Home

Als u opnieuw een vogel opsluit, kom ik terug in de nacht

Natuur Mohammed Benzakour koopt in Indonesië vogeltjes vrij uit hun miezerige kooitjes – of hij steelt ze en laat ze vrij. „We denken de natuur naar ons toe te halen, naar onze huiskamers, tuinen en schuren, maar we snijden onszelf juist van die wereld af.”  

Het uur van de wolf. Hier en daar blafte een hond en aan de hemel fonkelde een uitzonderlijk heldere ster, dat moest Sirius zijn. Die was zo vriendelijk mij bij te schijnen, net als de maan. Ik parkeerde de scooter recht onder de kooi en ging op het zadel staan. De tang hoefde niet, de kooi bleek niet op slot. Hier werden de mensen nog vertrouwd. Balancerend op het zadel kon ik de kooi net van de haak tillen. De jalak putih, een magnifieke geelwitte spreeuw, kraste en klapperde driftig met zijn vleugels.

„Rustig maar.”

Snel zette ik de kooi neer op de treeplank van de scooter en prikte de envelop met daarin een brief en bankbiljetten aan de spijker vast. Alles ging gesmeerd. In de brief stond, in het Indonesisch:

Beste meneer,Ik heb mijn best gedaan uw putih vrij te kopen, maar u bleef koppig weigeren. Dan maar zo, vergeef mij. De putih ga ik niet voor mezelf houden. Deze vogel hoort thuis in de bergen en onder de hemel. Niet onder uw luifel. Ik zal hem teruggeven aan de rechtmatige eigenaar, het bos. Zonder de boom sterft de vogel, zonder vogel sterft de boom.

Ik weet dat u lief bent voor de putih, maar de ziel van een vogel bewoont een ander lichaam dan de onze. De putih moet zijn vleugels uitslaan anders sterft hij inwendig. Dat vindt Boeddha ook. Koopt u met dit geld alstublieft geen nieuwe vogel, maar geef uw vrouw een cadeau, een mooie ketting, een glitterjurk.

Als u opnieuw een vogel opsluit, kom ik terug in de nacht. Ik kan als een kat over muren en daken klimmen. Ik vraag u nogmaals om vergeving.

De brief sloot ik af met een oud-Indonesisch spreekwoord:‘Een lotusbloem is het sieraad van het water; gloed het sieraad van de zon; een wonde het sieraad van de held; een vogel het sieraad van het luchtruim.‘

Ik reed weg tot aan de rand van het bos, waar ik het deurtje opengooide. Langs zijn verenkleed floot een bries en de putih loste op in de duisternis.

Winterkoninkje

Toen ik weer in bed lag, was ik verbaasd over mijn brutaliteit. Een onbedwingbare hartstocht had me tot deze schending gebracht. Velen zullen dit een schooierstreek vinden, inbreken bij iemand die dol is op zijn vogel. Maar wie is nu de schurk, hij of ik? Een volstrekt onschuldig wezen kreeg levenslange celstraf. Weggestopt in een grafkelder, zonder proces of advocaat. Veroordeeld louter om wat hij zei en hoe hij zich kleedde: zijn zang en een witgeel pakje. Die nacht bevrijdde ik een politiek gevangene. Ik corrigeerde iets wat krom was. En het enige dat aan me knaagde was dat ik was vergeten de vogel een kus op de kop te drukken voor hij wegvloog.  

Hoe dit allemaal begon? Waarom ik naar Indonesië afreisde om vogels te bevrijden?

Boek

Mohammed Benzakour: Het lied van Agilouz. Hoe ik vogels bevrijdde in Indonesië. Cossee, 240 blz. €23,99.

Het zaadje werd geplant op een grijze februari-ochtend in 2011. Toen gebeurde iets magisch. Moeder lag na een zwaar herseninfarct verlamd en sprakeloos in een Rotterdams revalidatiecentrum. Ik was nog vol vertrouwen dat de fysio en logopedie beterschap zouden brengen. Dat ze op een dag weer zou babbelen en lopen en terug naar huis kon. Dat bleek ijdele hoop want op die ochtend werd mij meegedeeld dat moeder ‘volledig gehospitaliseerd’ was, nooit meer de oude zou worden, afatisch en aan een rolstoel gekluisterd tot aan haar dood. In nog geen vijf minuten werd mijn laatste sprankje houvast de grond in geboord. Diep aangeslagen kuierde ik door het koude, natte park achter het tehuis. Onder een grote, overhangende struik plofte ik neer op een bankje en verborg mijn gezicht in mijn handen. En precies op dat moment klonk boven mij ineens een lied. Een geweldig jubellied vol trillers en rollers. Rrrtprietjiet! Waliedgrietgriet! Prieghnhietwhofolifiet! Vanuit een boomtop kwinkeleerde uit volle borst een vogeltje. Zo zorgeloos, zo onbevangen, zo mooi. Klanken die rechtstreeks uit de hemel leken gezonden. Een straal zonlicht doorboorde het grijze wolkendek en ik voelde mij kalm, blij, gelukkig zelfs.

Dit vogeltje, een winterkoninkje, noemde ik ‘Agilouz’. Elke dag zocht ik haar op, ze belichaamde alles wat moeder was kwijtgeraakt: zingen en dartelen. Dansen en parlevinken. Waar moeder mij de adem benam, gaf het vogeltje mij zuurstof. We werden vrienden.

Het was dit winterkoninkje dat mij infecteerde met het vogelvirus. Door de lenzen van mijn nieuwe geavanceerde verrekijker openbaarde zich een duizelingwekkende wereld van kleuren en geometrieën. Vele parels vielen in mijn schoot. De koekoek, de groenling, vinkjes, puttertjes, barmsijsjes. Ik gluurde, peinsde, fantaseerde. Telkens raakte ik weer verliefd en telkens ontdekte ik malle menselijke trekken. Vinken en kraaiachtigen die kunnen liegen en bedriegen. Vlaamse gaaien die veinzen dat ze noten in de grond verstoppen om spiedende soortgenoten te misleiden. Dat kolibries en spreeuwen beter borduren dan Turkse kleermakers. Eksters onderhouden vriendschappen, mussen troosten elkaar, gieren rouwen, en lijsters vreten als ware Bourgondiërs net zo lang gegiste bessen tot ze toeterzat van de tak af kukelen.

Lange traditie

Ik ging de deur niet meer uit zonder dat ding om m’n nek en uit de Biesbosch, praktisch mijn achtertuin, was ik niet weg te slaan. Alle seizoenen struinde ik door een fabelachtige baaierd van kreken, eilandjes, moerassen en rietvelden. Zo kwam ik in aanraking met legio collega-spotters, waaronder een bijzondere ondersoort: de vogelhouder. Hij die zich tooit met de lijfspreuk ‘de mooiste vogel is de gekooide vogel’. Ik ontdekte dat bijna elk gehuchtje een vogelvereniging kent met leden die ijverig vogelbeurzen afstruinen en op de zaterdagochtend in het clubhuis hun prachtvinken, Mozambiquesijsjes, Japanse nachtegalen, gele kanaries, rode ara’s, Chinese dwergkwartels, en wat niet al, apetrots etaleren. Ze schenken koffie, happen een tosti en praten honderduit over het fantastische leven dat het fokken, kweken en ringen met zich meebrengt.

Zo ontmoette ik een kerel met een driekleurige glansspreeuw, een flamboyante vogel die in het normale leven over de weldadige savannes van Tanzania en Oeganda scheert, maar nu opgesloten zat in een roestig kot in een rijtjeshuistuin te Middelharnis. Af en toe ontsnapte een piep uit zijn snavel. Een ander toonde mij trots zijn gouldamadines: siervuurwerk uit de ruige bergen van Australië, dat nu mocht hupsen tussen twee stokken in een schuurhokje in het Friese Berlikum. „Is het geen prachtig verenkleed”, zei z’n baasje. Hij had de vleugels gekortwiekt om hem tam te krijgen.

De Nederlander kent een lange traditie van kooivogeltjes. Al in de zeventiende eeuw was het goed gebruik om tortelduifjes boven de voordeur of aan het plafond in de huiskamer te hangen. Het duifje mocht waken, en spelen voor weerman (als het koerde kwam er regen, als het zweeg kreeg je onweer) en rookmelder: al bij een snufje koolmonoxide legt het diertje het loodje. Niet alleen duifjes, ook fraaie zangvogels sierden de huiskamer. In het iconische schilderij van Fabritius (1654) zien we een prachtig puttertje. Maar kijk eens goed, het pootje is geketend aan een dunne ketting.

Importverbod

En tegenwoordig? Onderzoeksbureau Ipsos I&O schatte dat in 2025 circa anderhalf miljoen sier- en zangvogels in Nederlandse kooien verblijven. In de Europese Unie zijn het er bijna vijftig miljoen, waarvan de meeste in gevangenschap worden gefokt.

Vroeger lag dat anders. Tot de jaren negentig was Nederland een van de grootste importeurs van exotische vogels uit Afrika, Azië en Latijns-Amerika. Sinds de EU in 2005 alle import van in het wild gevangen dieren verbood (in verband met vogelgriep) steeg de vraag naar exotische vogels op de zwarte markt tot astronomische hoogten. Interpol rekende uit dat er jaarlijks tussen de 7 en 23 miljard dollar wordt omgezet in de illegale handel in dier- en plantensoorten.

Al eeuwenlang handelt Nederland op grote schaal in exotische vogels. In de zeventiende eeuw kwamen ze per schip uit de voormalige koloniën Suriname en Indonesië, en nu gaat dat via Schiphol. Na drugs en wapens schijnt de illegale dierenhandel de lucratiefste te zijn. Papegaaien spannen de kroon, haast even profijtelijk als cocaïnehandel, maar met veel lagere pakkans omdat handhaving praktisch ontbreekt. Een industrie bovendien die flink groeide met de opkomst van sociale media, waar een filmpje van een agapornis koddig dansend op de ‘Turkse Mars’ onmiddellijk viraal gaat.

In Rotterdam kwam ik op het spoor van de Surinaamse Zangvogelvereniging Euromast, die jaarlijks zangcompetities houdt op een voetbalveldje. Twee sympathieke leden nodigde ik uit in mijn radioprogramma Bonjour met Benzakour. Een reuzegezellige uitzending over twatwa’s en picolets, maar toen ik aan het eind de vraag opwierp of iemand die vogels opsluit zichzelf wel een ‘vogelvriend’ mag noemen, kreeg ik een memorabel antwoord: „Natuurlijk! Ik neem mijn vogeltje óveral mee hoor, naar mijn werk, de supermarkt. We maken samen autoritjes.”  

„Maar wel in de kooi?”

„Ja hèhè, anders ben ik hem kwijt.”  

Volgepropte kooien

Intussen is in een paar decennia volgens de Vogelbescherming de diversiteit aan vogels drastisch afgenomen. Wereldwijd leggen jaarlijks twintig miljoen zangvogels (mezen, vinken, spreeuwen) het loodje, plus nog een paar miljoen duiven, roof- en watervogels. Waarom? Omdat we het leuk vinden om ze te bejagen, te laten zingen, op te eten, én achter tralies te slingeren. Wat direct zijn weerslag heeft op het wezen van bossen. Een bos met honderd vogelsoorten ademt een andere geest en karakter dan een bos met vijf soorten. Een stil bos is een dood bos. Een dood bos is dode aarde en dode aarde leidt tot de dood van de mens. Dit is geen raketwetenschap.

Zo mijmerend belandde ik op een avond scrollend op Borneo en de Banda-eilanden: hét vogelparadijs op aarde. Althans, ooit. De confrontatie met beelden van ’s werelds grootste vogelmarkt, de Pasar Burung Pramuka in Jakarta, viel me zwaar. Een afgrijselijke kakofonie van onbeschrijflijk mooie diamantjes. Duizenden volgepropte kooien en kratten vol razende en depressief ogende paradijsvogels, geelkuifkaketoes, edelpapegaaien, kortstaartkitta’s, molukkenlori’s. Van deze diamantjes was 95 procent ‘vers’ gevangen uit het wild. Een marktkoopman legde uit dat Javanen dol zijn op vogels omdat vogels ‘geluk en harmonie’ brengen in huis, met als gevolg dat een derde van de huishoudens inmiddels trotse vogeleigenaar is. Diertjes die bovendien massaal (schattingen lopen uiteen van 66 tot 88 miljoen) worden ingezet voor zangprijzen. Ook oud-president Joko Widodo doet enthousiast mee. Volgens natuurwebsite Mongabay bood hij voor een prijswinnend vogeltje omgerekend meer dan 100.000 euro.

In bibliotheken doorspitte ik stapels documenten over tropische vogelhandel. De kaalslag, als gevolg van stroperij en houtkap voor palmolie en rubberplantages, van biotopen die ooit golden als paradijzen op aarde dendert in een weergaloos tempo door. Op zeker moment stuitte ik in een rapport van vogelbeschermingsorganisatie Birdlife  op een zinnetje dat van beslissende invloed bleek: op Java was het punt bereikt dat „meer vogeltjes in kooitjes verblijven dan rondvliegen in het wild”. Deze woorden las ik een paar keer opnieuw en wreef m’n ogen uit. Het stond er echt. Het begon te kolken in mijn hoofd, en langzaamaan merkte ik dat iedere aanblik van een kooivogeltje mij niet alleen met afschuw vervulde maar ook terstond herinnerde aan moeders gevangenschap. Zag ik een kooivogeltje, zag ik moeder, en ik voelde letterlijk hoe een koude hand naar mijn keel greep, keer op keer, tot op zeker moment iets in mij knapte. Toen besloot ik: ik ga vogels bevrijden in Indonesië.

Boosaardig

Van dit idee werd ik zo blij en opgewonden en enkele vrienden zeiden meteen: „Geweldig, doen!” Maar dat gold helaas niet voor iedereen. De meesten schudden meewarig het hoofd. Ik deed er de vogel geen plezier mee, want „die overleeft het niet”, of de vogel zou doodleuk terugkeren naar zijn „oude, veilige plekje”. Weer een ander wist zeker dat als ik een vogelwinkel zou plunderen (een van mijn plannen) ikzélf in een kooi (lees: bajes) zou eindigen. En mijn altijd nuchtere buurman snoefde: „Leuk Mo, maar dacht je met die paar geredde vogeltjes het probleem op te lossen?”

Nee, natuurlijk niet. En ja, veel vogels zullen het niet redden in het wild, weet ik ook, ik ken alle praktische bezwaren, maar het gaat mij om het statement, het gebaar. Het ter discussie stellen van de ingeburgerde waanzin dat vogels achter tralies mogen. Want hoe kan het dat we vogels (dieren met vleugels) verhinderen om te vliegen terwijl wij mensen (dieren zonder vleugels) kriskras over de aardbol suizen? Is het opsluiten van een dier bij wie anatomisch álles (botten, spieren, vacht, ademhalingssysteem) gericht is op vliegen, niet een regelrechte misdaad?

In mijn hoofd stond het gebeiteld: wie kooit, is een kolonist en wie koloniseert, die kooit. Want als we beseffen dat de mens net als alle andere dieren door toeval (of God) op deze aardkloot is neergezet, dat hij geboren wordt, zich voortplant, de ouderdom bereikt en uiteindelijk in het niets (of hiernamaals) verdwijnt – is dan het opsluiten van een vogel (of welk ander dier) niet even boosaardig als het gevangenhouden van een onschuldig mens? En kan het verschil hiertussen niet simpelweg verklaard worden door hoogmoed, eigenwaan, hebzucht en domheid?

In wezen doen we met dit opsluiten niet alleen het dier geweld aan, we beschadigen ook ónszelf. De levende natuur, waarvan vogels een wezenlijk onderdeel uitmaken, is een gevolg van miljoenen jaren evolutie. In dat organische planetaire proces is alles, elk vezeltje en veertje, bezield en geraffineerd verweven. Het vormt de kern van alles wat het bestaan op aarde mooi en waardevol maakt.

Als wij vogels in vierkante kerkers wegstoppen, bevriezen we de natuur, en daarmee onszelf. Als wij vogels met ijzer en steen ommuren, dempen we hun taal, en daarmee onze taal. We denken de omringende natuur naar ons toe te halen, naar onze huiskamers, tuinen en schuren, maar we snijden onszelf juist af van die wereld. We verkrachten de betovering en maken van onze ziel een eenzame plek. Het lijstertje met bonzend hart drukken we plat tegen onze borst – niet wetende dat we daarmee onszelf verstikken.

Onderhandelen

Maar hoe vaak niet hoor je zeggen, vooral door diergaardeliefhebbers en -directeuren, dat een vogel (of ander dier) in een kooi toch maar mooi „langer leeft dan in het wild”. Klinkt als een plezierige waarheid, maar deze waarheid loopt op kapotte schoenen. De juiste vraag is: vindt het dier het langere leven ook prettiger? Als wij mensen mochten kiezen tussen tachtig jaar bajes of vijftig jaar vrijheid, hoefden we niet lang na te denken.

Ik pakte mijn koffer en vloog naar dat duizelingwekkende archipel in de Indische Oceaan. Maandenlang dwaalde ik door kampongs en sawa’s, spiedend in tuinen en veranda’s, en als ik een kooitje zag hangen klopte ik op de deur en begon ik met de heer of vrouw des huizes te onderhandelen over de uitkoop. Soms ging het soepel en kreeg ik het vogeltje mee in een papieren zak met gaatjes (geprikt met brandende wierookstokjes), maar soms was de eigenaar te verknocht aan het beestje en kon ik met m’n portemonnee zwaaien wat ik wilde, het vogeltje kreeg ik niet mee. Tja, dan kwam ik terug in de nacht.

En zo slaagde ik erin tal van wenkbrauwbuulbuuls, dayallijsters, brilvogeltjes, koningsspreeuwen, bruinkopbijeneters te bevrijden. Soms gaf dat ruzie en stennis, werd ik woest achternagezeten en moest ik rennen voor m’n leven, maar dat nam ik voor lief. En hoewel mijn bankrekening steeds leger raakte, werd mijn hart steeds rijker. Telkens als ik zo’n vogeltje losliet aan de rand van een bos, en het diertje licht verward naar de dichtstbijzijnde tak fladderde, zich omdraaide… die blik vergeet ik nooit. Uit het tere hartenklopje voelde ik een zuivere dankbaarheid resoneren. Daarna verdween het vogeltje tussen de reusachtige bamboepalmen.

En nu? Geloof het of niet, nu heb ik zelf thuis twee prachtige, jonge forpusjes, Ajoer & Izri, in een huiskamervolière. Maar: een ópen volière. Vrijgekocht uit een piepkooitje en nu vrolijk fladderend door mijn hele huis. Vele uren zaten ze kwetterend op mijn hoofd toen ik het boek en dit verhaal uittikte. Maar op een dag, als ze groot en sterk zijn, breng ik ze terug naar hun thuisland, het wijde, ruige Andesgebergte van Ecuador. En als ze het daar niet redden, soit, ze stierven in soevereine vrijheid.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next