Home

Maakt de nieuwe technologie ons echt tot andere mensen?

Filosofisch essay Hoe zit de mens in elkaar dat hij tegelijkertijd twee kanten – willoze verslaving aan een wereld van technische gadgets en op hetzelfde moment de wil om die te overwinnen – in zich verenigt? Roxane van Iperen komt er niet uit.

Vrolijk word je niet van het lezen van de verhandeling Ik zie wat ik geloof van de schrijver en columnist Roxane van Iperen, die dit jaar als essay van de Maand van de Filosofie verschijnt. Kinderen communiceren alleen nog maar met hun smartphone, zo constateert zij tientallen bladzijden lang. Iedereen leeft in zijn eigen bubbel, onze gedeelde wereld maakt plaats voor een werkelijkheid waarin ieder alleen maar ziet wat hij wíl zien: vandaar de titel van het essay. Achter de schermen wordt onze vrijheid gemanipuleerd door een handvol techbro’s met het oog op eigen gewin. De gemeenschap is een markt geworden en slaapwandelend lopen wij collectief de fuik in van een nieuw soort slavernij.

Roxane van Iperen: Ik zie wat ik geloof. Big Tech als architect van de nieuwe werkelijkheid. Pluim, 94 blz. € 8,-

Daar is ongetwijfeld iets van aan. Van Iperens essay leest als een samenvatting van wat dagelijks in columns, alarmerende artikelen en geleerde rapporten wordt geconstateerd. Maar, zo fluistert een tegenstem naarmate je verder in haar betoog vordert, dat is lang niet het hele verhaal. Nederland is óók verenigingsland nr. 1, wekelijks zingen honderdduizenden zich de longen uit het lijf in koren en musicals, de hulpvaardigheid op straat is nog steeds vele malen normaler dan huftergedrag en mensen zijn niet minder vriendelijk en belangstellend dan een paar decennia geleden.

Toch staan we volgens Van Iperen op de rand van een radicale cultuuromslag waarvoor ouderen (zoals, toegegeven, deze bespreker) het zintuig missen. Te vaak zien zij al die alarmerende symptomen als iets voorbijgaands of als een onschuldige variant op wat zij zich uit hun eigen verleden herinneren. „Wanneer ik ouders, leraren of zelfbenoemde experts in podcasts hoor verkondigen,” schrijft Van Iperen, „dat het urenlang ‘verdwijnen’ in een scherm als vorm van ontsnapping uit de werkelijkheid, eigenlijk niet zoveel anders is als wat wij vroeger deden, met televisie of film, sla ik nog net niet mijn hoofd tegen het bureaublad.”

Op tweederde van haar essay lijkt Van Iperen echter te beseffen dat haar klaagzang misschien zelf lijdt aan wat ze anderen in haar titel verwijt en vooral ziet wat ze wil zien. Waarschijnlijk ligt het allemaal niet zo zwart-wit. Want ook al is op technologisch gebied dan ‘de geest uit de fles’, zo schrijft ze, zou het niet mogelijk zijn „de algoritmen te laten functioneren niet ten koste, maar in dienst van de mens en menselijke relaties?”

Uitzichtloos

Dat is een goede vraag, maar hoe maak je die omslag als je de situatie eerst zo uitzichtloos hebt gemaakt als Van Iperen in het eerste deel doet? Nostalgie is daarbij geen goede raadgever, constateert ze terecht – om ‘vroeger’ een paar bladzijden verder niettemin onbekommerd tot voorbeeld te stellen: „Voorheen spiegelde je je aan anderen in een menselijk verlangen naar erkenning en belonging […] Een overkoepelend idee van ‘wij’ dat soms veilig en soms verstikkend voelde, maar dat je kon bevragen en met inspanning steeds opnieuw kon vormgeven.”

Moeten we dus toch maar weer terug naar het verleden? Als dat al zou kunnen, dan nog blijft het essay steken in nogal oppervlakkige remedies. Een terugkeer naar „publieke ruimtes [als] de plekken waar we elkaar ontmoetten en leerden verdragen”: dat is het meest concrete waar Van Iperen mee komt. Sportverenigingen, stadsparken, jeugdclubs, buurthuizen zouden in ere moeten worden hersteld als „pleinen van zichtbaarheid [die] draaien om wederkerige lijnen”. Ze moeten het in het eerste deel breed uitgesponnen onheil weten te keren. Intussen mag de macht van de techbro’s kennelijk ongebroken blijven, inclusief hun, marktideologie. Over een boycot van Amazon, Uber, Google en Meta geen woord.

Zo pessimistisch als het eerste stuk van Ik zie wat ik geloof gestemd is, zo hooggestemd is het tweede – maar hoe je van de een naar de ander komt blijft een raadsel. Om dat plausibel te maken, kun je niet volstaan met gemakkelijk weg lezende scènes uit het dagelijks leven, maar moet je onder de oppervlakte daarvan duiken. Hoe zit de mens in elkaar dat hij tegelijkertijd die twee kanten – willoze verslaving aan een wereld van technische gadgets en op hetzelfde moment de wil om die te overwinnen – in zich verenigt? Hoe tweeslachtig is de werkelijkheid die daarvan het gevolg is? En wat doet de nieuwe technologie daarmee nu écht, maakt ze ons werkelijk tot andere mensen?

Dat soort vragen vergt meer van de lezer dan een aaneenschakeling van alarmerende anekdotes waar Van Iperen een meester in is. Het is wel wat je van een filosofisch essay zou mogen verwachten, ook in de beknopte vorm waartoe dat genre nu eenmaal veroordeeld is. Nu is Ik zie wat ik geloof een lang uitgesponnen doemcolumn geworden, met wat peptalk aan het eind. „De macht herpakken, het stuur overnemen en de ramkoers corrigeren die ons met filosofische tegelwijsheden wordt verkocht,” zo beschrijft Van Iperen tot slot haar toekomstperspectief, alsof dat géén filosofische tegelwijsheden zouden zijn. „Die macht zit in het hernemen van onze menselijkheid.”

Wat u zegt. Ik sla nog net niet met mijn hoofd tegen het bureaublad.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next