Home

Dylan

De lentezon trekt strepen over de tegels in de keuken. Ik ben eieren aan het bakken voor de kinderen. Ik heb muziek opgezet en zing mee met Bob Dylans ‘Don’t Think Twice It’s All Right.’ De eieren sputteren, ik draai er één om voor het kind dat geen vloeibare dooiers wenst.

De jongste tekent aan tafel, terwijl ze in zichzelf praktische, geruststellende dingen mompelt. „Even de groen terug in de doos, ja, heel goed, helemaal klaar weer, hoor.” De jongens gaan in de tuin tekeer op de trampoline, meanderend tussen krijsende ruzie en krijsende liefde. Willem zit aan tafel de afstandsbediening te repareren.

Ik ben de laatste tijd veel weggeweest. ‘Je tweede golf’ noemde een vriend dat. Alsof ik na tien jaar in de ommuurde vesting van het gezin het wenken van de wereld niet meer kan weerstaan. Nieuwe mensen, feesten in de stad, gesprekken op terrassen over het verlangen naar een eigen kamer om te schrijven en af en toe te slapen, niet hier, maar daar waar het spannend is. Er kan zoveel opeens en tegelijkertijd is er niets veranderd sinds toen. Nog steeds hetzelfde gretige gelonk van al die mensen die verlangen naar aandacht, liefde, felle lichten, kunstenaarschap.

Goed in de gaten houden wat je over wie zegt, verbondjes die tussen twee mensen bezegeld worden via kleine knikjes, „ben je volgende week ook daar?” en heel veel drank om alle sociale angst te temperen. ‘Wil ik dit eigenlijk wel?’ vraag ik mezelf steeds af. En: ‘Is dit niet nep en onveilig?’

Ik haal de eieren uit de pan en leg ze op borden. „Willem”, vraag ik. „Wat denk jij eigenlijk dat ‘Don’t Think Twice It’s All Right’ betekent?”  

„Gewoon”, zegt hij en schudt met de afstandsbediening. „Dat je er niet twee keer over moet nadenken, want dat het allemaal oké is.” „Echt?” zeg ik. „Niet echt toch?” „Ja, wat dacht jij dan?” vraagt hij. „Dat je niet tweemaal in dezelfde val moet lopen. Als iemand je één keer genaaid heeft, ga je rennen”, zeg ik.

„Dat is heel raar”, zegt hij en maakt het klepje van de afstandsbediening open. Er zit iets los binnenin. Getergd begint hij met een schroevendraaiertje nog iets anders los te draaien, dieper in het apparaat.

„Eten!” roep ik en zet de borden op tafel. De jongens galopperen naar binnen, vieze schoenen, vieze handen. De jongste prikt met een vork in haar ei. „Ik hoef het toch niet”, zegt ze afgemeten, en gaat verder met tekenen. Ik blijf bij het aanrecht staan terwijl er gegeten wordt en denk na over mijn neiging tot wantrouwen. Ik weet waar het vandaan komt. In een familie met een ontheemde, Indische grootmoeder en een opa in een rolstoel, die tijdens de wederopbouw van Rotterdam leefden, is er weinig ruimte voor grenzeloos optimisme. Ik kan het niemand verwijten dat ik heb geleerd om beren de weg op te slepen. Voorzichtigheid, die met de jaren uit kan monden in ongeloof of zelfs pessimisme, is een overlevingsmechanisme voor degenen die geleerd hebben dat je van anderen niets hoeft te verwachten. Dat je er nooit helemaal bij zal horen. 

„Aha!” roept Willem en drukt op een knop. Het rode lampje van de afstandsbediening brandt weer. Dan kijkt hij naar mij, ziet me piekeren en weer precies waarom. „Hier is het toch oké”, zegt hij. Ik kijk naar mijn gezin aan de tafel. Bloemen op tafel, glanzende wangen, struif aan hun vingers.

„Ja”, zeg ik hartgrondig. Dan denk ik aan de tweede golf, de tweede kans. En die is eigenlijk ook all right.

 

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next