Ter gelegenheid van de 60ste verjaardag van Privé-domein verscheen onlangs Mary MacLane’s Ik wacht op de komst van de Duivel. Van dit dagboek, het 336ste deel in deze geweldige serie egodocumenten, had ik nog nooit gehoord, laat staan dat de Canadees-Amerikaanse schrijfster me bekend voorkwam. Maar nu al is haar boek, dat een periode overspant van 13 januari tot en met 28 oktober 1901, een van mijn favorieten.
Op iedere bladzijde maakt MacLane korte metten met de benepen moraal van het stadje Butte in Montana, waar ze met haar familie woont. Negentien jaar oud, lesbisch en overtuigd van haar genie, haar buitenissige karakter en haar gewetenloosheid, hunkert ze naar de liefde van haar vroegere lerares, wier gevoelens in hartstocht niet wederkerig zijn.
Ook verlangt Mary naar de dag waarop de Duivel haar uit dat keurslijf komt bevrijden. Met een stortvloed aan smeekbedes en verlangens richt ze zich tot hem. Want alleen door zich aan zijn zijde te scharen meent ze zich uit haar beklemmende omgeving te kunnen bevrijden. Haar leven „zal bruisen en bulderen”, schrijft ze, „het zal plonzen en kolken”.
Vanaf de publicatie in 1902 van The Story of Mary MacLane, by Herself, zoals de oorspronkelijke titel van het dagboek luidt, was het een succes. Dat kwam vooral door de schaamteloze, opstandige bekentenissen die erin stonden. MacLane’s grote voorbeeld was de vrijgevochten Marie Bashkirtseff (1858-1884), wier postuum in Frankrijk verschenen dagboek uit 1887 eveneens in Privé-domein verscheen.
Maar Mary voelt zich beter dan de Russische Marie. Zo schrijft ze: „Waar zij diepzinnig is, ben ik diepzinniger. Waar zij opzienbarend is in haar intensiteit, ben ik opzienbarender in mijn intensiteit.” Maar ook: „Zij werd omringd door bewonderende, meelevende vrienden, ik ben alleen – alleen, hoewel er tal van mensen zijn.”
Mary’s lijden verschaft haar de scherpe blik om de wereld intenser te beleven dan anderen. Daardoor krijgen alledaagse gebeurtenissen, zoals een zonsondergang of de blauwe luchten van Montana ineens iets verhevens. Het put haar ook uit, want ze is vaak doodmoe van haar ‘ongeluk’. Maar juist die afwisseling van intens genot en verslagenheid geeft haar dagboek de opstandige kracht die je dwingt om door te lezen.
Na verloop van tijd besef je ook dat het Mary vooral om roem als schrijfster is te doen, hoewel ze die tegelijkertijd wil opgeven ‘voor één uur Geluk’. In haar vurigheid is ze, in ruil voor Geluk, bereid om alles wat ze bezit aan de Duivel te geven in de hoop dat er een einde komt aan de leegte waarin ze zich waant, „de Leegte die van het leven een tragedie maakt”. Daarom ook wil ze een Napoleon zijn, die zich onverschrokken op de wereld stortte.
Van iedere bladzijde uit dit onstuimige boek springt behalve de Sturm und Drang van de jeugd ook het besef dat het aardse bestaan nergens op slaat en je nooit antwoord zult krijgen op de meest prangende levensvragen. Dat besef ontroerde me, vooral toen ik las dat Mary uiteindelijk het gelukkigst was als ze een kort gebakken Porterhousesteak uit Omaha at, met verse bosuitjes uit Californië. De aardse genoegens zegevierden op zo’n moment over het grootste verlangen. Waar de Duivel op dat moment uithing is me een raadsel.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews