte man”, maar in het creëren van ruimte waarin mannen hun eigen mix van hard en zacht, stoer en kwetsbaar, kunnen vormgeven – zonder dat ze van welke ideologische kant dan ook voortdurend te horen krijgen dat ze verkeerd zijn.

Afbeelding: Grok AI / FOK.nl

Source: Fok frontpage

Previous

Next