Home

Brengt de Iran-oorlog na drie opeenvolgende crises nu de genadeklap toe aan de wereldeconomie?

Energiecrisis Aandelenbeurzen beleefden een herstelweek na weken van rode cijfers. Dat optimisme sluit niet aan bij de realiteit van de obligatiemarktcijfers, die een ander verhaal vertellen over de gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten. Hoeveel veerkracht heeft de economie nog na drie recente crises?

Een handelaar op Wall Street in New York. Waar de omvang van de 'Iran-crisis' nog niet doorgedrongen lijkt tot de aandelenmarkten, vertellen de obligatiemarkten een ander verhaal.

Het heeft iets onwerkelijks. Deze zaterdagochtend meert de (voorlopig) laatste tanker met kerosine uit de Straat van Hormuz aan in de Rotterdamse haven. Deze week waarschuwt verantwoordelijk Eurocommissaris Dan Jørgensen dat de energiecrisis langer zal gaan duren en dat hij zware maatregelen voorbereidt om de energieconsumptie te drukken. En daarbovenop sturen de VS duizenden troepen naar de Golfregio en weet Iran nog elke dag olie- en gasfaciliteiten in buurlanden te raken. En te midden van dat alles beleefden de aandelenbeurzen wereldwijd een soort ‘herstelweek’. 

Sinds het begin van de Amerikaans-Israëlische oorlog tegen Iran, op 28 februari, waren veel westerse aandelenindices aarzelend omlaaggegleden tot in het ‘correctieterritorium’ (bij een min van 10 procent ten opzichte van de hoogste koers spreken beursanalisten van een correctie). Maar op de golven van president Donald Trumps wederom ongefundeerde claims afgelopen donderdag dat de oorlog snel voorbij zou zijn, hervonden beleggers hun optimisme. Vrijdag openden de beurzen in Azië fors in de plus, in Europa en de VS werd op Goede Vrijdag niet gehandeld. 

De markt heeft altijd gelijk, zo wil een beurswijsheid. De vraag is hier vooral: welke markt? Aandelenbeleggers hebben de afgelopen weken bovenmatig scherp gereageerd op nieuws uit de Golfregio. Iedere aangekondigde verslechtering van de situatie leidde tot scherpe dalingen van de koersen, terwijl optimistische berichten op sociale media en in interviews van Trump de koersen in luttele uren weer met procenten de lucht in konden duwen. Datzelfde gold voor de olieprijs, die in enkele uren tijd met vele dollars tegelijk kon stijgen of dalen, afhankelijk van wat voor nieuws er uit het Witte Huis kwam.

Struisvogels en hysterie

Aandelenbeurzen zijn al geruime tijd geen betrouwbare indicator meer van de onderliggende economische realiteit. Analisten maken de vergelijking met het begin van de coronapandemie, waar beleggers ook lange tijd doof leken voor de grote economische gevolgen van het virus. Pas toen de impact niet meer te ontkennen was, stortten de koersen in. Ook nu lijkt een combinatie van struisvogelpolitiek en hysterie een grotere rol te spelen dan zorgvuldige economische analyse van de penibele situatie waarin de wereld zich bevindt. 

Die situatie werd deze week goed zichtbaar in de inflatiecijfers over de maand maart. Europees statistiekbureau Eurostat rapporteerde een inflatie van 2,5 procent op jaarbasis voor de eurozone, een stijging van 0,6 procentpunt ten opzichte van februari. Zorgelijk was vooral de stijging van de energie-inflatie: die ging van min 3,1 naar plus 4,9 procent. Dat is normaal gesproken een voorbode voor zogenoemde tweede-orde-effecten: aangezien alles en iedereen energie nodig heeft om de economie te laten draaien (transport, verwarming, licht, machines), is het een kwestie van tijd tot die hoge energieprijzen zich verankeren in de rest van de productieketens en in de lonen. 

De scherp oplopende inflatie (ook in Azië en de VS) zet centrale banken onder druk. Die hebben als taak de geldontwaarding een halt toe te roepen door de rente te verhogen. Analisten houden er inmiddels rekening mee dat de Europese Centrale Bank (ECB) dit jaar de rente drie keer een kwart procentpunt zal gaan verhogen in antwoord op de gevolgen van de energiecrisis. Dat is nodig om de inflatie te beteugelen, maar pijnlijk voor de toch al haperende economische groei: hogere rentes zetten een rem op investeringen en dus op groei. Een periode van stagflatie (stagnerende groei in combinatie met hoge inflatie) dreigt. 

Dat scenario van hogere rentes en tragere groei mag aan de aandelenbeurzen voorbijgaan, op andere markten is de malaise al duidelijk zichtbaar en voelbaar: de marktrentes van zowel bedrijfs- als staatsobligaties zijn sinds het begin van de oorlog fors gestegen. Zo bedroeg de rente op een kortlopende, tweejaars Amerikaanse staatsobligatie een maand geleden nog 3,37 procent, begin deze week piekte die op 3,98 procent. De tienjaars staatsobligatie ging van 3,9 naar ruim 4,4 procent in een paar weken tijd. Op de in Europa toonaangevende Duitse staatsobligatie met een looptijd van tien jaar is de rente inmiddels boven de 3 procent gekomen (was 2,4). In navolging van de oplopende rentes op staatsschulden kruipt ook de hypotheekrente alweer omhoog: op een Nederlandse hypotheek met een looptijd van tien jaar is de rente inmiddels 4 procent, voor de oorlog was dat 3,7 procent. 

En staatsobligaties zijn dan nog relatief in trek omdat bedrijfsobligaties te risicovol aan het worden zijn. Dat betekent dat ook op die bedrijfsleningen de rentes oplopen, waardoor lenen voor bedrijven fors duurder wordt. Ook op de markt van private kredieten is het onheil al voelbaar. Als de groei afremt, verdampen de groeiscenario’s van bedrijven. Het risico van investeringen neemt daardoor toe, en veel investeerders trekken hun geld nu al terug uit private kredietverschaffers en bedrijfsobligaties met hoog risico.

Privatecreditverschaffer Blue Owl, dat rechtstreeks leningen verstrekt aan techbedrijven en private-equityfirma’s zonder tussenkomst van een bank en inmiddels 300 miljard dollar beheert, moest deze week melden dat er voor 5,4 miljard dollar aan investeringen was teruggetrokken. Investeerders wilden eigenlijk nog veel meer geld weghalen, waarop het bedrijf noodgedwongen een opnamestop afkondigde. Ook andere investeringsvehikels als KKR, Ares Management, Apollo Global en BlackRocks HPS Investment Partners namen al soortgelijke maatregelen om een leegloop van hun investeringsfondsen te voorkomen. In het eerste kwartaal probeerden beleggers ongeveer 19 miljard dollar op te nemen uit deze kredietfondsen, aldus de Financial Times.

Met open mond

Alle onheil, met de energiecrisis voorop, brengt economen van grote banken en instellingen ertoe hun prognoses flink naar beneden bij te stellen. Voorspellingen voor een inflatie die richting de 4 procent gaat, zijn geen uitzondering meer. Dat geldt ook voor een economische groei die daalt tot ver onder de 1 procent.

En dat doet de vraag rijzen: kan de economie nóg een grote schok aan? Olaf Sleijpen, de president van De Nederlandsche Bank, onderstreepte vorige maand bij de presentatie van het jaarverslag van de centrale bank, dat crises een soort van business as usual aan het worden zijn: „Dit jaarverslag verschijnt, ik kan wel zeggen traditiegetrouw, op een moment dat we met zijn allen weer met open mond staan te kijken naar wat zich nu weer op het wereldtoneel voltrekt”, zei hij.

Alle recente schokken gingen gepaard met waarschuwingen van economen dat er zeer zwaar weer op komst was. Dat was zo met de Covid-pandemie (februari 2020), met de Russische inval in Oekraïne (februari 2022) en de extreme verhoging van de Amerikaanse invoerheffingen voor vriend en vijand door de Amerikaanse president Trump (april vorig jaar).

Zonder gevolgen waren al deze gebeurtenissen zeker niet. Maar wat opvalt is dat de Nederlandse economie ze best goed doorstond. De schade van Covid – een diepe daling van het bruto binnenlands product – was na een even heftig herstel alweer tenietgedaan in het vierde kwartaal van 2021. Hetzelfde gebeurde na de energieschok door de inval in Oekraïne. En de gevolgen van Trumps heffingenoffensief vielen wereldwijd mee ten opzichte van wat er was gevreesd – al is dat vooral te danken aan het feit dat Amerika’s handelspartners niet of slechts ten dele terugsloegen met eigen heffingenverhogingen – China uitgezonderd. Een echte handelsoorlog werd zo voorkomen.

De verrassende uitkomst: als de schokken er niet waren geweest en de gemiddelde economische groei uit de periode vóór Covid – een kleine 0,4 procent van kwartaal op kwartaal – zich zou blijven hebben voorgedaan, dan was de Nederlandse economie nu even groot als in de werkelijke wereld mét alle schokken.

De enige grote verandering sinds de opmaat naar Covid is een flinke en blijvende verhoging van het Nederlandse prijspeil, en met enige vertraging ook het peil van de lonen. Want de inflatie was zeer hoog en hardnekkig, en werknemers wilden daar een meegroeiend inkomen voor terug om geen koopkracht te verliezen. Als zich sinds de aanvang van Covid een inflatie had voorgedaan van 2 procent – het streefdoel van de Europese Centrale Bank, dan zou het prijspeil in Nederland nu 13 procent hoger zijn dan toen. In werkelijkheid is het nu bijna 30 procent hoger.

Eén stoot verwijderd van knock-out

Uit de hele gang van zaken kunnen twee verschillende conclusies worden getrokken: ook nu, tijdens en na de Iran-crisis, zullen doemvoorspellingen achteraf nogal overtrokken blijken te zijn. De economie is weerbarstiger gebleken dan gedacht, en zal dat nu eveneens zijn.

Maar er is ook een andere gevolgtrekking mogelijk. Zijn de reserves nu op, na zoveel klappen achter elkaar te hebben geïncasseerd? Zoals bij een bokser die na drie ronden nog steeds wonderwel overeind staat, maar nu nog maar één stoot verwijderd is van een knock-out.

Hoewel de prognoses onder economen licht verschillen is er over één ding grote eensgezindheid: de hevigheid van de economische gevolgen hangt vooral af van de duur van de Iran-crisis en zijn gevolgen. Het scenario van een kort en fel conflict rond Iran ligt allang in de prullenbak. De waarschuwing van Eurocommissaris Dan Jørgensen dat de energiecrisis als gevolg van de oorlog lang zal gaan duren weerspiegelt in dit opzicht slechts een groeiende consensus. Maar de schade is niet voor iedereen even groot.

Ontwikkelingslanden en opkomende landen, met name in Azië, ondervinden nu al tekorten aan energie, sterk oplopende kosten en maatschappelijk leed. Europa en Nederland, die zich dure energieprijzen op de wereldmarkt beter kunnen permitteren, kunnen hiermee vergeleken de schade relatief beperkt houden – al waarschuwt Jørgensen dat rantsoenering van energie ook hier niet ondenkbaar zal zijn.

In wezen zijn het de Verenigde Staten zelf, nu de grootste olieproducent en exporteur van vloeibaar gas, die de minste directe gevolgen van de crisis merken – al wordt van de stijgende benzineprijzen om politieke redenen een groot punt gemaakt. Noem het ironie: de economie van het land dat de Iran-oorlog mede begon, ondervindt er tot nu toe de minste hinder van. Misschien dat het juist deze cynische constatering is die de koersen op Wall Street voorlopig stut.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next