Home

Marcel van Roosmalen: ‘Ik ben niet de hele dag chagrijnig, maar ik heb vaak een paniekreactie die er zo uitziet’

Hij was al reportageschrijver, podcastmaker en televisiepresentator, maar nu is Marcel van Roosmalen ook cabaretier geworden. Een vak waarbij de eerste loodjes het zwaarst wegen. ‘Ik stuitte op een muur van ongeïnteresseerden in het publiek, het was verschrikkelijk.’

is tv-maker, schrijver en journalist. Voor Volkskrant Magazine interviewt ze bekendere Nederlanders.

‘Hij is iets aangegaan wat hij heel spannend vindt’, zegt producent Thomas Bruining, als Marcel van Roosmalen met een koptelefoon op in de kleedruimte zit. Hij wil zich de allerlaatste minuten voor zijn opkomst in Bovenkarspel nog even kunnen focussen.

‘De ironie wil dat hij zelf de aandacht opzoekt, maar als hij de aandacht dan krijgt, vindt hij dat ook ingewikkeld’, zegt Bruining, die ook de publicitaire kant voor Van Roosmalen verzorgt. Hij heeft zodoende al vaak geprobeerd om Van Roosmalen bij Eva Jinek aan tafel te krijgen. Zonder succes. ‘Ik denk dat ze hem onvoorspelbaar vinden. Maar dat is helemaal niet zo. Achter het pantser zit iemand met wie je goed een gesprek kunt voeren.’

De try-out van de solovoorstelling Ik mag niet klagen in theater Het Postkantoor krijgt een enthousiast applaus. Zelfs al beet hij iemand in het publiek toe dat die een aanslag op zijn humeur was.

‘Mijn regisseur zei dat ik ook eens contact met de mensen in de zaal moest maken’, vertelt Van Roosmalen een paar dagen later in zijn stamcafé om de hoek van zijn huis in de Amsterdamse buurt Watergraafsmeer. De man, die in een paar jaar tijd uitgroeide van schrijvend journalist tot een nogal alomvertegenwoordigde mediapersoonlijkheid – met onder meer een column in NRC, diverse talkshows (Media Inside, Van Roosmalen & Groenteman), theatervoorstellingen (De Pannekoekencaravan met Gijs Groenteman, Zandweg 17 Wormer met zijn vriendin en columnist Eva Hoeke), boeken (zoals een drieluik over zijn geliefde voetbalclub Vitesse, biografieën van Vitesse-iconen Theo Bos en Theo Janssen en zijn beste reportages verzameld in de boeken Totaal 1, Totaal 2 en Totaal 3), en podcasts (Weer een dag, Radio Romano, Daar gaan we weer) – woont daar met zijn gezin met drie dochters: Lucie (10), Leah (8) en Frida (4).

‘De eerste twee shows keek ik of op mijn papieren of naar de grond’, vervolgt Van Roosmalen vanachter een dubbele espresso. ‘Dus nu dacht ik: ik kijk ze allemaal recht in het gezicht aan. Maar er zat een man tussen die geen spier vertrok. En elke keer viel mijn blik op dat stuurse gezicht. Toen zei ik daar inderdaad wat van. Tja, je weet af en toe zelf niet wat je er uitkraamt. Zo simpel is het.’

Dat hij met een enthousiast applaus het podium af kon gaan, was desondanks een opluchting. Want tijdens zijn voorstelling in De Heerd in Heerde ging de debuterende cabaretier genadeloos onderuit. De voorstelling staat in huize Van Roosmalen, vertelt Hoeke eerder aan de telefoon, inmiddels bekend als ‘De Hel van Heerd’.

‘Dat was verschrikkelijk ja. De try-out-reeks begon optimistisch, mijn eerste voorstelling was in Enkhuizen, er zaten tachtig mensen. ‘Het is wel leuk als je wat opmerkingen maakt over het publiek’, zei de regisseur Geert Lageveen weer. Maar toen ik opkwam zag ik meteen: o kut, er zitten op de eerste rij allemaal mensen met een handicap. Dan ben ik al compleet van slag. Maar ik heb het daar overleefd. Daarna kwamen de meevallers, zoals een zaal in Woerden met een superbedeesd publiek, ze wilden me allemaal helpen. Iemand gaf me na afloop zelfs een zelf gebrouwen drankje. Dat was wel stimulerend. Ik begon erin te groeien.

‘En toen moesten we naar Heerde, dat ligt in Gelderland op de grens met Overijssel. Het is een soort Laren, een welvarend dorp in een bos. Thomas had gezegd dat we ook wat aan publiciteit moesten doen, dus er ging een reportageschrijver en fotograaf van Nieuwe Revu mee. De twee uur durende autorit werd ineens een groot interview. Daardoor had ik mezelf een extra spanningsveld opgelegd, ineens moest ik op mijn woorden passen en kon ik niet meer vrijuit zeggen wie ik allemaal een lul vindt.

‘Op een zeker moment gingen we eten en dacht ik: misschien wordt dit wel de eerste keer in mijn leven dat ik een reportageschrijver sla, want hij hield maar niet op. Vervolgens zat ik in de kleedkamer met de fotograaf – hij was ook een beetje bang voor me – die net deed alsof hij niet aanwezig was en ondertussen foto’s van me maakte. Dan zie je zo’n hoopje mens je vanaf de grond fotograferen. Op een zeker moment ging hij naar de wc, in de kleedkamer, en dacht ik: hij heeft gewoon gepoept. Dat zei ik ook: ‘Heb jij nou gepoept, in de kleedkamer?’ Vervolgens moest ik dat toneel op en vergat ik in alle consternatie mijn aantekeningen en kaartjes. Het was dramatisch.

‘Ik kwam op en stuitte op een muur van ongeïnteresseerden. Allemaal mensen in wie ik me niet herkende, zaten me aan te staren. ‘Ik kan maar beter open kaart spelen’, zei ik, ‘ik weet gewoon even niet waar ik moet beginnen, dus ik ga even op de stoel zitten’. Terwijl ik zat, keek ik naar ze en zij keken terug. Toen overviel me een gevoel van wanhoop dat totaal nieuw voor me is. Ik zat met mijn hoofd in mijn handen, krabde mezelf per ongeluk, en zag een druppel bloed van mijn hoofd op de grond vallen. Dit is het dieptepunt, dacht ik. Ik heb het nog anderhalf uur volgehouden, daarna zat ik in zak en as. Ik belde mijn regisseur en zei: ik weet niet wat we moeten doen, maar ik wil dit niet nog een keer meemaken.’

Wat ging er mis?

‘Ik rekende op welwillendheid, en die krijg je niet op afroep. Ik denk ook te veel vanuit vijandschap. Mensen komen niet alleen voor plezier, maar ook voor de nederlaag, denk ik altijd. Maar dat zegt misschien vooral iets over hoe ik zelf in elkaar zit. Het was kortom een louterende gebeurtenis, maar ook een eenzame.’

Waarom doe je die solovoorstelling eigenlijk?

‘Omdat ik vroeger, toen ik begon als freelancestukjesschrijver, hier totaal niet toe in staat was geweest. Ik was amper in staat om in het openbaar een stukje voor te lezen. Het zweet droop dan van mijn hoofd. Ook toen ik met schrijvers als Herman Koch, Anna Enquist en Henk Spaan voor Hard Gras langs de theaters ging, sloeg mijn hart in mijn keel als ik naar zo’n zaal keek. Ik zag het als een monster.

‘Toen ik voor het eerst op tv kwam en bij Voetbal International op zo’n barkruk zat om over Vitesse te praten, was ik ook zo zenuwachtig dat ik niet in staat was om lange antwoorden te geven. Ik gaf korte staccato antwoorden. Dat vonden mensen geweldig. Die zeiden: jezus, die gast is superdroog. Maar ik was gewoon doodzenuwachtig, dus er kwam niet meer uit. En nu dacht ik: ik wil dat wel kunnen. Ik wil mezelf overwinnen.’

Ben je stiekem verlegen?

‘Ik weet niet of het verlegenheid is, eerder faalangst. Ik kom uit een gezin waar het niet normaal was dat je in het openbaar sprak. Mijn vader was ambtenaar bij de provincie en toen hij afscheid nam, heeft hij de week voorafgaand aan zijn speech het meest geleden van alles in zijn leven. De hele week stond hij die toespraak in de badkamer te oefenen. We waren er met het hele gezin bij toen hij die uitsprak. Het was een dramatische speech, met vergelijkingen die – door zijn zenuwen – nergens op sloegen. ‘Als ik niet kaal zou zijn, zou ik een kam hebben om door mijn haar te halen’, zei hij. Dat moest dan symbool staan voor zijn carrière. Niemand die er iets van begreep.’

Eva zei over jou: ‘Hij moet hier heel hard voor werken, en dat is niet slecht, want genoegzaamheid ligt toch op de loer.’

‘Zei ze dat? Ja, dat is misschien wel waar. Die podcasts gaan me makkelijk af. Televisie vond ik in het begin vreselijk, maar ook dat leer je jezelf aan. Dit is het allermoeilijkste wat ik ooit gedaan heb, want je stelt jezelf tentoon. Als er straks op 9 april, tijdens de première in de Kleine Komedie, veel gelachen wordt, ben ik tevreden. Maar ik calculeer de nederlaag ook in. Dan is het in ieder geval weer een goed verhaal, dat ik bij een ander medium smaakvol kan vertellen.’

Dat is wel een goede remedie tegen je faalangst.

‘Ja, ik heb zo’n universum met uitingsmogelijkheden gecreëerd, dat het falen op de ene plek rendabel is op de andere plek.’

Ben je daardoor nooit meer bang om terug te vallen naar vroeger, toen je niet wist hoe rond te komen?

‘Dat ligt natuurlijk altijd op de loer. Al denk ik dat ik nu zo behendig ben dat het me niet meer overkomt. Althans, dat hoop ik. Diep in mij schuilt een marktkoopman die nooit ophoudt met het product Marcel van Roosmalen aan de man brengen. Ik vind de overkill die ik nu heb gecreëerd ook prima. Alles beter dan niets.

‘Ik kan ook slecht nee zeggen. Als ik rond verkiezingstijd filmpjes maak voor Pauw & De Wit, denk ik zelf ook wel: zit ik daar weer als clowntje. Dat ik tegen veel dingen ja zeg, komt omdat ik me vroeger blauw moest bellen voor werk. Dus alles wat op me afkomt overweeg ik serieus, uit een diepgewortelde angst dat ik straks niets meer heb.’

Wanneer kwam het kantelpunt?

‘Toen ik in 1998 stopte bij HP/De Tijd, ging ik als een gek freelancen. Op een zeker moment had ik door een wat wilde leefstijl een enorme schuld bij de bank. Ik ben toen zo veel reportages gaan maken dat ik er standaard twee achterliep. Door de paniek die ik ervoer, ging ik gebruikmaken van een ander observeringsvermogen, ik ging mezelf steeds vaker centraal stellen in de reportages. Daar baalde ik wel van. Ik dacht: als ik dit rustig zou aanpakken, ben ik de beste van allemaal, want dan neem ik de tijd om mooie zinnen te schrijven. Later ontdekte ik dat ik het helemaal niet in me heb om veel de tijd te nemen voor iets. Ik stel het toch altijd uit tot het laatste moment.’

Maar waar zat de draai van de downfall naar de weg naar boven?

‘Het liep helemaal uit de hand, en toen kreeg ik wat met Eva. We kregen kinderen en dat veranderde wat bij me. Sinds die tijd heb ik het gevoel dat ik het ergens voor doe. Voor de rest is het ook een beetje geluk, zoals de opkomst van de podcast. Je kunt zelf beginnen met zenden, dus je hebt het niet meer nodig om door iemand gezien te worden om gezien te worden.’

Eva opperde dat je carrière wellicht een zetje kreeg doordat jullie in Wormer gingen wonen, en jij je realiseerde dat je niet het saaie leven van je ouders wilde leiden.

‘Ja, wij hadden zo’n ontzettend saaie jeugd. We woonden in Velp tussen allerlei collega’s van mijn vader, die allemaal in dezelfde nieuwbouwbuurt een twee-onder-één-kapwoning kochten. Iedere week gingen ze de vorderingen van het nieuwbouwhuis fotograferen. Vanaf de eerste paal tot het vlaggetje op de schoorsteen hebben ze de hele bouw in plakboeken vastgelegd. Iedere week namen ze brood mee, en zaten op een bankje naar de bouwwerkzaamheden kijken. Met de kinderen. Met mij. Dat moet voor mij als peuter ontzettend saai zijn geweest.

‘Hun defecte familie uit Brabant, mijn vader kwam uit een gezin met veertien kinderen, mijn moeder uit een gezin met negen, kwam op verjaardagen nog net niet met een touringcar langs. Dat was een hoogtepunt in hun saaie bestaan, mijn ouders leefden dan op. Ruim van tevoren maakten ze al koude schotels. Ook die gingen ze fotograferen. Ik heb fotoboeken vol huzarensalades op pingpongtafels. En toen Eva en ik goed en wel in Wormer woonden, dacht ik ineens: ‘Ik ben mijn vader geworden! Nee, nee, nee!’

Zag je dat niet aankomen?

‘We hadden dat huis in Wormer gekocht omdat onze onderhuur in Betondorp telkens werd verhoogd en we het ene kind na het andere kregen. Lekker rustig, dacht ik. Maar we zaten er een week en ik werd al knettergek. Er gebeurde helemaal niks. Niemand liep er over straat. Wat ik altijd doe, is over mijn directe omgeving columns schrijven. Dat werkte daar averechts. Binnen drie weken was ik een paria. De helft van het dorp sprak niet tegen me, en ze zeiden toch al niet zoveel. O wat kut, dacht ik, we komen hier nooit meer weg, want de huizenprijzen gaan hier nooit stijgen. Toen ontstond er inderdaad een enorme werkdrang. En konden we weer naar Amsterdam. Ik weet niet wat ik meemaak. Op het schoolplein informeren ze vriendelijk hoe het gaat. In Wormer stond ik alleen aan het schoolplein, niemand wilde met die gek uit de media praten.

‘Het dieptepunt tijdens corona in Wormer was dat ze daar zo bang voor het virus waren, dat ze met een mondkapje op, in hun eentje door de polder fietsten. Ik ben dolblij dat we daar weg zijn. Maar ik sluit niet uit dat we ooit nog naar Arnhem gaan.’

Nee?

‘Ik vind het Arnhemse gevoel voor humor en de misnoegdheid leuk. En je moet altijd een oase houden om naartoe te kunnen.’

Hij pakt zijn telefoon erbij. ‘Laatst kreeg ik deze foto van mijn middelbare school opgestuurd. Ze zeiden: je bent opgenomen in de Wall of Fame. Nooit wilden ze iets met me te maken hebben. Mijn ouders hebben zitten huilen omdat ik eraf gestuurd werd, dat vonden ze het allerergste wat kon gebeuren. Ik heb op drie middelbare scholen in Arnhem gezeten.’

Waarom werd je telkens van school gestuurd?

‘In de brugklas werd ik gepest en toen ben ik dat gaan compenseren. Of gepest, ik hoorde er niet echt bij en dan gooi je humor als wapen in de strijd. Ik was continu verstorend aanwezig. Van die tweede school heb ik me gewoon af laten sturen, ik vond alle mensen daar stom. Die school is later ook afgebrand, en terecht. Daarna zei mijn vader: ‘Dan ga je maar in de fabriek werken, dat zal je louteren.’

‘Toen ben ik bij de Neproma terechtgekomen, een bedrijfswasserette waar ik de knoopjes op slagersoveralls moest dichtdrukken. Ze draaiden daar de hele dag keihard Arbeidsvitaminen, maar er was ook nog een gradatie daaronder, met muziek als: ‘Lieve schat ik wil je neuken, kan mij niet schelen waar, in de kamer of in de keuken, desnoods op het dressoir.’ Dat werd daar keihard meegezongen. Ik herinner me ook de pauzes nog waarbij één theezakje aan iedereen werd doorgegeven. Dat stukje opvoeding van mijn vader heeft wel gewerkt. Daarna dacht ik: ik moet mijn diploma halen. Vervolgens ben ik direct uit huis gegaan.’

Alles om maar niet te worden zoals je ouders.

‘Ja. Ik ging in Nijmegen de lerarenopleiding doen, geschiedenis en Nederlands. Ik weet niet waarom, want ik wilde helemaal geen leraar worden. Tijdens mijn eerste stage op de Molenhoek-mavo in Mook – ik had zwartgeverfd haar en lange oorbellen – werd ik zowel in de lerarenkamer als in de klas raar aankeken. Voor mijn eerste les had ik allemaal bloempotten meegenomen om te laten zien hoe de Grieken stemden, met scherven. Dus ik kwam die klas binnen en gooi die bloempotten stuk. Ik dacht: dan heb ik gelijk de aandacht.

Meteen greep de docent in. ‘Ho ho ho, we gaan hier niet met bloempotten gooien.’ ‘Maar het hoort erbij, laat me nou!’ Het tweede uur zaten ze te juichen toen ik de klas binnenkwam. Het had zich rond gesproken; er staat een gek voor de klas, er is een idioot op school. Toen ben ik daarmee gestopt.

‘Na nog wat omzwervingen deed ik vervangende dienstplicht. Ik woonde in een woongroep, er werden de hele tijd brieven bezorgd die ik nooit had gezien. Ineens werd ik opgehaald en heb ik een dag vastgezeten in Nieuwesluis. ‘Word ik dan nu sergeant?’, vroeg ik. ‘Nee’, zei men, ‘want je hebt bij je dienstkeuring aangegeven geen leidinggevende functie te willen.’ Dus ik heb geweigerd. En kwam terecht bij het Nederlands Bibliotheek en Lektuur Centrum, waar ik documentatiemappen maakte van populaire auteurs. Ik moest biografietjes schrijven en mensen moesten daar keihard om lachen. Toen ben ik in deeltijd journalistiek gaan studeren, en daarna kwam ik bij HP/De Tijd in dienst.’

‘Dat was de laatste keer dat ik in vaste dienst ben gegaan. Ik had de hoofdredacteur, Bert Vuijsje, gevraagd: ‘Verdien ik evenveel als de rest?’ ‘Ja’, zei hij. Toen hij vertrok werden de salarissen openbaar en verdiende ik het minst van iedereen. Ik dacht: dat overkomt me geen tweede keer.

‘Dat ging overigens zeer tegen mijn opvoeding in. Mijn vaders motto was: ‘Luister naar je baas, je baas is je beste vriend.’ Als je baas je mag, dan zit je goed, dan heb je een baan voor het leven.’

Was je moeder ook zo voorzichtig?

Mijn moeder komt uit een groot boerengezin. Haar moeder was ernstig ziek toen ze jong was en haar vader kon al die kinderen niet aan. Ze heeft in haar puberteit drie jaar in een internaat gezeten. Tegenover de boerderij waar haar familie woonde. Ze kon ze altijd zien, maar niet met ze praten. Eén week per jaar mocht ze naar huis. Ze mocht alleen voor de begrafenis van haar moeder naar huis, dat was die ene keer. Ze mocht geen afscheid nemen van haar moeder. Dat heeft haar wel getekend.’

Op wat voor manier?

‘Ze is er toch wel hard door geworden. Ze heeft op dat internaat geleerd om alles in haar eigen voordeel te draaien. Als mijn dochter er wat van zei als mijn moeder aan haar bolletje ijs likte, zei ze ijskoud: ‘Nie waar, ge moet nie jokken.’

‘Mijn moeder was ook heel dominant. En mijn vader zat op zijn werkkamer God weet wat te doen. Na zijn pensionering ging hij gewoon door met het schrijven van rapporten die door niemand werden gelezen. Mijn moeder was altijd druk met niets en met paniek. Altijd denken: straks gaat het niet meer goed, heb ik wel genoeg boodschappen in huis, kunnen we het nog betalen?

‘Mijn vader wilde niets liever dan op vakantie gaan, maar mijn moeder haatte dat, want dan moest ze het huis onbeheerd achterlaten. Dus ging ze die vakanties torpederen. Eerst gingen we ieder jaar naar Oirschot. Daar gingen we bij haar zus zitten, die een boerderij had en weduwe was. Voor mijn vader moet dat de hel zijn geweest. Bramen plukkend bracht hij hele zomers door, en daar gingen mijn moeder en Tante Ied dan jam van maken, wij sliepen in de stal.

‘Daarna hadden ze een huisje in Zwitserland, via een collega van mijn vader. We waren er nog niet of mijn moeder zat al van: nou heeft het lang genoeg geduurd. Ze nam veel te veel etenswaar mee, ik denk dat het door die afkomst komt. Zwitserland, je weet nooit hoe duur het daar is, dus de hele achterbak lag vol met conservenblikjes, aardappels. De eerste dag was ze bezig om alle spullen uit te pakken. De tweede dag begon ze al voorzichtig met inpakken.

‘Heb ik mijn theatervoorstelling trouwens wel goed genoeg gepromoot? Ik hoop dat ik het niet te veel naar beneden heb gehaald, want ik doe wel mijn best. Ik ben altijd bang dat ik het te negatief vertel.’

Qua doemdenken lijk je wel op je moeder.

‘Mijn persoonlijkheid is om het of te negatief of te positief in de markt te zetten. En van beide heb ik achteraf spijt, waarna ik vanzelf weer ga tegenkleuren, en dan vind ik ook weer dat ik dat overdrijf.

‘Maar mijn ouders waren echt heel lieve mensen hoor, geen kwaad woord. Ze hebben hun best gedaan, dat heb ik aan alles gevoeld.

‘Ze hebben weinig geluk gehad met hun kinderen. Twaalf jaar geleden belden hun buren op, mijn vader was net een jaar overleden. Ik had echt geen cent. Die buren die een twee-onder-één-kaphuis hadden met mijn ouders, zeiden: ‘Je moeder moet de kozijnen en de deur verven. Op deze manier wordt het huis steeds minder waard. Ze heeft het geld alleen niet, willen jullie daaraan bijdragen?’ ‘Nee’, zei ik, ‘ik heb het geld ook niet.’ Hetzelfde gold voor mijn zus en mijn broer. Toen hebben die buren dat schilderwerk betaald. Mijn moeder belde daarna op dat ik bij ze langs moest om ze te bedanken. Dat is het meest vernederende moment dat ik ooit heb meegemaakt. ‘Je schrijft in allerlei tijdschriften, hoe kan dit?’ Zat ik daar ineens verantwoording af te leggen bij de buren. ‘Mijn oudste zoon gaat nog wel wat worden, zei je vader altijd, maar dat zie ik helemaal niet’, zei de buurvrouw. ‘Ik zie iemand die de raamkozijnen voor zijn moeder niet kan betalen.’ Ik weet nog dat ik daar helemaal gedesillusioneerd door was. Ik dacht: wat had ik graag gewild dat mijn vader de weg naar boven nog had meegemaakt.

‘Mijn vader had niet geloofd dat ik in een schouwburg zou staan. Die had dat echt niet kunnen geloven. Ook niet dat ik op televisie was. Wat hij heeft meegemaakt was alleen maar de rampzalige tijd als journalist. Hij had een abonnement genomen op HP/De Tijd, en dan legde hij een blaadje over de namen van de auteurs van de artikelen. ‘Het is echt wonderlijk’, zei hij, ‘altijd het artikel met de meeste onzin is door jou geschreven.’ Hij is gestorven met het idee: nou, dat is ook niks geworden. Dat vind ik heel jammer.’

Hoe beleefde je moeder je succes?

‘In het begin vond ze het schandalig wat ik schreef, dat ging dan over dingen als dat haar mixer stuk was. Daar kon ze wakker van liggen. Maar op het moment dat ik wat bekender werd, vond ze het in één keer leuk, en stond ze in de boekhandel te glimmen. Ze kon mijn persiflages van Jan Terlouw denk ik ook wel waarderen. Die werd op een zeker moment de baas bij de provincie Gelderland en mijn vader had echt een hekel aan hem. Mijn moeder maakte daar in haar dementie van: ‘Jan Terlouw heeft papa vermoord.’ Maar vroeger zei ze altijd al: ‘Jan Terlouw was iets verschrikkelijks voor je vader, in één keer moest hij heel hard werken.’ Het enige recalcitrante van mijn vader was dat hij een hekel had aan Terlouw, iemand waar iedereen van hield.’

Eva vertelde dat jij al recalcitrant wordt als jullie op Schiphol zo’n parcourtje moeten lopen naar de controle terwijl er helemaal geen rij staat.

‘Ja, dat is een reactie op mijn ouders die op vele fronten zo’n vast parcours hadden. Mijn vader kon er al van wakker liggen als hij verkeerd had ingecheckt bij de trein. Mijn moeder kon daar ook úren over praten. ‘Ja, je vader is naar het station geweest, en nu heeft-ie opnieuw ingecheckt.’ ‘Maak je nou eens druk om iets anders’, riep ik dan.

‘Maar ik kon ook wel lachen met mijn vader. Dat is denk ik waarom Vitesse zo heilig voor mij is geworden. In het stadion stonden we samen tussen alle rangen en standen. Om al het ongelooflijke gelul om ons heen, en de asocialiteit, moesten wij keihard lachen. Dat is mijn dierbaarste jeugdherinnering. Mensen zeggen vaak tegen mij: vind je het dan echt erg als Vitesse verliest? Nee, het is gewoon een jeugdherinnering aan dat ik daar zo ongelooflijk hard gelachen heb. Want mijn ouders waren misschien wel kleinburgerlijk en karig in alles, mijn vader had wel een goed gevoel voor humor. Hij verstond de kunst van het keihard lachen. Dat is ook wel iets wat ik af en toe van hem mis.’

Heb je dat recalcitrant zijn nooit spannend gevonden? Vind je het niet minder eng om mensen te pleasen?

‘Nee, dat is puur hoe ik in elkaar zit. Ik ben niet de hele dag chagrijnig, maar ik heb gewoon vaak een paniekreactie. Dan denk ik: jezus, nu loopt alles in de soep. Ik kon ook oprecht boos worden als iemand me in de weg zat tijdens het maken van een reportage.’

Je kan ook uit je slof schieten als je door een agent te paard wordt achternagezeten omdat je door een straat fietst waar dat verboden is, begreep ik van Eva.

‘Nee, dat ging anders. Ik had toen net wat met Eva, ik was euforisch, en we gingen wat drinken in de buurt van het Rembrandtplein. Toen passeerde een politiepaard en ik klopte dat paard vrolijk op de neus, en zei: ‘Dag paard.’ ‘Wat zei jij?!’, reageerde de agente op dat paard. ‘Dit pik ik niet!’ Toen ben ik meegenomen naar het bureau. Maar goed, het klopt, ik kan slecht tegen regels, heb moeite met mensen die het absolute gelijk in zich hebben, en die zichzelf heel serieus nemen.’

Eva zei: dat is wel het voordeel van zijn roem, dat hij nu niet meer zo makkelijk uit zijn dak gaat over wat hij belachelijke regels vindt.

‘Ja, je wordt heel inschikkelijk van roem. Behandel mij maar onrechtvaardig, ik zeg niks meer.’

Voel je je thuis in de tv-wereld?

‘Nou, nee. Ik vind het gezellig om met Gijs Groenteman dat programma te maken en voor de rest vind ik het een aparte wereld. Het niksen staat daar wel erg centraal. Dingen worden erg belangrijk gemaakt, er heerst een zekere opgekloptheid. Op een zeker moment deed ik mee aan een tv-programma, maar ik heb een allergie voor stof. Ik was dozen aan het inpakken thuis, en mijn ogen waren helemaal opgezwollen en met rimpels. Ik wilde me afmelden. Dat kan absoluut niet, zeiden ze. Vervolgens gingen die schminksters achter me staan roepen: ‘Wat zie je er goed uit!’ Andere mensen zeiden het ook: wat zie je er goed uit.

‘Het knuffelen ook. Het meeleven met een ontstoken kies. En als je onzeker bent, de hele tijd vragen: hoe deed ik het? Ik deed het toch wel goed, dat item? Was je tevreden? Als je te veel met die tv bezig bent, word je zo iemand.’

Toen bekend werd dat Van Roosmalen & Groenteman wegbezuinigd ging worden, nam je jezelf ineens behoorlijk serieus, viel me op. Je vond je eigen talkshow ‘te groot en te mooi om zomaar te laten verdwijnen’.

‘Ik vond het gewoon jammer dat het stopte. Ik hoopte dat ik het nog kon veiligstellen. Ik had zelf andere prioriteiten gesteld, maar ik snap ook dat mijn gevoel voor humor niet altijd parallel loopt aan die van de mensen die erover gaan. Ik ben er niet verbitterd over, maar wel strijdbaar. Ik kan niet zomaar het bijltje erbij neergooien. Nu heb ik er eindelijk lol in, dan moet het ook blijven bestaan!’

Is de ironie die je in je werk tentoonspreidt ook een beetje als een baard, iets om jezelf mee te verbergen?

‘Ik denk het wel. Ja. Maar ik kan ook niet anders, ik zie mezelf altijd in perspectief. En dan denk ik: Jezus, zit-ie daar. Dat heb ik ook bij die theatershow: staat-ie daar.’

Altijd een derde oog.

‘Precies, daar probeer ik nu wel overheen te stappen, maar het blijft lastig. Ik probeer om het leven te lachen, met een zekere ironie en gelatenheid. Ik zie het leven als een langgerekte reportage waarin ik het hoofdpersonage ben. Daardoor valt er veel te lachen, en zijn de saaiste gebeurtenissen grappig. Als ik stilzwijgend vieze nasi zit te eten met een technicus die de hele autorit niks tegen me heeft gezegd, heb ik toch het gevoel dat ik veel meemaak. Maar daardoor heb je wel altijd dat derde oog.’

Waaraan ligt het dat je zo’n goed ontwikkeld derde oog hebt?

‘Het is denk ik een vorm van onzekerheid, dat je jezelf in perspectief ziet. Het zit gewoon diepgeworteld in mijn opvoeding en in wie ik ben dat ik mezelf zie zitten, en daar kijk ik hoofdschuddend naar. Het is alsof ik een excuus nodig heb om daar te mogen zitten. Ik zit hier, en daar heb ik schijnbaar zelf voor gekozen, maar ik zie heus wel wat het is. Ik ga wel in het theater op een podium zitten, maar je hoeft niet te kijken als je het niet wil, ik zie mezelf ook zitten. Ja, het is gek. Ik ben slecht in mezelf psychologiseren, maar het is alsof ik het daarmee rechtvaardig. Alsof ik het daarmee onschadelijk maak.’

En die onzekerheid, wat is dat dan?

‘Gewoon faalangst. Ik weet dat ik iets kan, maar tegelijkertijd twijfel ik er ook aan. Schijnbaar is de behoefte om het te laten zien dat ik iets kan, groter dan de twijfel erover. Maar op het moment dat ik het dan doe, laat ik de buitenwereld toch graag weten dat ik er heus zelf ook wel over twijfel, om eventuele kritiek bij voorbaat al te pareren. Ik denk dat dat het is. Gijs en ik zeiden iedere dag in onze podcast dat we er niks van konden. Dat is natuurlijk een soort wapen. Ik ga gebukt onder het kruis dat ik moet dragen, maar ik heb dat kruis wel zelf getimmerd.’

10 februari 1968 geboren in Arnhem.
Lerarenopleiding, afgebroken studies Nederlands, geschiedenis, educatie & cultuur, School voor Journalistiek.
1998 Journalist HP/De Tijd.
2002 Bundeling HP/De Tijd-reportages Op pad met Pim.
2003 Bundeling reportages De Pimmels: de apostelen van Pim Fortuyn.
2003 Freelancejournalist voor onder meer Hard Gras en de VARAgids.
2004 Op campagne met Oranje, bundeling reportages over werkbezoeken van koningin Beatrix.
2006 Roman Wij weten heus wel hoe laat het is.
2006 Wint met eerste boek in trilogie over voetbalclub Vitesse (Je hebt het niet van mij) de Nico Scheepmakerbeker voor beste sportboek van het jaar.
2011 Verzamelbundel Het is nooit leuk als je tegen een boom rijdt.
sinds 2011 Drie keer per week columnist nrc.next (later NRC Handelsblad).
2012 Verzamelbundel Gras groeit niet sneller door aan de sprietjes te trekken.
2013 Het is zoals het is, biografie over Theo Bos.
2014 Bundel Ik ben (s)normaal.
2015 Boek Schijt, het laatste seizoen van Theo Janssen (en Ester Bal).
2015 Bundel Geen brug te ver, het Arnhem van Marcel van Roosmalen.
2016 De pootjes zitten er nog aan en andere Arnhemse verhalen.
2018 Als het maar niet op ons lijkt, geschreven met Eva Hoeke,
2018 Verzamelbundel Je moet opschrijven dat hier niets gebeurt.
2021 Tv-programma Media Inside (met Gijs Groenteman, NPO 3).
2022 reportagebundel Totaal, theatertour De Pannekoekencaravan (met Gijs Groenteman).
2022 Podcast Weer een dag (met Gijs Groenteman).
2022 Podcast Radio Romano.
2023 Talkshow Van Roosmalen & Groenteman op NPO 3.
2024 Totaal 3.
2024 Theatervoorstelling Zandweg 17 Wormer (met Eva Hoeke).
2024 Podcast Daar gaan we weer.
2026 Solotheatervoorstelling Ik mag niet klagen, première 9 april in de Kleine Komedie, Amsterdam.

Styling: Analik Brouwer, visagie: Patricia van Heumen, postproductie: Jan Hibma, fotografie-assistent: Pascal de Groot. Met dank aan Jan Huisman Makelaardij te Leusden en Judith Klarenbeek voor de locatie.

Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next